Lambert

Click op: Lambert 

Sierens Lambert (1823-1894)

Carolus Saelens en Anna Vlaeminck

Carolus Saelens was de zoon van Joos en Craymeersch Elisabeth. Hij overleed te Oostkamp op 28/3/1784. In november van datzelfde jaar herhuwde de weduwe Marieanne Vlaemynck met Joannes Sierens uit Beernem. Carolus Saelens was voorheen weduwnaar van Vercruysse Joanne. Later herhuwde hij met Anna Vlaeminck. Zij was de dochter van Joannes en Joanne Degraeve. Zij hadden 4 kinderen: Saelens Joanne (° Oostkamp 15/10/1779 + Oedelem 8/7/1819), zij huwde te Oedelem met Louis Degraeve in 1807. Hij was 15 jaar ouder dan zij en weduwnaar. Hij overleed te Oedelem 25/6/1820. Een 2e kind was Charles (°Oostkamp 1883, +Sijsele 22/3/1830). Hij huwde te Oedelem op 25/6/1820 met Francisca Schooreel. Verder was er nog de tweeling Joseph en Petrus Saelens geboren 16 dagen voor de dood van hun vader Carolus. Op 29 april 1788 werd een staat van goed opgemaakt voor de burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp.

Carolus Saelens bezat uit zijn eerste huwelijk een huis, met schuur, stallingen en een boomgaard met de helft van een partij land van 400 roe genaamd “het veldstuk”(zie nr. 1). Deze eigendom was gelegen onder de heerlijkheid van Walschen in Oostkamp (ommeloper van Oostkamp folio 390 art 1). Carel Saelens kon dit hoevetje in cheins gebruiken voor 20 schellingen per jaar en dit voor de duur van 49 jaar ingaande met baefmis 1750. Op 4/3/1755 kon hij dit hoevetje kopen van de erfgenamen van Jan Vandewalle fs Laureyns gehuwd met Joanna Sonneville, voor de som van 23 pond 6 schellingen 6 grooten. In die tijd paalde het stuk ten noorden en oosten aan Jan Vlaminck, ten westen aan mijnheer Triest. De wederhelft behoorde toe aan de erfgenamen van Cornelis Vanderschaege.

Tijdens zijn huwelijk met Anna Vlaminck verwerfden zij de helft van de 400 roeden, het deel van Elisabeth Craeymeersch, zijn eerste vrouw ( akte van uytgrootinghe 17/3/1781). Verder verwerfden zij de andere helft van het “veldstuk” (gemeen en onverdeeld met de partij hiervoor vermeld), bij koop van Jan Standaert (20/4/1784). Dit stuk land was nog belast met een rente. Anna Vlaeminck bracht haar part ook binnen het huwelijk. Zij bezat haar deel in een hofstedeke met 6 gemet erf gelegen in Oostkamp nabij het Beverhoutsveld. Dit verkocht zij tijdens haar huwelijk aan Peter Vandenbussche, de tweede man van Joanne Degraeve, haar moeder. Zij was eveneens eigenaar van het “dreefken” (20 roeden) dat leidde naar het hofstedeke. Verder werd in de staat van goed een beschrijving gemaakt van al hun bezittingen:

In de keucken:

een hangel, keten, brander, 2 tanghen, schouwijzer, kuysche, oliepulle, lampe, soutlae, pottjens en schaelen, gleyers, 5 tinne schotels, themoor, 2 ysere potte, 2 stene kannen, een gleyersche dito, kannebanck, lepelbart met thinne lepels, koper ketel, schilderien, seefde, saeghe, 2 spaen, 2 amessen, mande, spindeken, spinnewiel, aantrokke, 2 taefels, seven stoelen, 28 pondt swijnevleesch ende andere cleenigheden t’saemen weirdig bevonden ter somme van 4 pond 13 schelling 4 grooten courant.

In de kamer:

2 coffers, seefde, 2 lekels, 2 manden, een tafel, rek, wiege, lampe, waterpot, wat turfaschen, wat werck en vlasch, een kerfsaeghe, haspe, slaepinghe van de bezittige en kindt, kleederen ende lijnwaet van den overleden, kazakke en veste gekeert, een ander kazakke, callamanden hemdtrock met 18 silver gebasoneerde knoopen, een broek met silver knopen, 2 zijde halsdoecken, hoeden en schoens, 8 hemden met alle devoordere goederen inde zelve camer tesamen 8.19.4

Al de slaepinghe van de besittige tot 1.10.0

De kleederen ende lynwaed van de bezittige en syn niet gepresen ne maer met verdrag van de voogden over de wesen haer gelaeten.

In het waschhuys en kelder:

wat prondelinghe, een thinne kanne, aerdewerck, keirne met toebehoorten, koelvat, aerdewerck en gleyers, wat gaeren, waschstoel, pot met smout, keirne, melkcuype en eenige boter en wat andere kleenigheden te saemen 1.12.6

Op den zolder:

een slechten coffer,10 biecorven en trog, 15 bonden vlasch, havercaf, 2 seynsens, slechte koekepanne, stoel en andere kleenigheden. te saemen 1.5.4

In de koystal:

een geblaerde koy oud 14 jaeren, een gegrimmelde koy van haar tweede calf, een calf, een kuype, wat diltpersen, wat hoy t’saemen 13.17.8

In de swynskooten:

drie looperswyns ende wat hoy t’saemen 3.3.0

In den achterhove:

alle den vette in den put ende stallen, twee swynsbakken, leere ende wat branthout, t’saemen: 2.4.6.

In de scheure:

kordewaegen, vlegels, raeken, swyngelbardels, voorhamer, wanvat, twee cuypen, wat stroo, houtpeird, schuppe, stoel, een legge vlasch ende andere goederen t’saemen 0.16.8

In den logting:

alle de vette met sputten, queekfruytboomen, anjunzaet, een bielogie sonder bien, omtrent 3 zacken aerdappels, nog een leere t’saemen 2.13.6

Op het land:

400 roeden saetkooren in volle vette boven gestroyt, seeuwen, 2 veuren labeur, honderd roeden halfve vette naer aerdappels, weirde van wat loof, 235 taille van houtte à 12 schellingen per honderd, ende seven hennen met den haene t’saemen 6.13.0.

Voortsch geprezen op den uytweg van het hofstedeken groot ontrent de 17 roeden competerende aen de bezittighe causa matris, de weirde van het boomcatheyl weirdig 0.10.0.

weirde van de boomcatheilen staande op ‘s overledens syde houdende goet 1.O.0

Contante penninghen ten sterfhuyse bevonden 5.10.0

Den prys van ‘s overledens juweelen volgens billet van den goudsmit 0.17.8

Verder werden er nog 18 schellingen 4 grooten besteed aan een doodskist en 5 schellingen 6 grooten voor het doen van bedevaarten voor de overledene naar Gistel en Dudzele.

De totale som van de lasten bedroeg: 73.8.11. De baeten  : 52.6.6.

Afgezien van de eigendommen waren er dus meer schulden dan baeten ter somme van 21 pond 2 schellingen en 5 grooten.

Voor het huwelijk van Karel Saelens en Anna Vlaeminck werd voor Guillaume Dejonghe uit Beernem een huwelijkscontract opgesteld. Dit contract vond men echter niet meer terug zodat op 28/1/1788 een verklaring van de vroegere getuigen werd opgetekend. Deze getuigen Guilhelmus Dejonghe van Beernem, Joannes Dejonghe uit Brugge en Pieter Vandenbussche uit Oostkamp verklaarden dat in september 1779 in Brugge volgende zaken werden opgetekend: ingeval van overlijden zonder kinderen moest ofwel Anna Vlaeminck aan de erfgenamen van Carolus Saelens 10 pond grooten uitkeren ofwel Karel Saelens aan de erfgenamen van Anna Vlaeminck 30 pond grooten uitkeren. In ieder geval mocht de langstlevende alle “cleederen, lijnen, juweelen en het beste bedde behouden”. Dit huwcontract was nu echter van geen tel meer aangezien er twee kinderen uit dit huwelijk waren: Saelens Joanne 6,5 jaar en Carolus 4,5 jaar.


Joannes Sierens en Anna Vlaemynck

Joannes Sierens, zoon van Joannes en Isabelle Coolman, uit Beernem, kwam op 27 jarige leeftijd bij Marie Anne Vlaemynck introuwen. Zij was weduwe van Karel Saelens (+Oostkamp 28/3/1784). Joannes en Marie Anne huwden op 7/11/1784. Joannes was boerenknecht en kon niet schrijven. Zij woonden in Oostkamp op de wijk Moerbrugge nabij de Veldkapel. Hun boerderijtje paalde met een dreefken aan “de dreve aen het Beverhoutsveld”, de huidige Beverhoutstraat. Het dreefje was langs weerszijden beplant met bomen. Aan de zuidzijde paalde hun hofstedeke aan het bos van baron de Peelaert-Steenmaere uit Brugge. Aan de voorzijde en de noordzijde lag het boerderijtje en het land van Pieter Vandenbussche, gehuwd met Joanne Degraeve, de moeder van Marie Anne Vlaemynck.

Joannes Sierens en Marie Anne Vlaeminck hadden samen drie kinderen: Joannes ( °1785), Regina (°1787), Jacques (°1790).

Zoals velen werden ook Joannes en Jacques opgeroepen om te dienen in het leger van Napoleon. Joannes werd opgeroepen bij de lichting van 1806. Hij was toen werkman en was 1.56 m groot. Bij de aanduiding ” indication de ce qu’est devenue de chaque conscrit” staat vermeld ” refé Pr gebbonté”. Zou hij dan niet opgeroepen zijn door gebruik te maken van een lange arm? Jacques was ook niet erg enthousiast over zijn oproeping bij de lichting van 1810. Bij de opmerkingen op de conscrictslijsten staat vermeld “vue louche et blessure à la main gauche”. Verder staat nog vermeld “slegt gezicht” en teruggestuurd met gedeserteerde conscrits- niet afgekeurd- mais il le sera. In de klasse van 1812 staat hij vermeldt bij de afgekeurde conscrits om redenen van ” faiblesse de con- mauvau conformation”( algemene zwakte). Ofwel was hij een persoon met zeer zwakke gezondheid, ofwel was hij een plantrekker eerste klas. In die periode kwam het veel voor dat conscrits zichzelf verminkten teneinde niet opgeroepen te worden.

Verder vermelden we nog dat noch Joannes jr., noch zijn broer Jacques hun handtekening konden plaatsen. Vermoedelijk gingen zij nooit naar school. Zij woonden immers nogal veraf van de omliggende dorpskernen.

1812 was een bewogen jaar voor de familie Sierens. In januari huwde hun toen 25 jarige dochter Regina met de 6 jaar oudere schrijnwerkerszoon Bernard Degrande van Oostkamp. In juni van hetzelfde jaar stierf vader Joannes thuis. Hij was toen 55 jaar.

Drie maand na zijn overlijden werd op dinsdag 29 september door notaris Beaucourt van Oostkamp een akte opgemaakt waarin alle bezittingen van het echtpaar Joannes Sierens-Anna Vlaeminck vermeld werden.

De volledige huisraad werd in de sterfhuisakte opgetekend. Deze stemt in grote trekken overeen met de huisraad beschreven in de staat van goed van Carolus Saelens. Wel is er een en ander bijgekomen. Zo staat er nu een staande klok in de keuken met een waarde van 44 frank. Ook sliepen zij in een pluymen bed met beddelakens, oorkussen en gordijn. De juwelen van Joannes Sierens werden geschat door Pieter Reubens, goudsmid, op 31,92 frank. In de schuur was er o.a. een windmolen en turfspade aanwezig. De veestapel was ook uitgebreid. Er was een grijze koe van 8 jaar met een waarde van 110 frank, een zwarte koe van 7 jaar met een waarde van 150 frank, een zwarte koe van 3 jaar, waarde 130 frank, en een vaars van 18 maand. In het varkenskot waren er 2 zwijnen. Verder nog 7 hennen en een haan.

Joannes bewerkte in die tijd in totaal 3ha72a69ca akkerland verdeeld over 11 partijen. De beplanting was rogge, een beetje tarwe, vlas, aardappelen, cichorei wortels, wortelen en klaver. Een paard bezat Joannes niet. Hiervoor leende hij het paard van zijn buurman Pierre Henneman. In ruil hiervoor moesten de kinderen Joannes en Jacques gaan werken op zijn hofstede.

Verder behoorde bij het actief nog een schuld van zijn broer Francies uit Beernem die nog 12 frank 70 cent moest betalen voor aankoop en levering van 10 appelbomen. Deze weigerde echter te betalen. Blijkbaar was er enige spanning in de relatie tussen beide broers. Ook moest Louis Degraeve gehuwd met Joanne Saelens, de halfzuster van Joannes, nog 22 frank 10 cent aan dit sterfhuis betalen, voor geleend geld.

Met uitzondering van de onroerende eigendommen bedroeg uiteindelijk het totale actief 3.032 frank 27 cent.

Er waren ook schulden.

Men moest 31 frank 75 cent betalen aan de pastoor van Oostkamp voor het celebreren van 25 missen voor de overledene. Aan de pastoor van Assebroek, waar men blijkbaar naar de zondagsmis ging, moest men 21 frank 76 cent betalen voor het omroepen van de overledene in de jaargetijden. Van Anna Vlaeminck, jonge dochter in Oostkamp, had Joannes 250 frank geleend. Ook de 24 jarige meid, Brigitte Sierens, moest haar loon van 21 frank 76 cent nog ontvangen. Brigitte was de dochter van Christiaan en Isabella Rotse. Zij was geen familie van Joannes. Het totale passief bedroeg 441 frank 97 cent.

Gedurende hun huwelijk hadden Joannes Sierens en Marieanne Vlaeminck een zestal eigendommen verworven (de nummering van de percelen komt overeen met de nummers op het bijgevoegde kaartje).

1.Het boerderijtje, 60a15ca gelegen te Oostkamp, alias Beveren, nabij het Beverhoutsveld nr. 516, was hun eigendom. Dit hofstedeke met huis, schuur, stallingen, ovenbuur en andere edificien, boomgaard, groenselhof en dreef had Marianne Vlaeminck voor de helft meegebracht uit haar vorig huwelijk. De andere helft hadden zij verkregen door uitkering van het deel toebehorende aan haar kinderen Charles Saelens en Joannes Saelens, ondertussen gehuwd met Louis Degraeve en wonende te Oedelem. Dit gebeurde op 2/6/1810 voor notaris Hermans te Brugge. In dezelfde koopakte verkochten de kinderen Saelens hun deel in het “Veldstuck” t.t.z. de helft van 60a15ca. Correcties aan deze akte werden aangebracht door notaris Beaucourt op 10/8/1812. De te betalen uitkeringssom aan Charles en Joanne Saelens was 476,19 frank. Deze partij zaailand was gelegen achter het boerderijtje en paalde met de achterzijde aan de Mazelbeke.

  1. Een partij akkerland, “het Akkerken” met een grootte van 1ha6a30ca. Deze partij was een deel van een grotere partij genoemd de “Grooten Acker”. Dit perceel was geheel ingesloten door kanthagen en had uitweg op “het westeynde bij de kanthage langs den slag van Mr Beaucourt, en vandaar naar de Erkegemstraat of Wallekensdreef”, de huidige Veldstraat. Er moest ook uitweg gegeven worden aan het perceel bos (sectie B nr. 273) en dit “langs de zuudzijde van den haeck tegen het land van Mr Beaucourt”. Joannes kocht deze partij van de weduwe van Jan Ballegeer op 28 nivose van het jaar 9 voor notaris Beaucourt in Oostkamp. Hij betaalde hiervoor 925 frank.
  2. Een partij land genaamd” den Verbranden Bilc”, nabij de straat naar het Beverhoutsveld, grootte 67a50ca, gekocht in openbare verkoop bij notaris Beaucourt op 26/8/1811. De openbare verkoping bestond uit vele loten. Het geheel vormde de hofstede en land toebehorende aan de erfgenamen van Jean Deloof. Deze partij land werd gekocht door Alexander Bleyaert, herbergier landbouwer in Oostkamp, als command voor Joannes Sierens. Na drie opgebrande kaarsen (die ongeveer 1 minuut konden branden) stond het stuk land op naam van de voorgenoemde Bleyaert voor 1350 frank. Hierna stak men nog 2 kaarsen aan. Niemand verhoogde nog het bod. Bij het doven van de laatste kaars was de eigendom verkocht.

4a. Een partij bos genaamd “‘t Maagdebosje” met een grootte van 32a60ca. Het werd gekocht op 14 fructidor jaar 9, zonder tussenkomst van de notaris, van de weduwe Guido Danckaert uit Brugge. Dit bos werd niet ontgonnen. Er stonden nogal wat waardevolle bomen op. Op 20.12.1819 werden door notaris Beaucourt de mooiste bomen openbaar verkocht. Er waren 27 loten die in totaal 572 frank opbrachten.

4b. Een partij esbos, in Oostkamp oost over de vaart, die hij ontginde tot akkerland met een grootte 44a50ca. Hij kocht dit van de erfgenamen Bouckhout met akte verleden voor notaris Perneel te Beernem op 27 pluviose van het 6de jaar van de Franse tijdrekening. Hij betaalde hiervoor 64 pond 18 schellingen en 11 grooten.

  1. Een partij taliebos gelegen nabij de voorgaande partijen gekocht op 11 brumaire jaar 11 bij notaris Beaucourt in totaal 43a 60ca groot. Hiervoor betaalde hij 350 frank. Joannes ontginde dit perceel tot akkerland.

6a. Een partij zaailand met een oppervlakte van 47a eveneens gekocht van de weduwe Danckaert uit Brugge.

6b. Een partij zaailand, 28a30ca, palende aan de Wallekensdreef, eveneens gekocht van de weduwe Danckaert.

  1. Verder wordt nog een effect ter waarde van 189 frank 56 cent vermeld. Deze werd onderschreven door Ambrosius Dhoore van Oostkamp.

Alles wijst erop dat met de komst van Joannes Sierens het gezin welvarend was geworden. Bij het overlijden van Carolus Saelens was er buiten de eigendommen een negatief saldo van 29 pond. Nu was er een batig saldo van 2591 frank. Ook kocht Joannes tijdens zijn huwelijk diverse stukken land en bos die hij ontginde. We kunnen stellen dat het gezin van de status ” klein arbeidersboertje” naar “middelmatige boer” was geëvolueerd.

De familie Sierens maakte gebruik van het Beverhoutsveld als aamborger. In het zomerseizoen van 1814 liet Anna Vlaemynck 3 koeien grazen in de “Leckerbalie” nabij haar hofstedeke. In 1815 waren het er 4, in 1816 en 1817 waren het er 3.

Na de dood van haar dochter Joanne Saelens die stierf in 1819, één maand na de geboorte van haar jongste kind, en haar man Louis Degraeve (+1820), ontfermde Anna Vlaminck zich over haar 4 kleinkinderen Degraeve (Anna °Oed 1810, Cornelius °Oed 1812, Isabelle °Oed 1814 en Eugenie °Oed 1819).In 1830 woonden de 4 kinderen nog steeds bij haar.

Marianne Vlaemynck stierf op vrijdag 26 maart 1830. Zij was toen 81 jaar. Zij stierf door ziekte. Meester Turtelboom, chirurgijn van Oostkamp, kwam verschillende keren op visite en gaf haar medicijnen. Hiervoor vroeg hij 1 gulden 46 cent. De rouwmaaltijd werd gegeven bij Gabriel Sabot, herbergier en bakker in Oostkamp. De familie betaalde hiervoor 36 gulden 39 cent. Bernard de Grande leverde de tarwe voor de rouwmaaltijd ter waarde van 9 gulden 64 cent. Er werd ook roggebrood, ter waarde van 77 cent, voor de armen, gebakken door Antonius Van Wassenhove. Na de begrafenis moesten de goederen verdeeld worden onder 5 verschillende partijen: haar kinderen of de nakomelingen ervan:

1.Jacobus Sierens, vrijgezel. Hij woonde nog thuis.

2.Regina Sierens, huisvrouw van Bernard de Grande. Zij waren landbouwers en woonden nabij de plaats in Oostkamp.

3.Theresia Huyghe weduwe van Joannes Sierens junior met haar 2 kinderen: Francisca 10 jaar en Lambertus 7 jaar. Theresia was spinster en woonde op de wijk Erkegem in Oostkamp bij haar zuster Rosa. Jacob Sierens was toeziende voogd van de 2 kinderen. Hij werd aangesteld door de Brugse vrederechter op 17:5:1823.

4.De 4 minderjarige kinderen van Louis Degraeve en Joanna Saelens namelijk Anna Maria 20 jaar, Cornelis 18 jaar, Isabelle 15 jaar en Eugenie 14 jaar. Zij woonden bij Jacob Sierens en Anna Vlaemynck. Hun voogd was Joseph de Grave, grootlandbouwer uit Oedelem. Voorheen was Anna Vlaemynck moederlijke voogd over de 4 weeskinderen. Op 10 april 1830 werd Bernard de Grande aangesteld door de vrederechter.

5.Francisca Schooreel, weduwe van Charles Saelens, met haar 3 kinderen: Karel 9 jaar, Amandus 7jaar en Johannes 3 jaar. Francisca was zwanger van een vierde kind. Het werd geboren begin mei en werd Petrus genoemd. Jacob Sierens was toeziende voogd. Zij woonden in de gemeente Sijsele.

De kinderen Sierens of erfgenamen waren elk gerechtigd tot een derde in de erfenis van hun vader Joannes Sierens sr en tot een vijfde in de erfenis van hun moeder, de kinderen Saelens waren gerechtigd tot elk een vijfde van de erfenis van hun moeder.

Weerom werd een nauwkeurige beschrijving opgemaakt van alle roerende goederen, klederen, lijnen, juwelen, kontante penningen en titelpapieren. Deze inventaris werd op 2 verschillende dagen uitgevoerd: op donderdag 29 april van 2 uur in de namiddag tot 7 uur ‘s avonds en op 6 mei van 2 uur tot 8 uur.

De inventaris zag er als volgt uit:

   In de keuken:

hangel, brandel, tange, schuppe, kuyssche, zoutlade, rabat, vijf tinne schotels, twee stuks geleyerde schotels, vijf stuks aerdewerk, tinne driepint kanne, vier glazen, tinne soutvat, strijkijzer, een tafel, tien stoelen, koperen schuimspaan, koekeschuppe, koper theetrekker, twee tinne soepe kommekens, twee lepelbardels met vierentwintig lepels, tien stale forketten, theeschaalkens, staand horlogie, een broodmes en twee tafelmessen, spinde, twee kopere ketels, twee koper mooren, koper haeker, twee ijzer potten, een rooster, paallepels en tien houtte lepels.

   In de kamer:

een rebbank, vier stoelen, de slapingen, bestaande in vier kaffen bedden, twee volle sargien, katoene sargie, zes werken sargien, drie laekens.

   Kontante penningen:

negen fransche kroonen, vier stukken van vijf francs, samen bedragende eenenzeventig guldens eenennegentig cents waarvan nogtans toebehoord aen Jacobus Sierens tweeentachtig centen.

   In de kelder:

keiren met toebehoorten, twee kuipen en koelvat, twee smoutpotten, een boterpot met wat smout, twee ijdel flesschen, vijf melktelen, eene aerden kom, twee oliepullen met wat olie, zes schotels zwijnevleesch en vijf hespen.

   Op de zolder:

veertien graan- en aardappelzakken, graanzeefde, en lijnzaadzeefde, vat, twee spinnewielen, een haspe, twee mudden rogge, een vierde mudde tarwe.

   Halam:

moleneynzel, eynzel fijne en groove blauwe ekels, twee spaden en een slegte, twee bijlen, kliefhamer en weggen, seynssens, twee jukken en haeken, spikkelboord, zaage, enige bertels, twee hauwmessen, twee zikkels, twee mesvorken, meshaak, drietant, twee ougstvorken.

   In de koeystal:

tweejaarsche vaarse, een jaarling vaarse en een melkkoey.

   Zwijnskot:

twee jonge varkens.

   In de schuur:

windmolen, twee vlegels, twee zwingelbardels, twee boothamers, eene repe en bank, tweehonderd bonden stroy, vleeschkuype, twee slabbinckkuipen.

   Op t’hof:

twee eemers, vijf kortewagens en haelkuype, alle de vette en hale binnen hove en het brandhout.

   Te lande:

-1 bunder 47 roe 47 ellen rogge

-14 roeden 75 ellen tarwe

-14 roe 75 ellen klaver

-29 roe 50 ellen aerdappels

-44 roe 24 ellen nog te planten aerdappels

-29 roe 50 ellen gezaaid lijnzaed en vlasch

-19 roe 17 ellen te zaaien boukweit

Er waren ook schulden:

  1. meester Turtelboom chirurgyn 1g 46 ct
  2. Leonard Bultynck van Oostkamp leverde de doodskist 4g 29 ct
  3. de pastoor, onderpastoor en koster van Oostkamp voor de kosten, recht van begraving, de overlijdensdienst, nadienst, grafmaken, klokluiden en levering van was alsmede het jaargebed. 43g 80 ct
  4. voor aankoop van een partij hooigras in de meerschen van baron Peelaert, in het jaar 1829 19g 85 ct
  5. voor het weiden van 2 koeybeesten in het Beverhoutsveld gedurende 8 jaar voor 94 ct per jaar en per koey 45g 4 ct
  6. de grondlasten van 1830
  7. de kosten van uitvaart en rouwmaaltijd.

Jacob Sierens, Regina Sierens, Therese Huyghe, Joseph Degraeve en Francisca Schooreel verklaarden niet te kunnen tekenen of schrijven. Alleen Bernard Degrande kon tekenen.

Teneinde een rechtvaardige verdeling van de roerende en onroerende goederen te bekomen werd door de Heer Knopf, substituut van de procureur des Konings, beslist om alles openbaar te verkopen.

Op dinsdag 13 juli 1830 werd overgegaan tot instel van de onroerende goederen in de grote kamer van het gemeentehuis in Oostkamp. De gronden zouden vrij komen na de aanstaande oogst. Het hoevetje zelf zou op 1 mei 1831 vrijkomen. Jacob Sierens stelde koop 1 in voor 1400 gulden. De andere kopen werden ingesteld door diverse vreemde personen.

Op de tweede verkoopdag 27 juli om 3 uur in de namiddag, werd slechts één bod gedaan. Jacob Sierens verhoogde zelf koop 1 tot 1525 gulden.

De derde zitdag, op dinsdag 10 augustus 1830, werd de definitieve verkoopdag.

  1. koop 1 aan Jacob Sierens voor 1955 gulden met een toeslag van 150 gulden voor de boomprijs.
  2. koop 2 aan Casimir Ide, schrijver in Oostkamp, als command voor Bernard Degrande voor 970 gulden.
  3. koop 3 aan Joseph Vanhoutte, herbergier in Oostkamp, voor 1090 gulden, als command voor Francis Vandekerckhove. Francis woonde op de hoeve die paalde aan deze koop.
  4. koop 4 aan Jacob Sierens voor 1020 gulden. Casimir Ide verhoogde dit bod tot 1025 gulden. Hij trad op als command voor baron de Peelaert-Steenmaere, grondeigenaar te Brugge. Voor deze koop moest 120 gulden in meer betaald worden voor de boomprijs.
  5. koop 5 aan Jacob Sierens voor 585 gulden. Casimir Ide verhoogde weerom dit bod tot 590 gulden als command van baron de Peelaert.
  6. koop 6 aan Jacob Sierens voor 1110 gulden. Daarna Casimir Ide voor 1115 gulden, ook als command van baron de Peelaert.

De inboedel werd verkocht op woensdag 28 juli. Alle kopen van 1 gulden 50 cent of minder moesten onmiddellijk betaald worden. De rest kreeg drie maanden tijd om te betalen. Bovenop werd 10% gerekend voor de kosten.

Jacob Sierens kocht diverse zaken terug:

2 tinne schotels 60 ct., 1 tinnen tele 40 ct., 4 geleyerde teelen 25 ct,5 geleyerde schotels 25 ct., houten lepels 10 ct., koekeschuppe 20 ct., potten en teelen 5 ct., yser pot 40 ct., koper trekker 1 g 15 ct., groote yser pot 80 ct., koperen ketel 8 g, cynsel 85 ct., pot met smout 5 g 50 ct., pulle en olie 3 g, een sargie 3 g 50 ct., 4 schotels swijnevlees 2 g 40 ct., 10 zakken voor 1 g 55 ct., keirn, kuppe en koelvat 2 g, koelvat 50 ct., 9 stoelen 2 g 15 ct., een tafel 15 ct., schuppe en tange 10 ct., spinde 10 ct., vaten 10 ct., reep 2 g, vleeschkuype 1 g 35 ct., 2 kortewagens 5 g, houtvaume 11 g 50 ct., keersselaere eynden 40 ct., sasseele 1 g, trog 10 ct., 2 tafels 20 ct., 2 graenzeefden 1 g 10 ct., 3 spaeden en 2 bylen 4 g 50 ct., halam 1 g, zwingelbardels 50 ct., 2 schoofvorken 10 ct., leere 1 g 40 ct., 1 zwijn 14 g 25 ct., 1 koe 29 g, vorken en houwen 80 ct.

De staande horloge werd verkocht aan Bernard Seye voor 13,5 gulden. Bernard Degrande kocht 3 neusdoeken voor 90 cent, een zetel voor 50 cent en scherp alaam voor 1 gulden 10 cent. Theresia Huyghe kocht een strijkijzer voor 1,75 gulden.

In het totaal bracht deze verkoping 255 gulden 70 cent op. Hiervan moest Jacob Sierens 108,65 gulden betalen zonder de kosten.

De openbare verkoping van de vruchten gebeurde op woensdag 28 juli:

-14 bedden rogge aan Jacob Sierens                                                   73g

-1 schof groeiend vlas aan Jacob Sierens                                           29g 50 ct.

-1 schof groeiend vlas van Jan Keirsebilck                                           28g

-groeiend boukweet aan Jacob Sierens                                                26g

-7 bedden rogge aan Joseph Van houtte                                              28g 25 ct.

-8 bedden rogge aan Francis Vanderschaeghe                                     30g 50 ct.

-groeiende tarwe aan Jacob Sierens                                                    37g

-4 bedden aardappels aan Jacob Sierens                                             08g

-4 bedden aardappels aan Jan Vandaele                                              07g 50ct

-5 bedden aardappels aan Jacob Sierens                                             13g 50ct

-11 bedden rogge aan François Degroote                                             37g 50ct

-10 bedden rogge aan Joseph Caeckaert                                             38g

-6 bedden rogge aan Pieter Viaene                                                      18g

In het totaal bracht de vruchtenverkoop 373g 75ct op waarvan Jacob Sierens voor 187g inkocht.

Op 28 september werden nog aardappelen openbaar verkocht. Deze verkoop bracht 70g 75 ct. op.

De uiteindelijke afrekening gebeurde in de hostellerie ” de Gouden Leeuw” ten overstaan van Ludovicus Busschaert plaatsvervangend vrederechter te Brugge op 13 november 1830.

  1. Balans van de roerende goederen:

Baten:

  1. contante penningen                                                            71g 09ct
  2. verkochte roerende goederen en vruchten                                                                                 608g 55ct
  3. venditie van aardappelen op 29 september                                                                                62g 39ct
  4. schuld van Eugeen Standaert molenaar in Oostkamp over geleverde rogge 9g 26ct
  5. ontvangen van Petrus Henneman voor restant van de pachtsom van de partij land 2de koop (het Akkerken), na afrekening van zijn gedaan labeur en peerdewerk en van werk door Jacob Sierens aan hem geleverd 16g 07ct
  6. de prijs van vette op het hof, navette, klaverzaad en hakhout op de eerste koop                         10g 29ct
  7. idem voor de tweede koop                                                                        26g 61ct
  8. idem voor de derde koop                                                                        14g 60ct
  9. idem voor 4de,5de,6de koop                                                                        56g 11ct
  10. verkochte juwelen, gouden hoofden en een paar zilveren gespen             18g 43ct

Totaal              893g 41ct

Lasten:

  1. schulden betaald door Jacob Sierens zowel van eigen geld als van de contante penningen 112g 49ct
  2. schuld aan de pastoor van Assebroek voor het celebreren van 50 missen tot lavenisse van ‘s overledene ziele  35g 43ct
  1. Schuld van het weidingsrecht van 2 koebeesten op het Beverhoutsveld             15g 04ct
  2. inventariskosten, registratierecht, zegels, erelonen, tafelkosten in totaal 269g 84ct, waarvan hier ingebracht wordt      g 84ct

Totaal              253g 61ct

Dus: baten:   893,41g

lasten:           253,80g

Saldo             639.61g

Voor elk van de partijen werd hiervoor 1/5de of 127,92g voorzien.

  1. Balans van de onroerende goederen

Baten:

  1. 1ste koop: 1955+150 2105g
  2. 2de koop: 970g
  3. 3de koop: 1090g
  4. 4de koop: 1025+120             1145g
  5. 5de koop: 590g
  6. 6de koop: 1115g

totaal                                                                      7015g

Lasten:

  1. kamerhuur, taire in de 3 zittingen van de verkoop gehouden in het gemeentehuis 90,90g
  2. kosten van familieraden   40,10g
  3. kosten van registratie, erelonen etc   179,00g

totaal      310,00g

Dus:         baten:   7015g

lasten:  310g

saldo    6705g

Hiervan behoorde de helft toe aan de 3 erfgenamen van Joannes Sierens d’oude en de helft aan de 5 erfgenamen van Anna Vlaeminck.

Uiteindelijke verdeling van de erfenis:

  1. Jacob Sierens, Regina Sierens, de kinderen van Joannes Sierens de jonge elk:

1/5 de deel van de roerende erfenis                                                                                                  127.92g

1/3 de deel van de onroerende erfenis van Joannes Sierens                                                                  1117.50g

1/5 de deel van de onroerende erfenis van Anna Vlaminck                                                                670.50g

  1. de kinderen van Joanne Saelens en de kinderen van Charles Saelens elk:

1/5 de deel van de roerende erfenis met aftrek van de kosten voor de familieraad waarin Bernard Degrande werd aangesteld als toeziende voogd: 127,92 – 9,55                                                             118.37g

1/5 de deel van de onroerende erfenis van Anna Vlaeminck                                                              670.50g

Joannes Sierens en Marie Therese Huyghe

Joannes Sierens jr. trouwde met Huyghe Marie Therese in Oostkamp in 1817. Zij kregen 2 kinderen, Francisca (°1820) en Lambertus (°1823). Lambertus werd 5 maand na het overlijden van zijn vader geboren.

Na hun huwelijk bouwde men een nieuw huisje op het erf. Marie Anne Vlaemynck en haar ongehuwde zoon Jacob Sierens trokken erin. In 1818 kwamen de vier weeskinderen van haar dochter Joanne Saelens ook in het huisje wonen.

Joannes deed nogal wat openbare verkopingen aan. Zo kocht hij op 27/12/1817 zes scheen bomen voor de prijs van 5 gulden. Op 19/12/1818 kocht hij tailliehout voor 12 gulden. Op een openbare verkoping op 22/7/1820 kocht zijn moeder 4 mutsen voor 52 cent, 3 mutsen voor 1 gulden 35 cent, 6 ondermutsen voor 55 cent en 2 Franse eenden voor 1 gulden. Zij werd toen arbeidster genoemd. Op dezelfde openbare verkoping kocht Joannes heiplanken voor 2 gulden en 2 schotels voor 1 gulden 60 cent. Op andere openbare verkopingen kocht Joannes o.a.: 100 blokken hout voor 4 gulden 50 cent (15/12/1821);” eenen chingel thaillie hout” voor 9 gulden (26/01/1822); 2 bomen voor 12 gulden 50 cent op 18/01/1823.

Joannes Sierens jr. stierf in 1823, hij was toen 38 jaar. Zijn zoon Lambertus was nog niet geboren. Zijn weduwe Huyghe Marie Therese zat in de penarie.

Na de dood van Joannes verhuisde Marie Therese met haar kinderen naar Oostkamp, Erckeghem bij haar zuster Rosa Huyghe gehuwd met Hoens Pieter.(nu bewoond door de weduwe José Hoens, mevrouw Annie Vanhulle Hertsberghestraat 63 Oostkamp). De kinderen werden er vermeld als koewachter. Francisca stierf er toen ze 15 jaar oud was, alleen Lambertus bleef in leven.

Rosa Huyghe liet op 56-jarige leeftijd (30.09.1834) haar testament noteren door notaris Beaucourt:

-begrafenis met middelbare dienst met een voorafgaande plechtige zielemis en een nadienst met een ” volle roggebrooddisch met uytdeling aan de armen van Oostkamp”

-haar ziel moest 9 jaar lang afgeroepen worden in het jaargebed

-in het jaar van haar overlijden moesten vijf gezongen missen en vijftien gelezen missen gecelebreerd worden.

-ze geeft aan haar echtgenoot, Pieter Hoens, het volle gebruik en genot van al haar roerende en onroerende goederen alsmede de som van 143 pond die zij inbracht in haar huwelijk.

Rosa Huyghe overleed kinderloos te Oostkamp op 02.12.1836. De blote eigendom van de goederen van Rosa werden geërfd door:

-Joannes Huyghe landbouwer te Oostkamp

-Laurent Huyghe landbouwer te Oedelem

-Carolus Francies Huyghe, zoon van Petrus, landman te Sijsele

-Theresia Huyghe, weduwe van Jan Sierens, spinster in Oostkamp

-Albert, Leonard en Anna Marie Claeys, de drie kinderen van Laurent Claeys, wonende aan het Beverhoutsveld, en Monica Huyghe aldaar overleden.

Het echtpaar Hoens bezat een hofstedeken met schuur en stallingen en 1 ha 91a 34ca erf in Oostkamp Erckegem. Het geheel bestond uit 4 verschillende partijen. Op het eerste partijtje met een oppervlakte van 58a 10ca laat de vader van Petrus Hoens nieuwe gebouwen optrekken rond 1790. Het paalde met de westzijde aan de Tieltweg. Een tweede partijtje had een oppervlakte van 15a 78ca, een derde 44a 24ca. De vierde partij, 73a 22ca, genaamd ” ‘t Langgemet” was ook bebouwd met een huisje waar Joannes Huyghe in woonde. De vier partijen waren bijeen gelegen. De waarde van de blote eigendom werd bepaald op 1585 frank dus voor elk van de partijen 317 frank.

Na de dood van Rosa Huyghe hertrouwde Petrus Hoens met de 27 jaar jongere Brigitta Thys uit Oedelem. Op 24.08.1837 lieten zij door notaris Beaucourt een huwelijkscontract opstellen.

Na het huwelijk van Petrus Hoens in september 1837 boterde het allicht niet meer tussen de nieuwe boerin en Theresia Huyghe met haar kind. Tussen 24.11.1837 en 24.01.1839 gingen zij op Oedelem wonen in de Beekstraat. Zij trokken in, in het kleine huisje op het hoevetje van haar schoonbroer Laurent Claeys. Deze was nog gehuwd met Monica Huyghe. Hij herhuwde later nog met Regina Walgrave en Pelagie Bleyaert. Het kleine huisje met grond had een oppervlakte van 4a. Zij betaalden hiervoor een huur van 54 frank 42 cent per jaar. Bertje Sierens zou later het gehele hofstedeke kopen.

Regina Sierens en Bernard Degrande. 

Regina Sierens was de zuster van Joannes Sierens. Zij huwde met Bernard Degrande op 7 januari 1812. Regina was toen 25 jaar oud, Bernard 31 jaar. Het paar vestigde zich in Oostkamp bij de ouders van Bernard Degrande. Zij waren landbouwers. Na de dood van Petronelle Sabbe, de moeder van Bernard, werden alle roerende en onroerende goederen overgelaten aan Bernard en Regina Sierens (26/04/1820). Het betrof een hofstede langs de straat van “de plaetse naar Moerbrugge-Gruutuuse” in totaal 2 bunder 78 roe 99 ellen (ommeloper 2de begin f4 art 2 nabij de Halve Ganzestraete. Petrus Degrande, vader van Bernard stierf op 16/9/1829. Er werd besloten dat de erfenis definitief diende geregeld te worden. Bernard Degrande en Regina Sierens betaalden de helft van de erfenis (1275 gulden Nederlands geld) aan Helena Degrande. Zij was gehuwd met Jacob Vandewalle, landbouwer en wagenmaker in Waardamme. Deze regeling werd bevestigd door een akte bij notaris Beaucourt op 8/3/1830. Bij het verlijden van de akte kon alleen Regina Sierens niet tekenen.

Jacob Sierens en Rosalie Willems

Jacob huwde in 1836 met Rosalie Willems. Zij was de dochter van Francis en Joanna Ballegeer. Ze kregen één dochter, Amelie, die later huwde met Joannes Henneman. Bij zijn huwelijk was Jacob Sierens eigenaar van het hofstedeke waar zijn vader Joannes jr. en zijn grootvader Joannes sr op woonden. De landerijen had hij bij het overlijden van zijn moeder niet kunnen inkopen.

Rosalie Willems stierf in 1849. Jacob overleefde haar nog 5 jaar. Hij stierf in 1854. Hij werd 64 jaar. Zijn dochter was toen 17 jaar.

Sierens Amelie en Henneman Joannes

Een jaar na het overlijden van haar vader Jacob huwde Amelie op 18 jarige leeftijd met Joannes Henneman. Zij erfde de eigendom van haar vader (het hoevetje). Joannes wist van aanpakken. Hij kwam inwonen bij Amelie. Aanvankelijk was Joannes landbouwer. Later had hij een bierhandel. Hij verhuisde naar Assebroek en hield er een herberg open.

In 1906 werd het hoevetje nabij de veldkapel verkocht aan Charles Louis Steyaert.

Bij hun dood bleek dat Joannes Henneman en Amelie Sierens rijke burgers waren geworden. Zij bezaten diverse eigendommen in Oostkamp, Assebroek en Oedelem.

Joannes was gemeenteraadslid van Oostkamp van 1855 tot 1873. Op 21/6/1864 werd hij benoemd door de bestendige deputatie als lid van de commissie van Beverhoutsveld. Deze commissie moest om de 3 jaar voor de helft vernieuwd worden.

Henneman Valentijn. 

Valentijn was de zoon van Joannes Henneman en Amelie Sierens. Hij was kunstschilder.

Door een actiecomité uitgaande van de gemeente Oostkamp, wordt volgende brief aan de meest gegoede en kunstminnende mensen gestuurd:

Mijnheer,

Een veel belovende jongeling, een kunstenaar wiens werken in de laatste tentoonstelling van Brugge den grootsten bijval heeft genoten, een inboorling van alhier, de reeds gevierde schilder, Mr. Valentijn Henneman, komt aan onze gemeente het voorstel te doen van haar een zeer gelukte schilderij te verkopen en die wij bestemmen zouden om de raadzaal van het gemeentehuis te versieren.

Deze koop zou in voordelige voorwaarden geschieden door tussenkomst van de Kunstkring “Cercle Artistique” van Brugge, zou de gemeente niet meer moeten bijdragen dan één/derde zij een som van 600 fr. Het overige door den Staat en de Provincie betaald wordende. Het koopen van dit kunstgewrocht zou een aanmoediging zijn voor eenen inboorling, eenen kunstenaar van Oostcamp, wiens eerste welgelukken een bekroning wij over enige jaren reeds gevierd hebben; het ware eene verfraaing voor de raadszaal van ons gemeentehuis.

Jammer, Mijnheer, dat de staat der gemeentekas ons niet toelaat eenig last op de gemeente te leggen; daarom komen wij aan de welhebbende inwoners van Oostkamp, de voorhandige inteekenlijst aanbieden; opdat elk die eenig kunstgevoel bezit en kunstenaar wil voorenstaan, zou kunnen medehelpen in een schoon, verdienstelijk en nuttig werk.

De namen en sommen der intekenaars zullen in de registers van beraadslaging van den gemeenteraad, ad perpetuum rei memoriam, ter eeuwig gedachtenis geboekt blijven.

Aanveerd…….

Oostcamp 2 april 1892.

Er is dus sprake van een aankoop van de gemeente, met de geldelijke hulp van sommige harer inwoners, van een schilderij van Valentijn Henneman, die de titel draagt van: “Op de hoogte door zijn kleinkind”.

Op 27 juli 1892 werd de intekenlijst voor de aankoop van het schilderij afgesloten. Door 10 notabelen van de gemeente werd een som gestort van 530fr. Er was 70 fr. tekort. De gemeente legde dit tekort bij. Tevens werd gevraagd aan de staat en de provincie elk hun 600 fr. te betalen om zo aan de aankoopprijs van 1800 fr. te komen. Het schilderij werd aangekocht in september 1892.

In maart 1893 krijgt Valentijn de opdracht het portret van monseigneur Faict, bisschop van Brugge te maken.

SIERENS LAMBERTUS EN HUYGHE FRANCISCA

Kort voor 1839 kwam Bertje samen met zijn moeder vanuit Oostkamp-Erkegem in Oedelem wonen in de Beekstraat. Zij woonden in een deel van de tweewoonst op het hoevetje van zijn oom Laurent Claeys. Bertje vulde zijn dagen met te werken bij de boeren. In de winterdagen was hij wever. Bertje en zijn moeder hadden het niet zo breed. Ze leefden zuinig. Het was een armoedige tijd. Daarbij kwam nog de ernstige crisis in de landbouwsector in het midden van de jaren 40. In 1845 werden de aardappelen door een erge ziekte aangetast, zodanig zelfs dat de oogst bijna en volledige mislukking werd. Op één enkele nacht sloeg de ziekte toe. Na enige tijd begonnen de aardappelen te rotten in de grond. Ook de opbrengst van de rogge lag ver beneden het normale peil. De gevreesde roest kwam in de vruchten. Dit betekende een ware ramp voor de verarmde bevolking omdat rogge en aardappelen het basisvoedsel uitmaakten van de gewone arbeider en wever. De voedselprijzen stegen zeer snel. De gewone man kon het dagelijks voedsel niet meer betalen. Ook de volgende jaren waren desastreus voor de aardappeloogst. De hongersnood bereikte een hoogtepunt in 1847. Niemand kon de wanhoop van de bevolking tijdens de hongerjaren beter beschrijven dan Hendrik Conscience. Een hoevebrand op de boerderij van de familie Leo Sierens-Nathalie Dewulf (= Sierens van een andere stam) in de Poekestraat in Kanegem op kerstavond 1847 beschreef de beroemde schrijver in zijn grote liefdadigheidsrede te Antwerpen ten bate van hongerleidend Vlaanderen. Ziehier in welke romantische, hardroerende bewoordingen hij de gevoelige snaar betokkelde:

“….daar stormt de brandklok, het vuur verteerd een boerestalling. Uitgehongerde lieden lopen er naartoe; want elk voorval brengt wellicht nieuwe hoop. Reeds klimmen de vlammen boven het dak…De stalling stort in….Zie, daar lopen ze halfnaakt door het vuur en sleuren met juichende zegeroepen de verkoolde romp van een dier uit de brand. Vrouwen, kinderen, mannen werpen zich op de onverwachte prooi; ze scheuren het zwarte vlees van het gebeente en verslinden het met een lach der zaligheid op de mond. Andere zwermen komen toegelopen; men strijdt, men vecht om een portie van het akelig voedsel….welhaast zijn al de verbrande dieren verdwenen. Honderden die te laat komen, blijven in vertwijfeling op de bloedige plaats staren; zij rukken zich de haren uit het hoofd. Omdat zij bij het wellustig feestmaal niet mochten tegenwoordig zijn….”

Ook in de plaatselijke spin- en weefnijverheid gebeurde een grondige omwenteling. De kleine thuiswerkers konden alleen nog droge boterhammen verdienen. Rond 1830 begon immers de industriële revolutie. Weefgetouwen werden ingevoerd vanuit Engeland. Deze konden duizenden keren sneller werken. De thuisnijverheid stortte in….Vele mensen stierven. In Knesselare bijvoorbeeld stierven in die periode bijna duizend mensen op een totale bevolking van ongeveer 4200.

Maar Bertje was jong en sterk. Na de dood van Laurent Claeys (+Oedelem 28/05/1847) werden de eigendommen verkocht door zijn weduwe Pelagie Bleyaert. Lambertus Sierens besloot het hoevetje te kopen. Het betrof een tweewoonst en zwijnskot met stalput, in totaal 60a 31ca. In de grootste woning woonde de weduwe Laurent Claeys. Zij kon er blijven wonen tot 1 oktober 1848 voor een pachtsom van 108 frank 84 cent per jaar. De verkoop ging door in de herberg “de Gulden Arend” te Brugge ten overstaan van notaris Beaucourt uit Oostkamp. Lambert Sierens stelde de eigendom in op 2500 frank. Op 14 augustus 1847 om 5 uur ‘s middags gebeurde de toewijzing. Niemand verhoogde nog het bod. Lambert Sierens was de nieuwe eigenaar. De eigendom grensde met de zuid en oostzijde aan het “Klein Beekstraatje”. Ten westen lag het land van de herberg “Spriet” toebehorende aan Joannes Baptiste Vandebon en de weduwe en kinderen van Joannes Devlieghere. De Beekstraat grensde aan de noordzijde.

Lambert kon de prijs betalen. Moeder had altijd zuinig geleefd. Ze hadden wat spaarcentjes overgehouden uit de erfenis van hun vader en grootouders. Bij de verdeling ter sterfhuize van Anna Vlaemynck ontving Theresia Huyghe in naam van haar kinderen in totaal 1915 gulden 92 cent. Hiervan ontving zij in klinkende munt 127 gulden 92 cent. Van Francis Vandekerckhove moest zij 488 gulden ontvangen en van Baron de Peelaert 1300 gulden. Deze twee laatsten verkozen echter niet te betalen en een inschrijving te laten nemen op de door hen gekochte goederen. Theresia Huyghe kreeg hiervoor 5 procent intrest per jaar. In september 1844 eiste Theresia Huyghe het geld terug. Francis Vandekerckhove betaalde 1032 frank 81 cent en baron de Peelaert 2751 frank 32 cent.

Toch had Marie Thérèse Huyghe niet alle erfeniscenten kunnen behouden. Op 15.07.1832 stelde zij zich borg voor haar broer Joannes, arbeider in Oostkamp, voor het betalen van de pacht van een hofstede waar Joannes op woonde. Het goed werd verkocht en Joannes kon zijn pacht niet betalen. Uiteindelijk diende Marie Therese hiervoor 202 gulden 52 cent te betalen.

Ook door te gaan werken bij de boeren had Lambert wat geld kunnen opzij zetten.

Lambertus huwde op 20 mei 1860 met Francisca Huyghe. Zij was dochter van Joseph en Sophie Seghers. Bertje was 37 jaar en Francisca 31 jaar. Francisca was geen familie van haar schoonmoeder. Elf maanden later werd Henri geboren (24/4/1861). August werd geboren op 23/9/1863. Camiel was een achterkomertje. Hij werd 11 jaar later geboren. Waarschijnlijk had men hem niet meer verwacht. Francisca was toen immers reeds 45 jaar.

In 1864 voerde Lambert verbouwingswerken uit aan zijn woning. Van de tweewoonst werd één woning gemaakt. Het gezin was immers uitgebreid. In 1879 bouwde Bertje een stalletje bij met ovenbeur (zie bijgaand plan).

Victoria Claeys (°Oedelem 7/3/1804-+Oedelem 22/1/1883) was inwonende meid in het gezin tot haar dood. Zij was de ongehuwde dochter van Bernard en Joanna Sneppe. Ze stierf in de woning van Lambert. Deze ging dan ook haar overlijden aangeven in het gemeentehuis. In 1890 was Julia Landuyt inwonende meid (°Oedelem 1843).

In 1854 pachtte Lambertus land op het Beverhoutsveld namelijk het 37ste perceel (88a 47ca) voor 38 frank per jaar en het 43ste perceel ( grasland zonder gekende maten) voor 3 frank per jaar. Vanaf 1858 pachtte hij voor een periode van 9 jaar perceel 212 ( 63A 50ca heide de groot leegte) voor 54 frank per jaar; perceel 78 (1ha 25a 40ca heide “nieuwe stukken”) voor 104 frank per jaar. In 1856 pachtte hij lot 105 ( 66a 80ca zaailand) voor 21 frank per jaar.

Sierens Henri

Henri Sierens woonde op het “Hoekske” langs de Lijsterstraat (1904) in Beernem. De eigendom betrof een tweewoonst met afhankelijkheden, boomgaard en zaailand, bekend bij het kadaster sectie A nr. 640 2, 640 3, 640 4, 640 5, met een totale grootte van 13a 98ca. Er was een schuurtje bij met een katrol om een kar met vruchten binnen te trekken. Verder waren er nog enkele zwijnskotjes, een paardestal en een koestal. De tweewoonst werd door Henri verbouwd. Van het rechtergedeelte werd een zwijnskot gemaakt en een ovenkot. Aan de achterdeur ervan stonden de zwijnsbakken waaruit de varkens kwamen eten. Henri boerde er en had ook een kalverhandel. Hij hield ervan onder de mensen te zijn, een pintje te drinken, te gaan boogschieten en bollen. Hij was nooit opgejaagd, als zijn werk gedaan was, was hij tevreden.

Henri huwde eerst met Silvie Stevens. Zij was de dochter van Jan en Deneve Isabelle. Silvie had een tweejarig kind: Octavie Stevens. Door het huwelijk werd Octavie gewettigd en kreeg ze de naam “Sierens”. Silvie stierf een maand na de geboorte van haar vijfde kind. Negen maand later hertrouwde Henri met Emma Vandewalle. Zij was de dochter van Charles Louis en Maria Landtmans. Ieder jaar werd een kind geboren. Gaston in mei 1895, Rene in mei 1896 en Margareta in mei 1897. Naar het einde toe van 1898 was er een tweeling op komst. Emma en Alice werden op 4 januari 1899 geboren. De geboorte verliep erg moeilijk. Men koos voor het leven van de tweeling. Emma stierf dezelfde dag. Na haar overlijden werd er op 04/02/1899 familieraad gehouden, onder voorzitterschap van de vrederechter te Brugge, om de nalatenschap te regelen. De 5 kinderen Gaston, Rene, Margareta, Emma en Alice kregen samen 1200 frank. Hiervoor nam men een hypotheek op de eigendom.

Op 14/06/1904 leende Henri 850 frank, aan 4´% interest, bij Leon Raes, kandidaat notaris in Oedelem. Hiervoor werd een tweede hypotheek genomen.

Henri huwde een derde keer met Alida Vaneeghem op 19 november 1904. Hij was 43 jaar en zij 21 jaar. De ouders (Ambrosius en Julie Zutterman) van Alida Vaneeghem woonden in het huisje ernaast. Na de dood van Emma Vandewalle kwam Alida, als 16 jarig meisje, dikwijls helpen op de boerderij. Van het één kwam het ander en Alida raakte in verwachting van een meisje. Het kind werd geboren op 26 juli 1901 en werd Alice genoemd. In de buurt werd nogal een en ander geroddeld over de zaak. Om de schande wat te verdoezelen werd Alice opgevoed bij de ouders van Alice Van Eeghem. Op latere leeftijd ging ze zelfs in Beernem naar school. Het huwelijk van Henri en Alida, 3,5 jaar na de geboorte van hun kind, verliep onder begeleiding van ketelmuziek. De dag voor zijn huwelijk met Alida Vaneeghem leende Henri Sierens opnieuw geld, dit keer aan zijn broer August. Hij leende 675 frank met een intrest van 3 procent, terug te geven in 1914. De akte werd verleden voor notaris Colens te Brugge op 18/11/1904. Ten behoeve van deze lening werd een derde hypotheek genomen. Bij deze akte verklaarde Henri “niet meer vermogen te onderteekenen”.

Ondertussen waren de oudste dochters in hun puberteit. Deze konden helemaal niet omgaan met hun nieuwe stiefmoeder. Ze konden haar niet verdragen. Ze beschouwden haar als een indringster. Hun relatie met Alida Van Eeghem verliep dan ook stormachtig. Dit is altijd zo gebleven tot na de dood van Alida. Men noemde haar “twuuf”. De oudste kinderen vonden steeds dat ze achter gestoken werden tegenover de jongste kinderen. Zo werd gezegd dat haar eigen kinderen steeds het vlees van de kip mochten eten en de oudste de eieren.

Henri was ook nogal streng op zijn opgroeiende kinderen. Eens mochten de twee oudste dochters, Octavie en Camilla, naar Brugge uitgaan. Ze moesten echter wel op een bepaald uur thuis zijn. Camilla kwam echter alleen thuis. Octavie had een lief opgedaan en was blijven plakken. Toen ze thuis kwam mocht ze niet meer binnen. Ze moest in de stal gaan slapen.

Rond 1920 was het hofstedeke te klein geworden om alle kinderen genoeg werk te geven. Henri besloot een hoeve te pachten in Maria Aalter. Deze was gelegen in de Maria-Aalterstraat nr. 55. De hofstede was in feite het neerhof van het kasteel “Ter Schuurloot”. Op 24/11/1919 trokken Gaston, Emma en Georges naar Aalter. Op dat moment was Octavie reeds in het begijnhof, Elodie en Camilla waren gehuwd, de andere kinderen bleven thuis of gingen werken bij de boeren in de omgeving. Na het huwelijk van Arthur (november 1925) verhuisde Henri en Alida samen met Michel en hun 3 jongste kinderen ook naar Maria Aalter.

De hoeve op Schuurloot was eigendom van Baron Gillis de Pelichy. Deze was nogal schraperig. Romain Sierens vertelde hieromtrent een anekdote: de keukenmeid op het kasteel sneed steeds de zwarte korstjes af van het zelfgebakken brood en smeet ze weg. De baron vond dit een niet zo goed idee en verbood haar dit nog te doen. Zij moest de zwarte korsten mengen in de pudding. Die at hij dan ook steeds “smakelijk” op. Hij reed ook steeds met zijn fiets naar het station. De baron was directeur of had toch een erg belangrijke functie bij de Anhyp-spaarbank. Toen Romain Sierens wat ouder geworden was moest hij geld ophalen bij de pachters van de baron voor de Anhyp bank.

Op een balk in de schuur stond de naam “Sierens” ingegrift. Dit deed bij de kinderen dan ook de verbeelding werken rond andere “Sierens” uit de streek die hier nog verbleven hadden.

Nog voor zijn derde huwelijk begon de ziekte van Parkinson zich bij Henri te manifesteren. Reeds toen kon hij moeilijk uit de voeten. Pas rond 1920 nam de ziekte ergere vormen aan. Uiteindelijk kon hij zelfs niet meer gaan. Hij werd rond geduwd in een karretje. Zijn lichaam werd totaal verkrampt. Zijn armen hingen krampachtig naar beneden. Hij kon zichzelf niet meer verstaanbaar maken. Zelfs zijn kinderen verstonden hem niet. Alleen zijn vrouw kon hem begrijpen. Hij moest ook iedere week een lavement gezet worden. Henri zelf en de familie vond dat de ziekte een gevolg was van een tyfus die hij vroeger opgelopen had bij kalveren. Henri was onder voogdij gesteld door de vrederechter daar hij zijn zaken niet meer kon regelen (voor 1932).

Op de landerijen van Schuurloot zaten er erg veel konijnen. Deze richten veel schade aan de gewassen. Om dit te vermijden werd rondom de velden draad geplaatst. Bij de familie Sierens stond er regelmatig konijn op het menu. Voor de oogst werden de gaten in draad zorgvuldig dichtgemaakt. De konijnen die zich binnen de omheining bevonden werden gepakt. Dit mocht ook al stond de jachtwachter erop te kijken.

Op Schuurloot was het najaar de periode van de jachtpartijen. De heren kwamen er toe met chauffeurs in hun luxueuze Citroëns ( met reservewiel achteraan). De jagers kwamen steeds eten in de hoogkamer van het neerhof zoals dat reeds eeuwen gebruikelijk was. De chauffeurs moesten in de keuken eten.

Henri stierf op 17 februari 1936. Onder de kinderen ontstond er enige na-ijver omtrent de erfenis. Er werd over geen geld gesproken. Iedereen vermoedde dat de erfenis met Alida Van Eeghem was meegegaan om later in handen van Romain te belanden.

Op 18/11/1936 verhuisde Alida samen met haar jongste zoon naar Bissegem in de Kerkstraat alwaar Romain les gaf in de lagere school. Alida verbleef ook enkele jaren bij haar dochter Zoë in Detroit.

Rosa Borrée herinnerde zich nog goed toen ze in 1940 op bezoek ging bij oma in Bissegem. Maria Desoete vergezeld van haar kinderen Zoë en Maurice en Emma Sierens met haar toen 12-jarige dochter Rosa reisden met de trein op paaszondag naar Kortrijk. Gezien de verre reis bleven ze daar logeren tot de maandag. Het geheel was een onvergetelijke ervaring voor de kinderen.

Op het einde van de jaren veertig vond Alida dat ze te dik was. Ze volgde verschillende vermageringskuren. Dit verzwakte haar gestel en bespoedigde haar dood. Ze stierf op zondag 3 april 1950. Dit was op palmzondag. Zij werd reeds op woensdag begraven daar men anders tot de volgende week moest wachten omwille van de Goede Week.

Na haar dood hadden de oudste kinderen nog een deel van de erfenis verwacht van hun echte moeder. Er was niets meer over. Dit zorgde wel voor enige spanning tussen de kinderen onderling. Later werd deze stilzwijgend bijgelegd. Een leven opbouwen met vijftien kinderen, met een man die 35 jaar ziek was had er voor gezorgd dat er niets meer over was.

1 Octavie

Octavie was een onwettig kind van Silvie Stevens. Ze werd geboren in de woning van Petrus Ploiy op de Hoorn. Bij het huwelijk van haar moeder met Henri Sierens werd ze gewettigd en kreeg ze de naam Sierens.

Sierens Octavie had een tante (van de kant van de Stevens) die begijntje was in het Groot begijnhof te St.Amandsberg. Door haar toedoen werd Octavie ook begijntje. In de periode voor haar intrede woonde zij in bij haar neef Deneve Amand in de Beekstraat in Oedelem. Ze trad in op 20/01/1907. Ze werd gekleed op 22/01/1908 en werd gesteed op 06/08/1908. Ze bewoonde het convent St Philippus (nr. 16); op het Beggaplein tegenover de kerk. Iedereen noemde haar zusje Sierens. Ze bracht haar dagen door met gebed en werken. Volgens zuster Goethals die altijd schuin tegenover haar woonde, deed ze veel werk voor buitenstaanders zoals kantwerk en kleren herstellen.

Enkele gegevens over het begijnenleven: 

De algemene inrichting van het begijnhof wordt besproken in het,”Regelboek”, uitgegeven in 1938.

“Onder het gezag en het hooger toezicht, zoo voor het tijdelijke als voor het geestelijke, van Zijne Hoogwaardige Excellentie den Bisschop van Gent, is het S. Elisabethbegijnhof ingericht als volgt: grootjuffer, oudtijds genaamd “grootmeesterigghe” met haar raad bestaande uit Juffer Gezelnede en twee staatsjuffers, waakt over de regeltucht en beheert de tijdelijke goederen van het begijnhof hetwelk bij acte van 15 januari 1924 volgens de wet van 27 juni 1921 ingericht is als vereeniging zonder winstbejag”

Het begijnhof heeft dus zijn plaatselijk bestuur of raad ook genaamd “staat van het hof”. De raad is samengesteld uit de Grootjuffer, Juffer Gezelnede en twee staatsjuffers die vroeger de naam hadden van “heilige Geestjufvrouwen” omdat ze in vroeger jaren de H. Geesttafels (dat is een liefdadige inrichting van het hof) met de Grootjuffer bestuurden. Het is de grootjuffer die de leden van de raad benoemt.

De bijzonderste helpster van de grootjuffer is de Juffer-Gezelnede die gewoonlijk ook het ambt van schrijfster waarneemt.

Zoals in een kloostergemeenschap moeten de begijntjes een tijd van postulaat en noviciaat doormaken vooraleer ze het eigenlijke begijnenkleed krijgen. Het noviciaat of proefjaar wordt steeds geheel gedaan in het convent door de postulante verkozen.

Wat eigen is aan een begijnhof is de “steding of steedsel”. Dit kan beschouwd worden als een soort kloosterprofessie. Dat een novice gesteed wordt betekent dat ze het begijn zijn als haar levensstaat aanvaardt, haar “stede”, haar woonst neemt, en dat ze door de overheid wordt aanvaard als kind van het hof. Men zal moeten opmerken dat de begijnen bij het steedsel geen beloften doen zoals bij een kloosterprofessie, want het wezen van de kloosterstaat met zijn drievoudige gelofte van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid is hier strikt genomen niet voorhanden. Ze beloven wel gehoorzaamheid aan de overste en de regel van het hof, want anders is er geen gemeenschappelijk leven mogelijk. De regel eist ook zuiverheid en eenvoud van levenswijze. Die eenvoud van levenswijze wijst dan ook op de geest van armoede. Die beloften zijn tijdelijk. In de folklore wordt soms door bepaalde teksten aangegeven dat alles tijdelijk is.

Bij voorbeeld, bij de kleding in het begijnhof te Turnhout, werd volgende belofte afgelegd

Ik beloof te dragen dezen doek
Tot er enen komt met ene broek . 

Na enkele jaren leven in een convent mag het begijntje, als ze bewijs gegeven heeft van religieuze geest, afzonderlijk een huis op ‘t hof gaan bewonen als ze daarvoor bestaansmiddelen heeft ofwel mag ze in het convent blijven wonen.

De huizen en conventen liggen rond de hoofdgebouwen van het begijnhof: de kerk, het groothuis en de infirmerie. De infirmerie en het huis van de grootjuffer vormen een geheel. De begijntjes die zelf niet meer in hun onderhoud kunnen voorzien, krijgen onderdak in de infirmerie.

Het begijnhof reglement 

Alhoewel ze geen kloostergeloften hebben is er toch een reglement waaraan de begijnen zich moeten houden, anders zou die levensgemeenschap niet in staat zijn te blijven leven. Algemeen wordt aangenomen dat de oudste tekst die we kennen van een regel, door Joanna en door Margareta werd opgesteld.

De inhoud komt hier op neer:

1) het gezag van de grootmeesteres over de begijnen,

2) het gezag van de grootmeesteres, de meesteressen te kiezen voor de conventen,

3) hoe een postulante wordt aangenomen in een convent en na twee jaar probatie definitief aanvaard kan worden onder bepaalde voorwaarden,

4) de voorschriften die de begijn moet onderhouden om in het begijnhof te mogen blijven: onthouding, personen van het andere geslacht mijden, tevreden zijn met wat ze heeft en leven van de handenarbeid.

5) vier jaar na de officiële aanvaarding hebben ze recht, hij ziekte of ander ongeluk, op de hulp van het begijnhof.

6) ze bidden iedere dag het officie en drie paternosters.

7) iedere dag wonen ze de H. Mis bij, ‘s avonds bidden ze in stilte,

8) het vasten op de vooravond van de feesten van O.L.Vrouw biecht- en communiedagen en wat ze moeten doen na de H. Communie.

9) ze mogen geen huwelijken bijwonen, geen hulp geven bij de geboorte van een kind, niet naar kermissen gaan.

10) hoe vreemdelingen ontvangen en ze nooit laten logeren, tenzij met toelating van de grootmeesteres.

11) als ze in de stad gaan, moeten ze een gezellin hebben.

12) de kleding.

13).vreedzaam leven onder mekaar en behulpzaam zijn bij ziekte.

14) over hun gesprekken en zedige houding.

15) hoe ze moeten gehoorzamen aan de grootmeesteres, die bemerkingen mag maken en zo nodig straffen.

16) wat de grootmeesteres met haar raad heeft vastgesteld, moet punctueel uitgevoerd.

Octavie was een tenger, klein en ziekelijk mensje. Ze was geopereerd aan haar been. Dit had haar haar spaarcentjes gekost.

In het begijnhof moest iedereen voor zichzelf zorgen. Octavie zorgde lange tijd voor een oude jonge dochter uit Lochristi. Deze was van nogal rijke afkomst. Daar verdiende Octavie één en ander. De juffrouw had haar ook een deel van de erfenis beloofd. Op haar sterfbed kwam de deken van Ledeberg haar alles aftroggelen. Octavie kreeg bijna niets. Voor de rest leefde zij van kantwerk. Tijdens de 2de wereldoorlog waren er 2 begijntjes die een winstgevende handel in kantwerk hadden opgezet met de Duitsers. Na de oorlog hielden deze twee hun geldbeugel nogal gesloten, zij weigerden arme begijntjes te helpen. Aldus waren er begijntjes die een hakenkruis gingen schilderen op hun convent. Tijdens de oorlog steunde de familie Octavie met eten: o.a. eieren, aardappelen, boter, etc. Eens gingen Rosa Claeys en Paula Vandenbussche met boter en met vlees van het pas geslacht varken naar haar toe. ‘t Was tijdens de tweede wereldoorlog en ze reisden met de tram. Vlees en boter bij zich hebben mocht toen niet. Dit werd beschouwd als smokkelen. De beide meisjes stapten op de tram. Ze zagen dat er controle was en stapten er aan de andere kant weer uit. Toch geraakten ze met hun lading in St. Amandsberg.

Tijdens haar verblijf in het begijnhof had Octavie een obligatie verdient met kantwerk. Na haar dood bleef daarvan niet veel meer over. Zij gaf veel weg aan medezusters o.a. aan iemand uit Moeskroen die niets kreeg van thuis.

In die tijd was het de gewoonte dat de oudste en de jongste uit een gezin een geestelijke roeping hadden. Zo wilde Octavie dat Romain zou pater worden.

Octavie stierf in 1954. Ze ligt begraven in Lochristi bij de begijntjes. Op de begrafenis was er geen geld meer over om alles te betalen. De familie wilde echter een mooie maaltijd na haar dood (o.a. met rosbief).Dit gebeurde ook. Naar het einde toe van de rouwmaaltijd kwam moeder overste vragen om geld. Zij vroeg om 15000 fr. bij te leggen. Alleen Alice, Jules en Romain waren blijven zitten. De rest had lont geroken en was er vanonder gemuisd. De drie overblijvers werd gevraagd de betaling te regelen met de rest van de familie. Deze durfden het later echter niet meer terug te vragen aan broers en zusters. Dit liet een bittere nasmaak achter. Alice moest niet helpen betalen omdat zij teveel tegenslag gekend had tijdens haar leven. Dus Romain en Jules betaalden alles.

2 Elodie

Zij huwde in 1912 met Victor Reynaert. Hij was de zoon van Karel en Rosalie Roets.

Na hun huwelijk gingen zij in Beernem wonen in de Molenweg nr. 137. Ze hadden er een boerderijtje met een zestal koeien. Victor kweekte veel groenten op het land. Er was ook een klein winkeltje bij het hoevetje. Daar verkocht Elodie allerlei zaden en jonge groentenplantjes die ze dan verkocht aan de mensen om uit te planten. Het winkeltje was tot ver in de omgeving gekend. Tijdens de tweede wereldoorlog verkochten ze ook wat melk in het zwart. De melk was gerantsoeneerd. Alleen ouderlingen en ouders met jonge kinderen kregen melkbonnen. Veel mensen waren blij wat extra melk te kunnen kopen. Het één bracht het ander mee, terwijl ze om melk kwamen kochten ze ook andere zaken. Het was een druk beklant winkeltje.

Elodie was nogal aan de zwaarlijvige kant, dit in tegenstelling met haar man. Op een bepaald moment woog ze zelfs 105 kg.

Elodie was een erg christelijke vrouw. Ze ging veel op bedevaart naar OLV van Assebroek of naar Oostakker. Dit had zij in haar jeugd geleerd.

Het gezin werd ook niet gespaard van tegenslag. In 1930 stierf hun dochter Annemarie. Het twaalfjarig meisje stierf aan hersenvliesontsteking, een ziekte die in die tijd ongeneeslijk was. Kort voor haar dood vroeg men aan het kind wie ze het liefst zag. Ze kon niet meer praten maar schreef op een stukje papier: “MAMA”. Haar zuster Rosa herinnert zich nog als gister het beeld van haar vader op het einde van de trap met het lichaam van zijn dochtertje in zijn armen.

Viktor stierf op vrij jonge leeftijd in 1944. Hij had een hartinfarct gehad, was gedeeltelijk verlamd en stierf uiteindelijk. Hij was 64 jaar. Elodie overleefde hem nog 19 jaar. Ze stierf in 1963 op 75 jarige leeftijd in het rusthuis Bloemendale in Beernem.

3 Camilla

Na haar huwelijk met Rene Valcke (zoon van Petrus en Rosalie Pieters) gingen zij in de Praetstraat in Oedelem wonen. Zij woonden achtereenvolgens Oedelem Kattin (1912), Steenoven (1916), Hoorn (1917), (1922). In 1938 verhuisde de familie naar Beernem Wingenestraat nr. 3, later op het Stationsplein nr. 15. Daar runde Camilla een druk beklante herberg. Ernaast werd ook aan boogschieten gedaan. De herberg was eigendom van een baron uit Wingene die gehuwd was met een mooie cafédochter. Deze had veel sympathie voor Camilla. Voor haar dood beloofde de barones de eigendom aan Camilla te zullen schenken. Op het einde van haar leven kwam echter de bisschop. Deze ondersteunde haar hoofd op haar sterfbed en kon terzelfdertijd de erfenis inpalmen. De familie kreeg wel een langdurend pachtcontract voor de herberg. Later nam de dochter van Camilla, Paula Valcke, de herberg over. Haar man Joseph Vandenbrande stichtte in 1958 het ziekenvervoer. In de herberg van Paula werden 1 dag per week de ziekenbonduitbetalingen verricht. Vanuit de ziekenbond en de nabijheid van het Beernems hospitaal zocht men iemand om ziekenvervoer te organiseren. Joseph stelde zich kandidaat. Hij bouwde een auto om tot ziekenwagen en aldus was de firma gestart. Momenteel is een bloeiend bedrijf geworden met 14 ambulances.

Camilla was een erg levendig persoon. Ze kon er nogal weg mee. Ze kon ook vertellen als geen ander. Ze was een geknipte cafébazin.

Camilla kon niet zo goed overweg met haar halfbroers, vooral met de jongste. Deze noemde zij:” den Duits” (hij werd geboren in 1917).

Zij stierf in de kliniek St Lucas in Assebroek.

4 Arthur

In de eerste wereldoorlog

Hij was soldaat van de lichting 1912 (1911). In totaal was hij 8 jaar soldaat, 2 jaar voor de oorlog, 4 jaar aan de IJzer en 2 jaar in het bezettingsleger in Duitsland.

Op 15/02/1912 begon zijn legerdienst. Zijn stamnummer was 104.57320. Zijn later stamboeknummer 1968. Op zijn militaire inlichtingsfiche vinden wij zijn diverse lichaamskenmerken: lengte: 1.68m; ovaal gezicht; gekleurde teint; groot en recht voorhoofd met grote hoogte, een lange dikke neus met brede basis; middelmatige mond en lippen; een ronde kin; blonde haren en wenkbrauwen; bruine ogen. Op 1 oktober 1912 begon zijn actieve dienst. Na bijna 23 maand legerdienst werd hij op 30/12/1913 op onbepaald verlof gestuurd. Niet voor lang echter. Op het einde van juli daaropvolgend werd iedereen gemobiliseerd. Arthur melde zich aan op 21/7/1914. Hij zou in totaal 5 jaar en 2 maand soldaat blijven ( waarvan 3 jaar, 2 maand en 27 dagen aan het front )

Hij was soldaat bij het 4de en 24e linieregiment. Halen en Houthulst zijn 2 namen die in grote letters geborduurd werden op de glorierijke zijde van hun vaandels.

Halen…… 12/8/1914…… De slag in het begin van de grote oorlog en de eerste Belgische overwinning. Daar werd het 4de en 24ste linieregiment om 2 uur in de namiddag, na een geforceerde mars van 18 km in een blakende zon, in de strijd gestuurd, samen met de Jagers-wielrijders en de Carabiniers-wielrijders. Een handvol Belgische soldaten haalden er de overwinning tegen 12 regimenten van Von Der Marvitz. Zes officieren en 116 soldaten schreven daar, aan de boorden van de Velpe, één van de mooiste bladzijden van de oorlog.

Daarna kwam de aftocht al over Dendermonde, Hofstade, Walem en zo naar de IJzer toe.

In de nacht van 21 oktober 1914 stak het Duits leger de IJzer over nabij de bocht van de IJzer in TerVaete Keiem, terwijl het Belgisch leger vreselijke gevechten leverde nabij Diksmuide. De 22ste werden er 3 tegenaanvallen bevolen. De grenadiers, carabiniers, het 4de en 24ste linieregiment stuitten de opmars naar Calais.

Zes maand later, op 22 april 1915 was er Steenstraete. Het begin van chemische oorlog met stikgas.

Op 1 mei 1915 werd Arthur gewond. Nabij de rand van het bos van “Pupegaele” na een aanval op “‘t Sas”, kreeg hij een kogel door zijn been (andere bronnen spreken van “gekwetst door een brok ijzer aan het been”, nog andere van “balle au pied gauche à Steenstraete”). Arthur verbleef 4 maand en 5 dagen in een hospitaal nabij de Franse kanaalkust. Daar leerde hij de “Zwarten” kennen. Dit waren soldaten uit de Franse kolonies. Dezen haatten de Franse soldaten. Zij konden echter heel goed overweg met hun Belgische collega’s.

Na zijn hospitalisatieperiode keerde Arthur terug naar het front nabij Pervijze, daarna Diksmuide en Boezinge waar onze troepen stand hielden en dit dikwijls ten koste van inspanningen die de grenzen van hun krachten bereikten. Zo was er de raid op de post voor “Oud Stuivekenskerke” op 11 oktober 1916; op 26 maart 1917 op de loopgraaf “het Stampkot”, waar de gebroeders VanRaemdonck sneuvelden; op 27 augustus 1918 op de “organisatie van Craonne”; op 11 september 1918 op de loopgraaf van “de Toren” en het “Papegoed”.

De ultieme opdracht werd op 28 september 1918 gegeven. Op het eerste zicht een onmogelijke taak. Ze moesten samen met het 23ste het oninneembare bos van Houthulst veroveren. Hier was het Frans-Brits offensief van oktober 1917 mislukt. In de morgen van 28 september, in het halfdonker en onder plassende regen moesten ze het bos stormenderhand bemachtigen. Over verwoest terrein met duizenden hindernissen kropen ze traag vooruit. Velen sneuvelden. Toen men de geslaagde raid van het Franse commando bekent maakte vroeg men tot 3 maal toe de bevestiging van het ongelooflijke nieuws.

Op het einde van de oorlog kwam Arthur naar huis. Alida Van Eeghem en zuster begijntje wachten hem op aan het station in Brugge. Arthur was vergezeld van zijn vriend Lippens. Arthur zei tot zijn vriend:” Ik doe alsof ik hen niet ken en loop hen voorbij”. Hij deed het en inderdaad de twee vrouwen herkenden hem niet. Het was immers 4 jaar geleden dat ze hem nog gezien hadden.

Arthur kreeg diverse onderscheidingen. Op zijn decoraties was Arthur heel fier. Hij droeg ze met de voor hem gekende houding: met de borst vooruit. Thuis hingen ze in een kader aan de muur.

Na de oorlog werd hij lid van de plaatselijke bond van vuurkruisers. In die periode ontstond er grote verwarring tussen hemzelf en zijn neef Arthur Sierens die op dezelfde dag geboren was. Beide Arthurs hadden na de oorlog moeilijkheden om hun militievergoeding te ontvangen. De legerleiding maakte diverse flaters: het militair zakboekje werd naar de verkeerde Arthur opgestuurd, sommige vergoedingen werden slechts aan één enkele Arthur uitbetaald. Op pensioengerechtigde leeftijd kreeg onze Arthur zelfs 2 pensioenen uitbetaald. Hij gebaarde van kromme haas. De andere Arthur kreeg niets. Natuurlijk bleef dit niet duren….

Op 02/10/1925 verzoekt Arthur bij de legerleiding om zijn strijdersbegiftiging te ontvangen. Hij doet dit door tussenkomst van volksvertegenwoordiger Debruyne, Ganzepoel 49A te Brugge. Hij kreeg volgend antwoord.

– Op 16/09/1921 werd 2.800 frank naar de spaarkas opgestuurd (52 maand à 75 frank is 3.900 frank waarvan 300 frank afgehouden werd voor familiebegiftiging en 800 frank voor herstel der haardstede).

– Anderzijds werden er op 23/03/1923 aan de Algemene Spaarkas onderrichtingen gegeven opdat de familiebegiftiging van 300 frank in het boekje van de aanzoeker zou ingeschreven worden.

– Als besluit schrijft men naar de volksvertegenwoordiger: Uw beschermeling kan zich wenden tot voormeld financieel organisme, Wolvengracht 46 Brussel ten einde in het bezit van zijn titel te worden gesteld.

Na de oorlog kreeg hij ook een vergoeding van 400 frank voor zijn burgerkleren die hij bij de mobilisatie had moeten achterlaten in de kazerne (Brugge 31/07/1920).

Bij zijn dood werd Arthur met militaire eer begraven. De oud-strijders hielden een lijkrede waarin ze zijn daden met verdiende lof beschreven.

Zijn militaire loopbaan

-15/02/1912 begin legerdienst

-01/10/1912 in actieve dienst

-30/12/1913 in onbepaald verlof

-29/07/1914 terug uit onbepaald verlof

-01/08/1914 aanwezig in 1ste Cie 3de bataljon 24ste linieregiment

-02/11/1914 aanwezig in 1ste Cie 3de bataljon 4de linieregiment

-28/04/1915 opgenomen in het Belgisch militair hospitaal

-04/10/1915 terug van de infirmerie compagnie van het depot

-05/10/1915 4de linieregiment

-20/12/1916 tot 31/01/1919 24ste linieregiment

-12/01/1917 tot 20/01/1917 verlof met 10 frank solde

-08/04/1917 tot 23/04/1917 naar CID in Fécamp

-05/07/1917 tot 14/07/1917 verlof met 10 frank solde

-11/09/1917 tot 29/09/1917 verlof met 12 frank solde

-11/12/1917 tot 22/12/1917 verlof met 12 frank solde

-19/08/1918 tot 28/08/1918 verlof met 10 frank solde

-05/11/1918 tot 07/11/1918 verlof met 3 frank solde

-03/01/1919 tot 22/01/1919 verlof met 20 frank solde

-14/04/1919 tot 28/05/1919 verlof met 24 frank solde

-14/08/1919 verlof met 40 frank solde

-23/09/1919 onbepaald verlof

-15/12/1920 reserve leger

-01/05/1921 verschenen bij DD/IDA (Dossée à la 7de C/IIDRL du DD/1DA)

-15/12/1927 aangeboden bij de landmacht

Diverse eretekens

-8 frontstrepen

12/10/1916 1ste chevron (28/02/1916)

16/10/1916 2de chevron (17/08/1916)

17/04/1917 3de chevron (10/04/1917)

15/05/1917 4de chevron (01/05/1917)

22/05/1918 5de chevron (17/04/1918)

-25/05/1918 chevron de blessure (01/05/1917)

-06/09/1919 zege- en herinneringsmedaille van de oorlog 14-18

-09/09/1919 overwinningsmedaille

-01/10/1919 decoratie 2de klasse voor anciënniteit en goede dienst

-15/02/1926 IJzerkruis

-21/07/1941 Ridder in de orde van Leopold met zwaarden

-Ridder in de kroonorde met zwaarden

-Ridder in de orde van Leopold II met zwaarden

-oorlogskruis met palm

-1951 aanvraag voor 2de palm op het oorlogskruis

-herinneringsmedaille 24ste linieregiment 3de bataljon 10de compagnie

-Vuurkruis en vuurkaart voor de periode van 04/08/1914 tot 01/05/1915 en 05/10/1915 tot 11/11/1918

 Het verdere leven 

Als 21 jarige liep Arthur een veroordeling op voor de rechtbank te Brugge. Op 12 februari 1912 had hij iemand verweten. Op 15 mei daaropvolgend kreeg hij daarvoor 5 frank boete en 1 jaar voorwaardelijk voor de duur van 1 jaar.

In 1925 huwde hij met Emma Claeys. Zij was dochter van Eduard en Minne Mathilde. Zij was ook de zuster van Oscar die op dezelfde dag huwde met haar schoonzuster Margaretha Sierens. Arthur bleef op de boerderij van zijn vader wonen in de Rogierveldstraat in Oedelem. Later ging hij veel meehelpen op de boerderij van zijn broer Jules in Aalter.

Tijdens de tweede wereldoorlog moesten alle boeren melk inleveren voor het Duits leger. Arthur had te weinig melk geleverd. Een tijd later kwamen de gendarmes daarvoor rond om uitleg te vragen. Ze kwamen in huis en doorzochten alle laden en kasten. Ze zegden Emma Claeys dat vele mensen, vrouwen en kinderen in Brussel melk tekort hadden. Emma antwoorde daarop: ” Hebben ze ginder geen tetten gelijk alhier misschien?” Inderdaad, Emma was niet op haar mond gevallen. De gendarmes hadden het echter zo niet begrepen. Ze namen Emma mee naar de auto om haar naar de gevangenis te vervoeren. Gelukkig voerden ze hun dreigement niet uit. Arthur kreeg wel een fikse boete. Deze hing uit op een groot plakkaat aan de kerk. Arthur zijn naam stond er in grote letters opgeschreven. Dat van het tekort melk leveren was echter helemaal niet juist. Ze waren maar kleine boertjes met vier koeien en waren niet in staat de natie te bedriegen. Grote boeren konden dit veel beter.

Een andere veroordeling liep hij op voor de correctionele rechtbank van Brugge op 21/10/1948. Hij had geweigerd aardappelen te leveren. Hij kreeg hiervoor een boete van 350 frank of 15 dagen gevangenis.

Arthur was er graag bij. Hoe dikwijls was er ‘s avonds vergadering voor de deur met mensen uit de buurt. De gespreksavonden begonnen rond 7u30 en konden tot laat in de avond uitlopen. Zelfs op hoge leeftijd ging hij wat voorovergebogen met zijn “pettestok” nog kaarten bij de buren. Hij was een man van de oude stempel die er niet naar streefde veel eigendommen te vergaren. Hij hield van het leven en de sociale omgang met mensen. Als zijn werk thuis gedaan werd, was dat genoeg. De rest van zijn tijd besteedde hij aan kaarten, babbelen, bollen en boogschieten. Zelden was hij er niet bij. Op Oedelem was boogschieten een veel beoefende sport. Zelfs op ‘t Hoekske werd er geschoten bij Dolf Depauw in de Smisse. Ook in de Beekstraat, bij Remi Devliegher, waar op 12 september 1934 de vereniging “Beverhoutschutters” werd gesticht, werd in de boltrage achter het café geschoten. Zoon Achiel Sierens was er zelfs bestuurslid van het eerste uur.

Arthur kweekte ook vechthanen voor zichzelf en diverse andere personen. Eén van zijn opdrachtgevers, trouwens een heel goede vriend, baatte een legersouvenierswinkeltje uit op het einde van de Langestraat in Brugge. Vele zondagen trokken ze samen op naar de hanenkampen juist over de grens in Frankrijk.

De kleinkinderen noemden hem “Pitten Teur”.

Emma Claeys noemde men “Teuren ze Matten” (Arthur zijn Emma). Na de dood van Arthur in 1964 verhuisde Emma. Zij woonde achtereenvolgens bij haar dochter Denise in Brugge, in de Beekstraat en in de Bruggestraat in Oedelem. Op het einde van haar leven verbleef zij in het rustoord Bloemendaele te Beernem alwaar zij stierf in 1983.

In 1965 werd het boerderijtje overgelaten aan zoon Loridan (men noemde hem Achiel).

Bij de gevechten rond Moerbrugge op het einde van de tweede wereldoorlog had hun woning nogal wat te lijden van de gevechten in het Beverhoutsveld. De woning zelf werd getroffen door een obus die insloeg nabij het venster van de woonkamer. Gelukkig was er niemand thuis. Allen zaten in de schuilkelder van het huis aan de overkant. De beschutting van de huizen op ‘t Hoekske werd gebruikt om de landerijen te beschieten tussen ‘tHoekske en Oedelem dorp. Daar stonden nogal wat knotwilgen waarachter de Duitsers zich verschuilden. Zo stond voor de deur lange tijd een Canadese tank opgesteld met zijn loop in de richting van Oedelem gericht. Op de hoek van hun woning stonden soldaten te schieten naar de Duitsers. Ze maakten gebruik van de bescherming van het huis om dan vanachter de hoek te kunnen vuren. Eén van hen stond op een bepaald moment met zijn rug tegen de muur met zijn geweer omhoog gericht. Hij vuurde per ongeluk in de muur boven hem. De steenbrokken vielen op hem. De sporen hiervan zijn nog steeds te zien op de muur. Na de oorlog werd alles hersteld met stenen die gelijkaardig waren aan de bestaande. Men had immers nog niet zo lang geleden een nieuw steentje voor de voorfaçade geplaatst (kort voor de oorlog).

5 Michel

Michel huwde met Maria Magdalena Lannoy in 1932. Zij was de dochter van Pieter en Vanacker Emma. Haar ouders hielden een herberg open aan de andere kant van kerk in Maria-Aalter. Het was eigenlijk een dubbele woning waar ze woonden. De ene kant was herberg, de andere kant bakkerij en kruidenierswinkel. In die tijd was de vroegmis op zondag om 6.30u. Als men wilde ter communie gaan moest men nuchter blijven, t.t.z. men mocht niet gegeten hebben. De mensen die wat verderop woonden gingen na de mis boterkoeken kopen in de winkel en aten die op in de herberg. Het was er dan ook steeds een drukte van jewelste.

Magdalena was ziekelijk. Ze leed aan tuberculose. Ze wist dat ze niet lang zou leven. Haar moeder had Michel nog aangeraden om, om die reden niet met haar te huwen. Michel zag het echter wél zitten en ze huwden op 21/4/1931.

Tien maand later ( februari 1933) werd hun zoontje Norbert geboren. Door het dragen van haar kind was Maria Lannoy erg verzwakt. Zij moest van de dokter duivenvoer eten om weer sterk te worden. Het kind verbleef veel bij zijn grootmoeders Alida Vaneeghem en Emma Vanacker. Norbert was ook ziekelijk. Het kind had de tuberculose van zijn moeder geërfd. Het kind was dermate ziekelijk dat het niet meer kon wenen. Men kon alleen een gegorgel horen. Norbert stierf op 18 maart 1934. Hij was 13 maand. Die dag was het grote kaarting in de café “de Smisse”. Plots hoorde Michel lawaai in de woonplaats. Hij ging er naartoe en zag dat zijn zoontje overleden was. Hij nam het kind in de armen, droeg het naar boven en legde het in het grote bed om het later af te leggen. Na de kaarting vroeg Michel de aanwezigen weg te gaan omdat zijn kind overleden was. De mensen begrepen het. Het duurde amper een halve minuut en iedereen was weg. Octavie Sierens was toen in de woning aanwezig. Ze baarde Norbert op. Het wiegje dat men had gekregen van Emma Sierens en waar Rosa Borrée nog had ingelegen werd op aandringen van begijntje Octavie verbrand.

Ook de gezondheidstoestand van Maria Lannoy verslechterde. Ze werd tenger en steeds magerder. Ze verbleef een hele tijd in het sanatorium in Sijsele. Op een dag verkoos ze om naar huis te komen. Magdalena Lannoy stierf er op 14/7/1935. Ze was 35 jaar geworden. Zusje Octavie bewees het gezin grote diensten in die moeilijke tijden. Vanaf de geboorte van Norbert was ze steeds beschikbaar. Ze kwam lange tijd bij Michel logeren om hen te helpen bij het vele werk.

In die tijd werd ook de herberg “de Smisse” verkocht. Michel wilde ze kopen. Hij had wat spaarcentjes en wou vragen aan een vroegere vriend uit Oedelem, die een bankkantoor openhield, hem wat geld te lenen. Hij wist dat hij er geld aan goedkope intrest kon lenen. De vriend had hem altijd gezegd dat hij steeds mocht binnenspringen, hij was bereid hem te helpen. Op aandringen van zijn vrouw zag Michel er van af de herberg te kopen. Magdalena Lannoy wilde niet dat Michel na haar dood in de schulden zou zitten. De herberg, de parochiezaal en het boerderijtje werden uiteindelijk verkocht aan de brouwer voor 60.000 fr.

De gezondheidsmoeillijkheden hadden veel geld gekost. Michel was echter in de ziekenbond. Na de dood van zijn vrouw ging hij naar de mutualiteit in Aalter om zijn geld. Men wilde hem echter niets uitbetalen omdat zijn vrouw verzorgd werd in West-Vlaanderen (Sijsele). Van toen af aan betaalde Michel nooit meer.

Kort na zijn huwelijk begon Michel varkens te kweken. Dit lukte nogal goed. Tot zijn vrouw stierf. Toen kwam er een ziekte in de varkens. Dit betekende de totale fiasco. Op een dag zat Michel te wenen op een bank achter het huis. Hij had niets meer. Hij had alles verloren: zijn kind, zijn vrouw, zijn varkens, zijn geld. Zijn zuster Octavie ging naar hem toe om hem te troosten. Samen gingen ze naar een boer in de buurt en Octavie kocht hem een heel nest biggen. Octavie betaalde alles van haar spaarcentjes. Michel kon opnieuw starten.

Michel haalde melk op bij de boeren of deze brachten de melk zelf. De melkerij was gevestigd in de schuur naast de herberg. De melk roomde hij af. De room ging naar de melkerij en de afgeroomde melk kwam terecht bij de boeren voor het vee. De hele melkhandel gebeurde in opdracht van de melkerij “Meire” of “Demeyere” uit Beernem (melkerij Wille nabij het kruispunt van de Akkerstraat en de Oedelemseweg). Met de oorlog 40-45 werd de afromerij opgedoekt. De melkerijbazen kwamen het hele boeltje opladen, dit niettegenstaande Michel zelf ook had geïnvesteerd in het materiaal. Enige tijd later wilde Michel het geld dat hij verdiende met de melkerij afhalen. Dit geld stond op een rekening bij een bank in Beernem. Daar vertelde men hem dat alles afgehaald was door Meire. Er stond nog 1 frank op de rekening. Blijkbaar hadden de boosdoeners een volmacht op zijn rekening. Michel wist het niet. Hij kon immers noch lezen noch schrijven. Destijds had hij getekend met een kruisje. Het betrof een som van ongeveer 13.000 frank. Later leerde Lena Vandenbussche hem zijn naam te schrijven. Dit deed ze door zijn hand vast te houden.

In 1940 ging Michel samenwonen met Helena Vandebussche. Zij was de dochter van Hector en Vandeputte Mathilde. Zij was 24 jaar jonger. Eigenlijk kwam Lena er wonen als dienstmeid. Zij sliep ook op een aparte kamer. Voorheen woonde haar oom en tante bij Michel in de herberg. Haar vader Hector was soms nogal een zatlap, die woonde er ook. Op een kermiszondag in augustus mocht Hector niet weg. Hij werd opgesloten op zijn zolderkamer omdat hij volgens zijn dochter geen verstand had. Romain en zijn broers gingen bij Michel en vroegen naar Hector. Hij mocht niet mee. Zij haalden hem met een ladder aldoor het zolderraam naar buiten en gingen op zwier. Rond middernacht brachten ze Hector straalbezopen thuis. Zijn dochter zette nogal ogen op. Ze dacht dat hij nog steeds op zijn kamer zat. Hector zei te kunnen toveren en zoals Sinterklaas aldoor de schoorsteen was buiten geraakt.

Jaren na het voorval met de geplunderde rekening in Beernem kwam er op een dag een zwarte pater in lange pij de herberg binnen. Hij vroeg naar Michel Sierens. Hij wilde hem persoonlijk spreken. Lena zei de maerte te zijn en verliet de woonkamer. De pater haalde een enveloppe met geld boven. Daar stak 13.000 fr. in. De pater zei de som ontvangen te hebben van iemand uit Beernem die hij de biecht gehoord had op zijn sterfbed. De man wilde de gestolen som teruggeven. De pater noemde geen namen. Michel wilde de pater een deel van het geld geven als bedanking. Deze weigerde echter. Hij wilde ook niet blijven eten. Hij zei nog naar de kerk te moeten om te bidden. Michel vroeg hem tenslotte of hij graag sigaren rookte. De pater antwoorde bevestigende en Michel gaf hem een hele doos dikke sigaren vanop de schouw. Met deze vertrok de pater. Nooit hoorde men nog iets van hem.

Tientallen jaren hield Michel de landelijke herberg “de Smisse” open.(1932-1998…) in de Wingenestraat te Maria Aalter. Michel was er steeds graag bij. Michel kon vertellen als geen ander. Ook begijntje Octavie Sierens was steeds van de partij als er moest gefeest en gelachen worden. Ze kwam nog dikwijls bij Michel logeren, steeds voor zes weken. Ze was graag gezien in de buurt. In het café kon ze wel eens zeggen:” voor iedereen een rondje”. Achteraf vergat ze dan wel ervoor te betalen. Vele keren droegen Michel en Lena vlees naar St. Amandsberg toen er een varkentje werd geslacht. Michel zei dikwijls dat het eigenlijk geen zin had om Octavie te helpen. Octavie was zo vrijgevig dat alle geschonken eetwaar dikwijls reeds was uitgedeeld nog voor de bezoekers weer vertrokken. Octavie stond er ook op dat er christelijk geleefd werd. Ontelbare keren maakte ze Michel wakker toen hij ‘s avonds in de zetel lag te snurken. Hij moest immers nog het avondgebed opzeggen.

Michel had ook een geheime onmogelijke liefde. Zijn gehele leven lang was hij verliefd op cafébazin “VanGaver” uit de buurt. Deze beantwoorde zijn liefde echter niet. Ze kon iedereen naar haar hand zetten. Veel mannen kwamen voor haar naar het café. Niemand kon echter haar gunsten verwerven. Als Michel geld in zijn zakken had, bijvoorbeeld na de verkoop van een nest varkens, ging hij het geld verdrinken in de herberg van zijn geheime geliefde.

Drie jaar voor zijn dood kreeg Michel een hartinfarct. Hij was bijna helemaal verlamd. Hij kon zichzelf helemaal niet meer behelpen. Eens zat hij nabij de Leuvense stoof. Zijn ene been was nogal dicht bij de warmtebron zodat zijn been helemaal verbrandde door de warmte. Hij was niet in staat zichzelf te verplaatsen om zo verbranding te voorkomen. Hij sliep beneden in een éénpersoonsbed. Dikwijls kwam zijn broer Jules helpen om hem te verleggen. Lena verzorgde hem zoals het moest. Drie jaar lang sliep ze niet meer op haar kamer. Ze sliep op de sofa in de living. Het werd ook op financieel gebied een moeilijke periode. Michel had immers nooit meer zijn bijdrage voor de ziekenkas betaald. Vele keren had men er bij hem op aangedrongen dit wel te doen. De ontgoocheling na de dood van zijn vrouw was echter te groot geweest. In de laatste periode van zijn leven moest hij hiervan de gevolgen dragen. Er moesten geneesmiddelen gekocht worden en ook de kinesist kwam af en toe langs. Lena besteedde haar laatste spaarcentjes voor hem. Michel takelde geleidelijk af. Op aandringen van de kinesist schreef Michel voor zijn dood nog een testament ten voordele van Lena. Ze kreeg alle huisraad. Meer was er niet, alle geld was op. Men had reeds beroep moeten doen op het OCMW om te kunnen in leven blijven. Jules was er erg tegen dat het OCMW tussenkwam in de kosten. Volgens hem was er wel nog geld. Na de dood van Michel verwachtte de familie nog een deel van de erfenis. Michel kon tijdens zijn leven nogal eens opscheppen met zijn eigendommen (vooral toen hij zat was). De familie geloofde dit. Vandaar dat sommigen iets tegen Lena hadden. Ze was als een indringster in de familie. Lena voelde steeds aan dat ze voor de familie een gevaar was voor de erfenis.

Naar het einde van zijn leven toe takelde Michel geleidelijk af. Op een zaterdagmorgen in oktober vol regen en wind is hij onbewust en rustig gestorven. Helena bleef de herberg “De Smisse” uitbaten. In 1998 woonde zij er nog steeds. Zij is een heel “quick” vrouwtje; mager en taai. Zij is een gekende figuur en dit tot ver in de omgeving. Enkele jaren terug was zij nog te gast in het bekende radioprogramma op vrijdagnamiddag “Waar Abraham de mosterd haalde”.

6 Gaston

Tijdens de eerste wereldoorlog was hij nog inwonend koewachter in Oostkamp. Op 4/10/1917 vertrok hij terug naar Oedelem.

Gaston huwde met Devreese Maria in 1925. Zij was de dochter van Leo en Ballegeer Emerentia. Samen hadden zij vier kinderen, 2 jongens en 2 meisjes. Het oudste meisje Rosa werd op 5 jarige leeftijd door een 18 jarige buurjongen verkracht. Het gebeurde in februari 1933. De kinderen waren aan het spelen bij de buren. De oudste kinderen werden weggejaagd naar huis en Rosa bleef alleen achter met de oudere jongen. Het kind doorstond grote angsten. Na het gebeurde kwam het kind weer thuis, het stopte niet meer met wenen. Veertien dagen daarop stierf het in de kliniek in Brugge. De diagnose was: “verschot-leukemie”. Vergeten we niet te zeggen dat het kind voor het gebeurde kerngezond was. Maria Devreese was er het hart van in. Lange tijd voor het gebeurde zat Rosa eens op moeders schoot en was vragen aan het stellen over de dood zoals kleine kinderen dat kunnen. Toen was het echter moeders laatste gedacht dat haar kind vroeger zou sterven dan zijzelf. Zij droeg het overlijden van haar kind haar gehele leven met zich mee. Ze werd depressief en kreeg maniakale trekken. Uiteindelijk deed ze niets anders meer dan kuisen. Door de onrechtstreekse gevolgen van het gebeurde stierf ze in 1962. Ze was 64 jaar geworden.

Gaston vertelde dikwijls:” In het leven krijgt iedereen éénmaal de kans om rijk te worden”. Die kans kreeg hij ook. Gaston was de lieveling van zijn halfzuster begijntje Octavie. In de periode dat Octavie de zorg opnam van een rijke juffrouw uit Lochristi mocht Gaston soms met haar mee. Eens bood de rijke dame hem geld aan dat in de kamer verstopt was. Hij kon 250.000 frank krijgen. Gaston durfde het geld niet aan te nemen. Na haar overlijden bleek dat de welstellende dame alles aan de huisdokter had gegeven.

Na zijn huwelijk bleef hij tot 24/10/1926 in Maria-Aalter wonen. Hij was landbouwer. Hij woonde achtereenvolgens in St Joris Vijvers (nu Vijverstraat 6) alwaar hij een boerderij uitbaatte, later verhuisde hij naar St Joris Galgeveld nr. 28. Op hoge leeftijd verhuisde hij naar de Miseriestraat nr. 156 in Beernem. Gaston is haastig gestorven.

7 Rene

Rene was soldaat van de lichting 1916. Hij behoorde bij het 10e regiment artillerie. Zijn stamnummer was 161/3740. Hij was soldaat van 1916 tot 1919. Volgens de bevolkingsboeken ging hij in Maria-Aalter wonen (tussen 14/04/1931 en 22/04/1931).

René kon niet zo goed overweg met zijn stiefmoeder. Hij was een erg moeilijke en opstandige jongen in die tijd. Hij verweet haar dat ze zijn brieven opende. Grote ruzies waren er schering en inslag. In 1931 werd hij in Maria Aalter aan de deur gezet met enkel wat hemden en wat ondergoed. René ging hij bij zijn zuster Camilla intrekken. Hij vond werk als timmerman bij “‘t Hooft” op het Oostveld in Oedelem. Daar leerde hij de cafédochter van de overkant kennen.

Hij huwde in 1932 met Meire Magdalena. Zij was de dochter van Charles Louis en Vanparys Leonie. Haar ouders runden een herberg op het Oostveld. Het café was nogal gekend bij de handboogschutters. De vereniging noemde “Het Molentje”. Aanvankelijk schoot men op een staande wip. Toen Rene de herberg overnam werd er op een liggende wip geschoten. Rene was timmerman van beroep. Hij was een erg sociaal man. In 1923 was hij een medestichter van de VTB afdeling Aalter. Hij was er ondervoorzitter. Hij was een groot liefhebber van kaarten op zondagavond.

René kon liegen als geen ander. Hiervoor had hij een goede compagnon die wat verder in de Tinhoutstraat woonde. Samen konden ze liegen dat ze het zelf geloofden en zelfs samen gingen kijken naar het gebeurde waarover zij logen.

Op 13 september 1915 werd hij gevat voor het plegen van een jachtmisdrijf. Op 1 december daaropvolgend werd hij hiervoor veroordeeld door de correctionele rechtbank in Brugge. Hij kreeg een boete van 50 frank of 8 dagen gevangenis.

Op 16/5/1944 werd hij veroordeeld tot 700 frank boete of 1 maand gevangenis wegens het uitbaten van kansspelen. Op een zondagnamiddag waren de gendarmes in Beernem binnengevallen in het privé gedeelte van de herberg. Daar zaten diverse personen te spelen om geld. Alle geld en de spelen werden aangeslagen. Het proces-verbaal werd echter heel slordig opgemaakt. De datum van de inval en ook de plaats van het gebeuren stonden er niet in vermeld. Op het proces sprak dit in René zijn voordeel. Alle aangeslagen sommen moesten teruggegeven worden.

Rene had een wankele gezondheid. Soms had hij zware astma aanvallen. Naar het einde van zijn leven toe kon hij zelfs niet meer naar de boogschietingen gaan. Zijn zoon Arthur ging dan in zijn plaats. Kort voor zijn dood werd René berecht. Dit gebeurde onverwachts. Zijn vrouw was er het hart van in. Ook zijn vrienden waren stomverbaasd. Zijn buurman en vriend … Dobbelaere wilde hem nog een laatste bezoek brengen. De man ging de trap op en hoorde heel veel gestommel op de zolder, het geluid van snelle stappen en het omhoogslaan van een zoldertrap. Het duivenhok van René was juist naast zijn slaapkamer gelegen. Bovengekomen zag hij nog juist René in zijn bed onder de lakens verdwijnen. Hij deed teken naar zijn vriend met de wijsvinger voor de mond en met het veelbetekenende geluid “sst”. René stierf in 1965. Toen woonde hij in de Tinhoutstraat nr. 31. Na zijn dood verhuisde Magdalena Meire naar de Tinhoutstraat nr. 109 bij haar dochter Agnes. Zij woonde er tot zij stierf in1983 in de St Lucaskliniek in Assebroek.

8 Margaretha

Zij huwde op dezelfde dag als haar broer Arthur, met Oscar Claeys. Een broer en een zuster Sierens huwden dus op dezelfde dag met een broer en een zuster Claeys. We vinden ook nog een andere eigenaardige combinatie. Drie jeugdvrienden huwden met drie zusters: Oscar Claeys met Margaretha Sierens, Camiel Borrée met Emma Sierens en Joseph Vandenbussche met Alice Sierens. Na hun huwelijk gingen zij in Oedelem Danegem boeren. Het was de ouderlijke hoeve van Oscar. Het was een grote, oude omwalde pachthoeve. In de wal lag er een bootje. Men kon bijna helemaal rond het erf varen. Hun zonen Roger en Sylveer splitsten later de hoeve en bewerkte elk de helft ervan. Geleidelijk aan werden de landerijen verkocht en konden Roger en Sylveer een gedeelte ervan kopen.

Eén van hun kinderen stierf een verschrikkelijke dood. Jerome stond in de nabijheid van een met motor aangedreven maalderij. Het kind werd bij zijn stofjas gegrepen door een uitsteeksel van de ronddraaiende as en draaide zo mee tot de dood erop volgde. Het kind was vreselijk verminkt. Iemand beschreef het beeld van Margaretha met het lichaam van haar zoon op haar schoot. De schedel van het kind was helemaal kapot. Margaretha kon de gebeurtenis niet vergeten. Vader Oscar vreesde ervoor zijn vrouw te verliezen door haar verdriet. “Als we moeder nu ook maar niet verliezen,” zei hij eens tegen zijn kinderen.

Margaretha kon ook zwijgen als een graf. Dikwijls zei ze tegen haar man:” en gij moet zwijgen”, toen hij op het punt stond één en ander uit de doeken te doen. Margaretha was een centrale persoon in de familie. Ze was met niemand in ruzie. Alle broers en zusters kwamen bij haar op bezoek. Grote paardenliefhebbers als zij waren gingen zij dikwijls op familiebezoek met paard en sjees.

Na de overname van de hofstede door hun zonen gingen zij in de Sijselestraat 43 in Oedelem wonen. Na de dood van haar man ging Margaretha inwonen bij haar dochter Germaine in de Knesselarestraat. Vanaf 1992 tot haar dood verbleef zij in het rusthuis Bloemendaele te Beernem. Oscar Claeys stierf door ziekte in de kliniek.

9 Emma

Emma en Alice waren tweelingzusters. Zij werden geboren op 4 januari 1899. De geboorte verliep problematisch. De moeder stierf dezelfde dag.

Emma huwde voor de kerk op dezelfde dag als haar stiefzuster Zoë. Ze huwde met Camiel Borrée uit Oedelem. Deze was de enige zoon van Eduard en Sylvie Dombrecht. Sylvie had maar één oog. Zij huwden in op de hoeve van zijn ouders in de Veldhoekstraat in Oedelem. Voor hun huwelijk drong Zoë heel erg aan opdat Emma zou meegaan naar de USA. Emma was er wel voor te vinden maar Camiel Borrée wilde zijn ouders niet in de steek laten. In 1929 kochten zij een hoeve met 12 ha grond (Maria Aalterstraat, nu Schuurlo nr. 8).Een gedeelte was beplant met een sparrebos. Zij gingen er wonen in 1931 en bouwden er een nieuwe woning. Er stond ook nog een klein huisje op het erf. Aanvankelijk werd het verpacht, later zag men daarvan af. Om te verhinderen dat het gemeentebestuur de woning zou gebruiken om er arme mensen in te huisvesten veranderde men het huisje in stal. Zo zei men het tegen de veldwachter die daarvoor rondkwam.

Kamiel Borrée boerde er op de goede oude manier. De oude schuur en de stalgebouwen bleven er onverbouwd staan. Tegenwoordig kan men er zich wanen zoals rond 1900. Het bedrijf straalt rust uit, het vormt een eenheid met de weidse natuur eromheen. Boer Borrée bleef echter niet gespaard van ongeluk. Na de oorlog branden zijn schelven af. Deze stonden opgesteld op het land aan de andere kant van de hoeve.

Tijdens de oorlog was Adolf Valcke ondergedoken op hun hofstede. Adolf was opgeëist om in Duitsland te gaan werken. De hoeve van de Borréés was ideaal gelegen om onder te duiken. Niettegenstaande dat was het toch gevaarlijk, zelfs de oorlogsburgemeester van Aalter kwam bij hen regelmatig om melk. Adolf sliep in een bijgebouwtje en hoefde slechts door het raam te springen om in het bos te kunnen verdwijnen. Naar het einde van de oorlog toe vermoeden de Duitsers dat er in die omgeving veel onderduikers verscholen waren en besloten een onderzoek uit te voeren. Adolf was aan het werk op het land aan de andere kant van de hoeve. Eén van de dochters Borréé kon Adolf nog net op tijd verwittigen om te vluchten. Dit deed hij dan ook en vluchtte weg richting St Joris alwaar hij kon schuilen op een andere hoeve. Daar kreeg hij een revolver om zich te verdedigen. Gelukkig was het einde van de oorlog nabij. Kamiel Borrée had het ook niet zo hoog op met de Duitsers. Op een keer moest hij met de wagen sparren voeren naar Oostende. Kamiel dacht er iets op gevonden te hebben, ontdeed de wagen van zijn wielen en verstopte deze onder het stro. Toen de Duitsers kwamen informeren hoe het zat met dat vervoer konden de wielen niet vlug genoeg aan de wagen zijn.

Camiel durfde wel eens naar de vrouwen om te zien (huisje ernaast). Emma had het niet zo gemakkelijk bij hem.

In 1960 verhuisden zij naar de Blekkervijverstraat 24. Camiel Borrée stierf door een hartstilstand op OLV hemelvaart 1973. Zoals haar vader en tweelingzuster Alice had Emma de ziekte van Parkinson. De ziekte werd op tijd bemerkt en werd door medicatie ingeperkt. Emma stierf in het St. Janshospitaal te Brugge door ouderdomsleukemie. De erfenis werd verdeeld terwijl moeder nog leefde. Rosa kreeg landbouwgrond. Annie kreeg de hoevegebouwen. In 1998 wordt de hoeve bewoond door Paula Vandenbussche gehuwd met Marcel Vancouillie. Paula is de dochter van Alice Sierens.

10 Alice

Van bij de geboorte werd Alice uitbesteed bij Karel Vandewalle, broer van haar moeder. De man was blind. Hij ondervond echter weinig hinder van zijn blindheid. Hij deed alle werk op de hoeve. Hij kon zelfs het gewicht van runderen en varkens heel goed schatten door ze te betasten. Zij woonde in de Akkerstraat in Oedelem (nu Berendonkstraat). Zij werd er opgevoed naast de andere kinderen. Later erfde zij van haar pleegouders zoals haar stiefbroers en zusters. In de bevolkingsregisters staat zij ingeschreven voor die periode als inwonende meid bij boer Karel Vandewalle. Men noemde haar “Lieske”.

Zij huwde in 1926 met Vandenbussche Jozef. Men noemde hem “Seppen Bussche”. Hij was zoon van Petrus en Rosalie Vanhulle. Zij waren landbouwers. Na hun huwelijk gingen zij in de Veldhoek in Oedelem wonen. Later betrokken zij een pachthoeve in de Nieuwstraat 4 in Oedelem. Het loopt in de mond dat Jozef Vandenbussche tijdens de oorlog nogal wat goud kocht. Op het einde van de oorlog was hij dan ook een rijk man. Alle geld moest immers binnen gegeven worden. De hoeve in de Nieuwstraat werd later verkocht aan een plantenkweker. De familie Vandenbussche kocht een hoevetje in de Schipperstraat op de wijk De Hoorn. Roger, Andre en Gaston wonen er nu nog steeds.

Jozef Vandenbussche stierf bij een ongeval op het kruispunt van de Beekstraat en de Beverhoutsveldstraat in Oedelem. Een ver familielid van hem, Hilde Leers, was één van de eersten op de plaats van het ongeval. Zij is verpleegster en probeerde de eerste zorgen toe te dienen. Ze stelde echter vast dat Josef reeds overleden was. Hij was op weg naar Rosa Claeys, de dochter van zijn schoonzuster Margaretha die op een hoeve op Moerbrugge woont. Naar het einde van haar leven toe leed Alice aan de ziekte van Parkinson. Er werd niet naar de ziekte omgezien. Het werd steeds maar slechter. Alice liep erg krom en dubbeltoe naar het einde van haar leven toe. Uiteindelijk verlamde de ziekte haar helemaal. In die moeilijke tijd was het voor haar een grote ontspanning naar de ronde van Frankrijk te kunnen kijken op TV. Ze zat dubbel toe in haar zetel, kon haar hoofd niet oprichten en keek dan maar van opzij naar het verloop van de wedstrijd. Alice stierf op 74 jarige leeftijd in de St. Lodewijkskliniek van Sijsele.

11 Alice.

Zij was een onwettig kind van Alice Vaneeghem. Na haar geboorte werd zij vele jaren opgevoed bij haar grootouders, omwille van de schande. Door het huwelijk van haar moeder met Henri Sierens werd zij gewettigd.

Alice vrijde in haar jonge jaren met een biggenkoopman uit Wingene. De familie wilde dat niet. Alice maakte het af en begon te vrijen met Gustaaf Mestdagh. Hij was de zoon van Henri en Nathalie Vaneeghem. In 1924 huwde zij met hem. Hij was weduwnaar van Virginie Verhegghe die stierf in Oostkamp. Tijdens de eerste wereldoorlog was Virginie nog gewond geraakt. In die tijd stond alles op rantsoen. De boeren moesten allerlei inleveringen doen: melk, aardappelen, vlees, eieren, graan. Natuurlijk probeerden zij dit te omzeilen. Zo werd het zogenoemde zwarte graan gemalen in een soort grote koffiemolen. Deze was opgesteld in een diepe put gemaakt in een weideschuilhuisje voor de koeien. De put werd afgedekt met stro. Het malen van het koren noemde men queirnen. Dit maakte veel lawaai vandaar dat men dit deed op een landelijk afgelegen plaats. Ieder om beurt moest queirnen. Op een dag was het de beurt aan Virginie. Haar taak zat erop. Ze had de queirn afgedekt met stro en verliet het stalletje. Op weg naar huis kwam ze een patrouille Duitsers tegen. Virginie dacht dat deze voor haar kwamen, sloeg in paniek en vluchtte weg door de velden. De Duitsers dachten met een spionne of iets dergelijks te doen te hebben en schoten op haar. Een kogel trof haar in het hoofd en drong haar schedel binnen. Ze kon nog ongemerkt naar huis lopen. Daar verschool men haar in een valse wand. Er werd geen dokter bijgehaald. De wonde groeide dicht maar de kogel bleef zitten. Het gevolg was echter dat ze bleef rondlopen met stekende hoofdpijn. Na die jarenlange marteling zag Virginie het niet meer zitten en wilde sterven. Diverse keren vroeg zij haar man haar te doden met een slagersmes. Zij reikte hem zelfs het mes aan. Gustaaf kon het echter niet uitvoeren. Op een dag zei ze haar opzet te zullen uitvoeren en zich te gaan verhangen op de zolder. Gustaaf zag dat haar keuze definitief was. Hij begreep haar en wist dat het zo niet verder kon. Terwijl Gustaaf in de woonkamer bleef gebeurde het fatale. Na haar dood was de familie Verhegge er helemaal niet mee opgezet dat Gustaaf nogal vlug herhuwde met Alice Sierens. Men vermoedde veel meer achter de dood van Marie Verhegge. Men sleepte de zaak voor het gerecht. Deze lieten het lijk van Maria terug opgraven. Men vond echter niets onwettelijks. Men kon hem niets ten laste leggen

Gustaaf was landbouwer-slachter. Hij dronk nogal graag pintjes. Na hun huwelijk gingen zij samenwonen in Oostkamp Stuivenbergstraat nr. 40. Aldaar baatten zij een herberg uit. Bij de herberg hoorde ook een klein boerderijtje en een winkeltje. Een kleindochter runt nu de herberg-feestzaal. Zij behoort tot de vijfde generatie die op dezelfde plaats een herberg uitbaat.

Gustaaf Mestdagh noemde men Kasse. Zijn vrouw noemde Alice, men noemde haar Lies Kasse. De grootvader van Gustaaf noemde Casimir. Vandaar de naam “Kasse”. Alle generaties daaropvolgend werden Kasse genoemd.

Alice had het niet zo gemakkelijk in haar leven. Vooral doordat haar man nogal wat dronk had zij het financieel niet zo breed. Toch wist zij zich door haar werkkracht en levenslust op te werken.

Een tante van Alice, Emma Vaneeghem, haar moeders zuster en ongehuwd gebleven, woonde in bij Alice tot aan haar dood (°Beernem 17/7/1873-+Oostkamp 2/3/1954).

Een dochter van Alice noemde Zoë. In haar jonge jaren diende ze nog op het kasteel van De Pelichy nabij de “Bokke” op de weg van Oedelem naar Maldegem. Ze werkte er in de keuken. Dikwijls kwamen de kinderen vragen wat de pot zou schaffen. Steevast antwoorde Zoë: “stront met striepen”.

Later ging Zoë Mestdag naar Detroit om te helpen in de zaak van Zoë Sierens. Zoë Mestdagh bleef in Ohio wonen tot de dood van haar man in 1998. Ze had heimwee en keerde naar België terug.

12 Georges

Reeds van jongs af aan was Georges geïnteresseerd in auto’s. Hij was nog geen 18 jaar toen hij er reeds mee bezig was. Zijn legerdienst vervulde hij in Evere. In die tijd was daar een primitieve luchtmachtbasis gevestigd. Georges hielp er de vliegtuigen na te zien. Na zijn legerdienst ging Georges werken in de garage Froidpont in Brugge. Men verkocht er Minerva auto’s. Dikwijls ging Georges naar Antwerpen om er auto’s op te halen. Op 16/11/1929 verhuisde hij officieel naar Brugge in de Steekspelstraat. Georges leerde er ook de bourgeoisie van Brugge kennen. Dikwijls was hij er de man voor alle werk. In die kringen was hij een graag gezien kerel. Daar leerde hij ook de Graaf Vissaert de Boccarmé kennen. Diens vader was nog burgemeester van Brugge. Georges werd zijn privé chauffeur. De graaf had een groot domein in Sibret nabij Bastogne. Georges speelde aldaar voor boswachter. In de zomermaanden verbleven zij in de Ardennen, in de wintermaanden in Brugge.

In die jaren leerde Georges Maria Penne kennen. Zij was geboren in Aspelaere nabij Geraadsbergen. Zij was een telg uit een zeer gegoede familie. Zelf was ze erg ontwikkeld. Ze studeerde tot ze 21 was. Ze hield ook enorm veel van muziek. Thuis had ze verschillende violen waar ze regelmatig op speelde. Ze had nog 1 zuster en 2 broers. Eén van hen werkte op het ministerie in Brussel. Hij werd tijdens de 2de wereldoorlog gefusilleerd omdat hij verzetsdaden had gepleegd. Een straat in Aspelare wordt nu naar hem genoemd. Een andere broer bouwde kort voor wereldoorlog 2 een nieuwe garage nabij de Scheepsdaelebrug in de Blankenbergesteenweg in Brugge. Haar ouders Odilon Penne en Maria Roelant hadden een garage in Brugge nabij de Ezelpoort (nu garage Huys, of de vroegere garage Canada). Haar moeder stierf op jeugdige leeftijd.

Georges en Maria huwden in 1932. Georges en zijn broer Jules huwden op dezelfde dag voor de kerk. Ze gingen ook samen op huwelijksreis al over Brussel naar Luxemburg. Na hun huwelijk gingen Georges en Maria in de Keizer Karelstraat 61 in Brugge wonen. Ze bleven er tot kort na de geboorte van hun dochter Marie Salomée. Toen verhuisden ze naar de Oostendsesteenweg. Daar woonden ze niet zo ver van de garage van hun schoonbroer waar Georges mee hielp.

Ze bleven hun leven lang bij hun dochter wonen. Eerst in Brugge en toen deze later een nieuwe woning in de Vulderstraat te Oedelem liet bouwen verhuisden ze mee. Georges en Maria beleefden er een goede oude dag. Ze stierven beiden thuis. Georges in 1992 en Maria in 1993.

13 Zoë

Voor haar huwelijk was zij in de vrouwengilde(KVLV) in Aalter. Zij was er verantwoordelijke voor de agra-werking.

Zoë huwde met Henri Bousson uit Wingene in 1928. Nog voor hun huwelijk besloten zij te emigreren naar Amerika. Zij mochten de USA echter niet binnen. Om dit te omzeilen besloten zij eerst naar Canada te gaan waar een broer van Henri woonde. Zij vertrokken op 01/04/1927. Volgens de toenmalige wetten in de USA werd een kind dat er geboren was automatisch Amerikaan. De ouders van het kind mochten er dan ook blijven. Dit kwam goed uit. Zoë was zwanger en het jonge stel besloot de brede stroom die grens vormde tussen Canada en de USA illegaal over te steken. Zo gezegd, zo gedaan en men ging ondergedoken leven bij een familielid aan de andere kant van de rivier. Zij baarde er haar kind en van toen af verbleven zij op een wettelijke manier in de USA. Van daar verhuisden zij naar Maryland om uit te kijken naar een boerderij. Na lange tijd zoeken slaagden zij erin een boerderij te kopen nabij Detroit ( ongeveer 100 km ervandaan). Zij teelden er groenten voor de grootstad. In een later stadium richten zij barakken op langs de toegangswegen naar Detroit om er groenten in te verkopen. Op die manier verdienden zij enorm veel geld. Beetje bij beetje bouwden zij aldus een hele winkelketen uit in en rond Detroit.

Alfred, hun enige zoon huwde met Betty Snurr. ( Deze werd geboren in Bonn Duitsland). Alfred was nogal veel gewoon en verbraste één en ander. Hij ging jagen in Canada, schonk zelfs een villa weg. De Italiaanse maffia zag dat het zeer goed ging in de zaken en begon zich te moeien. Er werden dwingende voorstellen gedaan dat zij zouden ingevoerd fruit en groenten leveren uit Italië. Eén en ander werd teveel voor Henri en Zoë. Alfred werd aan de kant gezet in het bedrijf. Hij moest op één bepaalde plaats blijven en ging in een olieraffinaderij werken. Alfred verliet zijn vrouw en papte aan met een Belgische. Uiteindelijk werd Alfred door de maffia vermoord. Na zijn dood kwam zijn maîtresse in Brussel wonen. De schoondochter Betty Snurr runde de zaak verder samen met haar 2 zoons en dochter.

In 1937 kwam Zoë voor de eerste keer terug naar België. Henri Bousson kwam slechts één keer terug naar zijn geboorteplaats. Velen herinneren zich nog Zoë toen ze begin de jaren vijftig naar de familie rondtoerde met een grote Amerikaanse wagen. Georges Sierens was de chauffeur. Zo belandden ze ook bij Camiel Sierens in Oedelem (haar oom). Ze parkeerde de slee op het erf. In die tijd lag de mesthoop nog voor de woning. De zeugen waren buitengelaten en waren zich aan het baden in het mestputsop. Zoals het zeugen past gingen ze zich de rug wrijven. Dit deden ze tegen de prachtige auto van Zoë. Op een andere keer was de familie gaan eten in de abdij van “Ter Doest” in Lissewege. Zoë trakteerde. Na afloop van het eetfestijn wilde Zoë nog even naar het wc terwijl de anderen klaar stonden om te vertrekken. Iedereen was er van overtuigd dat Zoë in één van de andere wagens had plaatsgenomen. Men wou nog iets gaan drinken in het café van Alice op Stuyvenberghe. Daar aangekomen zag men het onheil. Men had Zoë vergeten. In vliegende vlucht keerde een auto terug naar Lissewege. Maar ondertussen was het reeds rond vier uur geworden en besloot men in “Ter Doest de zaak te sluiten. Een half uur later laadde men Zoë op. Ze zat op het terras, alle lichten waren gedoofd in het restaurant. En Zoë, die was in alle staten.

In 1978 vierden Zoë en haar man hun 50-jarige huwelijksjubileum.

In 1996 woonden moeder Zoë en haar schoondochter in Warren, een stadje van 100.000 inwoners. Zoë was volledig dement en haar schoondochter verzorgde haar. Haar onderbrengen in een instelling was aldaar onbetaalbaar gezien de sociale zekerheid er onbestaande is. Zoë stierf begin 1997.

14 Jules

Jules was landbouwer en loondorser. Op een bepaald moment had hij twee dorsmachines. Dit deed hij van na de tweede wereldoorlog tot in 1961.

Na het vertrek van moeder en Romain naar het kortrijkse bleef Jules op het hof van de Schuurloot. Het was echter een erg natte hofstede. Na een paar jaar verkoos Jules te gaan wonen op het “Goed Ter lucht”, een andere hofstede van de Pelichy’s. Hij bleef wonen in Bakensgoed nr. 3 tot hij in januari 1964 besloot te gaan rentenieren in zijn nieuwe woning in de Nieuwedreef nr. 15 in Maria-Aalter. De hoeve bleef in handen van de familie. Na Jules kwam Koenraad Lancriet er boeren. Momenteel is Frank Lancriet er de uitbater.

Jules was gehuwd met Desoete Maria Magdalena. Zij was de dochter van Hector en Mathilde Flecy.

Op 28/11/1982 vierden zij hun gouden huwelijksjubileum.

15 Romain

Romain liep zijn lagere school in Maria-Aalter. Hij kreeg er les van 2 broers, een boer en een koster. Op het leerprogramma stond hoe ze moesten ….boeren! Van Maria-Aalter trok hij naar het college in Deinze. Als kleine boerenjongen trok hij daar grote ogen open. Opeens kreeg hij les in het Frans. Nog nooit had hij één woord Frans geleerd. Toch doorworstelde hij die jaren. In 1936 studeerde hij af in de normaalschool van Torhout als onderwijzer.

Romain had een gelukkige jeugd op Schuurloot. Vogels gaan roven etc. Op een keer had hij samen met zijn vrienden kastanjes afgeslagen van een boom in de tuin van de pastoor. Deze had dit gezien. Romain liet zijn kastanjes in de zakken steken van de domste van de groep. In de kerk deed de pastoor iedereen zijn zakken leegmaken. Natuurlijk vond hij niets in de zakken van Romain. De pastoor vond hem een voorbeeldige jongen. Als beloning mocht hij dan het grote kruis dragen in de processie. Als kleine jongen kreeg Romain ook soms snoepjes van Genoveva, de barones.

Toen Romain nog kind was kwam er jaarlijks een pater kapucijn uit de Boeveriestraat in Brugge bedelen in Maria-Aalter. Romain moest altijd mee met een kruiwagen om de “geschenken” op te laden. De volle kruiwagens werden thuis gelost. De pater zag wel wat in Romain als pater. Hij wilde hem eens de binnenkant van het klooster laten zien, kwestie van voorbereiding… . Romain zei tegen zijn moeder dat hij niet mee wilde naar het klooster omdat de pater zijn baard stonk.

In 1936, hetzelfde jaar als wanneer hij zijn diploma behaalde, werd hij vast benoemd aan de lagere school van Bissegem. Op 18/11/1936 verhuisde hij samen met zijn moeder naar Bissegem. Hij startte in het eerste leerjaar-met 54 leerlingen!-maar gaf langst les aan het tweede en het derde leerjaar. “Toen hadden we nog niet het leermateriaal als nu. De leien rammelden op de banken, er waren geen gordijnen aan de ramen en ‘s winters moesten we ons verwarmen aan een walgelijk puffend kacheltje,” aldus meester Sierens. “Ik had altijd een boontje voor mijn zwakste leerlingen. Ik werkte voor hen met een beloningssysteem. Daarmee wilde ik hen leren dat iedereen iets kan. Met goede puntjes kon ik hen altijd aanmoedigen om verder te doen!”. In 1973 nam Romain afscheid van zijn school, maar makkelijk was dat niet. “Op 1 september van het schooljaar daarop ging ik opnieuw aan de schoolpoort staan. Ik kon het niet laten!”

Momenteel woont hij in de Gullegemse steenweg nr. 150. Hij is de laatste overlevende van een hele generatie “Sierens”.

Romain huwde met Margriet Vanacker. Zij is de dochter van Gaston en Rachel Rebry. Ze schonk hem 7 dochters en 1 zoon. Inmiddels is hij ook al grootvader van 17 kleinkinderen. Aan gezelschap heeft Romain dus zeker geen gebrek.

Romain en Margriet, met de financiële hulp van Zoë uit de USA, stampten een goed draaiende textielfabriek uit de grond in Bissegem. Momenteel is hun enige zoon er bedrijfsleider.

Gezien zijn vrouw vroeger zelfstandig was kwam Romain terecht in de Christelijke Rustende Middenstanders (CRM) waarvan hij sedert 1986 voorzitter is. Sinds zijn voorzittersschap is de CRM van Bissegem de grootste van Vlaanderen geworden. In een paar jaar groeide het ledenaantal van 67 naar 250. De mensen zijn er steeds graag bij. Er worden verrassingsreizen georganiseerd en trips naar de Elzas en de Champagnestreek. Voor de fitste CRM-ers zijn er fietstochten. Ook de jaarlijkse barbecue lokt veel mensen.

Romain voelt zich zowel Bissegemnaar als Kortrijkzaan, zonder evenwel zijn geboortestreek te vergeten. Hij bestudeerde de Kortrijkse geschiedenis en geniet van het toneel in de stadsschouwburg. Hij geniet ook van zijn eigen hofje waar hij bloemenkweker en tuinman speelt.

AUGUST Sierens

August Sierens werd geboren op 23 augustus 1863. Hij was de zoon van Bertje en Francisca Huyghe. Zijn jeugd sleet hij op het hoevetje van zijn vader in de Beekstraat. Op 2 juli 1890 huwde hij met Idalie Dhondt. Zij was de dochter van Francis en Marie Anna Gyssels. Zij was enige dochter. Vijf jaar vroeger was haar broer Jan Francis op 27 jarige leeftijd overleden (20/8/1858-14/04/1885). Men noemde hem Wannes. Op een morgen was hij zwaar ziek door een grote verkoudheid. Zij vader was een harde man. Op die koude killige aprildag verplichte hij zijn zieke zoon hem te helpen aardappelen uit de “greppe” te halen. Dat werken in de koude deed Jan Francis geen deugd. Hij deed een longontsteking op en werd dodelijk ziek. Een paar dagen later overleed hij. Marie Anna Gyssels heeft het haar man nooit vergeven.

Marie Anna Gyssels was van Oostkamp afkomstig. Pas na haar huwelijk, op 30 jarige leeftijd, leerde zij schrijven. Zij was een diep christelijke vrouw die toch overhoop lag met zichzelf. Ze dronk veel. Na al die tijd kan niemand nog achterhalen waarom. Kwam het door het harde karakter van haar man?

Cys Dhondt was een rijk en gerespecteerd landbouwer. Hij stamde uit een rijk boerengeslacht. Hij kon niet schrijven. Hierna volgt een korte geschiedenis van zijn vader Maarten Dhondt.

MARTINUS DHONDT

Martinus Dhondt huwde met Anna Gevaert in oktober 1821. Zij was weduwe van Dominicus Boute. Hij was overleden in Oedelem op 26 november 1820. De chirurgijn was diverse keren op bezoek geweest. Men moest hem 30g 55ct betalen voor visiten en medicamenten. Naar aanleiding van zijn overlijden maakte notaris Beaucourt een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen, baten en lasten. Men moest onder andere aan de inwonende meid Blondina Derycke nog 11g courant geld betalen. Aan Joseph Degraeve had men vlas gekocht en hiervoor moest men 141 gulden betalen. Ook de landpacht moest nog betaald worden aan de weduwe Blanckaert. De inventaris van de roerende goederen zag er als volgt uit:

In de keucken:

-hangel, keting, brander, blaespype, tange, schuppe, kuyssche, zoutlae, schouwkleed, 10 gleyersche taillooren, 9 dito teelen, 3 tinne teelen, tinne bierpinte, 2 bardels met 19 tinne lepels, zoutvat, blecken sulferbak, peperbusse, weeflampe, koperen zye, gebink ketel, theeketel, yseren pot, heemer, blekker lampe, eynsel, coekeschapken, gleysersche spoelkom en bierglae, tafel, 10 biesen stoelen, schrijfschallie, zeefde, 15 fourchetten, 2 spaan, wat garen en vlasch, staende horlogie en kasken, koperen sausepanne, lanterne, wat aardewerk, thetassen, eetwaren, koperen ketel en haeker.

In de westkamer:

-commode en kleerkasse, tafel, 2 stoelen, wiege, lampe, hangel, schouwkleed, 7 gleyersche taillooren, een halve dozijn thetassen, strijkijzer, fijne en groene hekels, naaykussen, lijnwaetcoorde, boekzak, fasyk, pluymen bedde gestoffeert en gordijnen, kinderbedde, roerkeirne,

klederen van den overledene: laeken frak, pane veste en broek, 2 werkbroeken, een veste, paar schoenen en koussen, opgeleyde gespen, 10 hemden.

klederen van de bezittige:2 mantels, 5 rokken, 2 jakken, 5 neusdoeken, 3 schorten, 11 mutsen, 8 ondermutsen, 2 paar schoenen, een paar koussen, 13 hemden.

juwelen: goud yserken wegende 8 wigtjes 40 korrels, goude kruis en schuiver wegende 4 wigtjes 20 korrels, goud slot en knopring wegende 9 wigtjes 45 korrels, goude keten en slot wegende 33 wigtjes.

In de oostkamer:

– coffer, 3 spinnewielen, asper, caffen bedde met gordijnen, weefgetauwe met toebehoren, wat coorden en andere kleenigheden.

In de kelder:

– 2 kuypen, 3 aerden potten, 3 teelen, pulleken, tinne teele, koelvat, wat boter en smout

In ‘t waschhuys:

-spoelkuype, heemer, stoel, houte lepels

Op de zolder:

-dorschzeyl, 9 graenzakken, graenvat, schuppe, 5 mudden en een schepel en half of 3 hoed aver, een mudde 7 kappen of 5 vaeten rogge, 6 schepels of 3 vaten boucquiet, 4 schepels ofte 23 vaten terwe, en gelijke quantiteyt lijnzaad, baenst, vlaschkuype, 2 andere kuypkens en tafel, zaege, byle, dissel, spiekelboord en wat ander timmerhalam, 3 houwmessen, 2 pikken en scherphalam met wat oud ijzer, 106 ponden oud gewigte ofte 49 ponden nieuw gewigte, swijnevlees, wat werk.

In de koeistal:

-3 melkkoeien en een kalf, 150 bonden hooi, 2 kuypen, steckbak, 2 mesthaeken, 2 vorken, leere, spae, vette met wat strooi en aeltinge/
In de scheure:

– een zwijn en 8 viggens, swingelbard, schuppen, 2 boothamers, vlegels, wan, raekel, 2 strodekkerhalams, 150 bonden rauw vlasch, 150 bonden terwestroo, 100 bonden averen, leere, diltinge van gezaegde en andere stokken, windmolen, 20 zakken aerdappels, repe, bank, 150 vaden of 13 ellen 104 palmen populieren bard.

Op het hof:

-2 kortewagens, haelkuype en 2 wielen, een oven, plancke, 12 voeren vette en 2 voeren haele, swijnsbak, pletblokken, brandhout, 5 hinnen, eenige stukken timmerhout.

Contante penningen:

32 stukken van 5 franks d’oude                      75g 60

22 fransche kronen d’oude                           60g 20

4 quarten van ducantons d’oude                       2g 96

Anna Gevaert verklaarde dat voor wat betreft deze inventaris, de helft aan haar vader Ferdinand Gevaert toebehoorde, met uitzondering van haar klederen, lijnen en juwelen en deze van haar overleden man.

Op 06/12/1823 was de liquidatie ter sterfhuis Dominicus Boute. Zonder rekening te houden met de eigendommen maar na verkoop van het hofstedeke te St.Joris waren er uiteindelijk meer lasten dan baten, nl 1757g 10ct.Op deze datum werd de woning van het hofstedeke 223 bewoond door Jean Herrebout à 30 gulden per jaar. De rest werd gebruikt door Maarten Dhondt en Anna Gevaert.

Martinus Dhondt bewoonde de dubbele hofstede nabij het Beverhoutsveld.

1. een hofstede sectie G nr. 227,228,229,231 met een totale grootte van 89a 80ca. Deze hofstede kwam van zijn ouders Pieter Dhondt en Brigitta Timmerman. Zij kwamen hieraan door koop van Joannes Busschaert en zijn vrouw Catherine Vanhulle op 22/03/1803. Deze waren op hun beurt eigenaar van geworden op 09/12/1789 door aankoop van de kinderen Landuyt.

Op 12/04/1832 keerde hij zijn moeder en 5 mede-erfgenamen uit zodat dit alles zijn eigendom werd. Hij betaalde hiervoor 2347fr (1033g 21ct).

Gedurende zijn huwelijk liet op deze percelen een houten schuur, gedekt met stroo, en een stalletje bouwen met een waarde van 500fr.

2. een hofstedeke met woonhuis, schuur, stallingen en land (een behuysd en betimmerd hofstedeke).

sectie G 223, 224,225,226         81a 95ca.

sectie G 233                      25a 30ca.

sectie G 212                      71a 22ca (“waterloop”)

Het geheel behoorde toe aan Dominicus Boute en Anna Gevaert. Zij kochten het hofstedeke met bijbehorend land op 13/04/1808 van Joanna Deblaere, weduwe van Jacob Demeyere. Een bijhorende woonst werd gehuurd door Eduard Dhoore voor de som van 10 gulden 28 cent per jaar. De “waterloop” kocht Dominicus Boute in twee keer: de eerste helft kocht hij op 31/08/1810 van Charles Vanpoucke uit Beernem, de tweede helft kocht hij op 18/12/1819 van Joannes Gailliaert gehuwd met Joanne Devos voor de som van 25 pond grooten of 150 gulden. Jan Gailiaert verkreeg het op 11/10/1802 door koop van Jan Francis Steyaert.

Op 12/09/1848 keerde Martin Dhondt de kinderen Boute uit voor 2956 fr. Nadien liet Martin Dhondt verbouwingswerken uitvoeren aan een wagenkot, ovenkot, asschenkot en een deel van de schuur voor de som van 1100 frank.

Op 14/09/1822 kocht Maarten Dhondt een hofstedeke in St.Joris dat toebehoorde aan Anna Gevaert met haar kinderen. Het had een totale oppervlakte van 1ha 46a 50ca.Hiervoor betaalde hij de kinderen Boute in totaal 711fr 11ct. Op 13/12/1823 verkocht hij het geheel aan Louis Deruddere, hoefsmid in St. Joris, voor 672gulden (noord bij de kerk, tegen de vaart, prochieboek art 192, 197, 199).

Op 15/01/1825 schonk Anna Gevaert 253fr. 90ct aan Maarten Dhondt per notariële akte.

In 1859 stopte Martin met boeren.

-Francis Dhondt pachtte het hofstedeke sectie G 227, 228, 229, 231 aan 140 frank per jaar vanaf 01/10/1856. Hij pachtte ook het waterloopstuk à 65fr per jaar vanaf 01/10/1856.

-Joannes Dhondt pachtte in 1861 voor de duur van 9 jaar het hofstedeke sectie G 223, 224,225,226,233 à 165 frank per jaar.

Anna Gevaert stierf op 28/05/1865. Zij was 76 jaar. De begrafeniskosten bedroegen 142fr, de doodskist 11 fr., de rouwmaaltijd 39,5 fr., de bidprentjes 6 fr. Haar zoon Ferdinand Boute leverde vlees ter waarde van 27fr 31ct.

Er waren 11 erfgenamen:

1. Maarten Dhondt

2. Francis Dhondt gehuwd met Marie Anne Gyssels landbouwers in Oedelem

3. Amelie Dhondt gehuwd met Charles Gyssels landbouwers in Oostkamp

4. Virginie Dhondt gehuwd met Petrus Ballegeer landbouwers in Oostkamp

5. Joannes Dhondt landbouwer in Oedelem, gehuwd met Sofie Hoens.

6. Ambrosius Dhondt biervoerder in Brugge, gehuwd met Amelie Vanrenterghem.

7. Ferdinand Boute beenhouwer in Oedelem

8. Anna Marie Boute gehuwd met Albert Defruyt landbouwers in Beernem

9. Amand Boute stroodekker-werkman in Sijsele

10. Jacob Boute landbouwer in Beernem

11. Seraphina Boute gehuwd met Vandecasteele Jan landbouwers in Oostkamp

Op 18 juli 1865 werden de rekeningen gemaakt. De gemeenschap die bestond tussen Martin Dhondt en Anna Gevaert had een batig saldo van 12.441fr. Hiervan behoorde de helft toe aan Maarten Dhondt. De andere helft aan de 10 kinderen van Anna Gevaert. De totale erfenis van Anna Gevaert had een waarde van 15.287 fr. Deze was te verdelen onder haar 10 kinderen.

Bij deze verdeling behield Maarten Dhondt de “waterloop” met een waarde van 4500fr. Joannes Dhondt behield het hofstedeke sectie G 223,224,225,226,233 met een oppervlakte van 1ha 7a 25ca. Het had een waarde van 7700fr.

Op dezelfde dag verkocht Maarten Dhondt het hofstedeke sectie G 227,228,229,231 aan zijn zoon Francies en diens vrouw Maria Gyssels voor de prijs van 4100fr.

Op 30/12/1865 verpachtte Maarten de “waterloop” opnieuw aan Francis voor de periode van 9 jaar in te gaan op de dag van zijn overlijden. De pachtsom bedroeg 75 fr. per jaar. Op die datum verbleef Maarten tijdelijk in Brugge. Waarschijnlijk verbleef hij in het hospitaal en dacht hij te sterven. Vandaar dat hij nog één en ander wilde regelen. Maarten stierf echter niet en leefde nog 9 jaar.

Na de dood van Maarten Dhondt op 29/08/1874 kocht Petrus Ballegeer en Virginie Dhondt de partij de “waterloop” door uitkering van de mede-erfgenamen. In 1890, na de dood van Petrus Ballegeer, kon Francis Dhondt de partij kopen voor 4000fr.

In 1918 op 8 mei verkochten de erfgenamen van Joannes Dhondt en Sophie Hoens hun hofstedeke aan Zoë Desloovere voor 9500fr. Zoë Desloovere was 25 jaar, geboren te Oedelem en woonde te St. Andries.

August huwde in bij de familie Dhondt. In de buurt zei iedereen altijd dat alleen August Sierens Idalie Dhondt kon krijgen. Wel, hij probeerde het en slaagde. August was 27 jaar en Idalie 26 jaar. Het paar deed zijn plicht tegenover de Kerk. Negen maand en zeven dagen na hun huwelijk werd een eerste kind geboren. Men noemde hem Arthur. Op dezelfde dag werd er ook een andere Arthur Sierens geboren. Deze was de zoon van broer Henri. Beide broers Henri en August, gingen samen naar het gemeentehuis en waren getuige van elkaars kind. Achttien maand later werd Victor geboren ( 9/12/1892). Nog eens 13 maand later werd een derde zoon geboren. Daarna kwamen er 7 doodgeboren kinderen op de wereld. Allen waren ze volgroeid, 5 mannelijke en 2 vrouwelijke kinderen. Ze stierven allen aan dezelfde ziekte. Ze werden geboren met een erg dikke buik. ‘s Morgens heel vroeg, voor dag en dauw, ging August de dode baby’s begraven op het kerkhof. Niemand mocht het zien. Hij wikkelde de kinderen in een handdoek en met zijn spade op de schouder trok hij aldoor de velden naar het kerkhof.

Idalie was een heel vrome vrouw. Ze ging bijna dagelijks naar de kerk. Thuis zat ze soms urenlang te bidden in een aparte kamer. Ze las nogal veel in haar kerkboek, dat vol zat met bidprentjes en heiligenafbeeldingen. Zelfs bezoek kon haar daarin niet storen. Ze bleef op haar kamer. Verder had Idalie niet veel sociale omgang. Ze bleef veel thuis.

In 1900 bestond het gezin uit 8 personen.

·        Cis Dhondt was 77 jaar. Hij stierf op 23 juli 1902

·        Marie Anna Gyssels was 75 jaar. Ze stierf op 7/11/1907.

·        August Sierens was 37 jaar.

·        Idalie Dhondt was 36 jaar.

·        Julia Dhondt was 27 jaar. Zij werd geboren in Brugge op 1/6/1873. Zij was de dochter van Ambrosius Dhondt en Amelie Vanrenterghem. Vader was biervoerder en moeder herbergierster in de Koningstraat nabij de St Maartensplaats in Brugge. Ambrosius was de broer van Francis Dhondt. Ambrosius was biervoerder in Brugge vanaf december 1863. Hij kon beginnen op het kwartier van de Ezelsbrug onder deken Vermeersch. In die periode waren er in totaal 17 biervoerders. Ze kregen hun gedeelte van de stad elke maand uitgeloot. Voor de 5 kwartieren was er telkenmale een deken. In dezelfde periode was ene Louis Dhondt ook biervoerder. Julia was twee jaar toen haar moeder stierf op 47-jarige leeftijd (9/3/1875). Haar vader Ambrosius stierf vijf jaar later op 19 januari 1880 in het St Janshospitaal in Brugge in de Mariastraat. Hij was 48 jaar. Hij woonde toen in de Wijngaardstraat C9 nabij het begijnhof. Op de dag van de begrafenis van haar moeder kwamen Francis Dhondt en Marie Anna Gyssels thuis met het weeskind. Van toen af aan werd Julie in het gezin opgevoed. Op een dag in de zomer van 1904 wilde Julie de roest afwrijven van de Leuvense stoof met een stuk glas. Het glas sneed ongelukkig in haar hand. Men diende Julie naar de kliniek in Brugge te voeren. Ze belande in het St Janshospitaal. Na haar genezing is ze daar gebleven om de zieke en oudere mensen te verzorgen en te werken in de wasserij van het rustoord van het St. Janshospitaal. Op 26/10/1904 verhuisde ze officieel naar Brugge. Op 10 augustus 1911 kwam ze terug in Oedelem wonen alwaar ze bleef om op 8 oktober 1921 naar Gent te verhuizen in de Hertsbergestraat nr. 141. Reeds vanop jonge leeftijd vroeg Julie om in het rustoord OLV van de Potterie te mogen verblijven. Bij haar intrede aldaar moest zij 40.000 frank betalen. In die tijd was dat een enorme som. Julie hielp er de oude mensen verzorgen. Ze spellewerkte ook heel veel. Dit verkocht ze dan per el aan de handelaars. Julie had een nogal opvallend voorkomen. Ze had een blinkend voorhoofd en stapte met een zwanepas ( haar heupen met haar benen meebewegend). In 1934 was Julie doopmeter van Estella Sierens. In de nieuwjaarsmaand ging de familie steeds op bezoek bij haar. Ze brachten dan een mand appelen uit de boomgaard mee. Hiermee was Julie heel tevreden. Estella kreeg steevast chocolade, in die tijd een lekkernij waar haar broers en zusters wel jaloers op waren. Julie had ook een broer die op volwassen leeftijd naar Amerika vertrok. Julie stierf op 77 jarige leeftijd in de Potterie te Brugge op 16 oktober 1950.

·        Sierens Arthur was 9 jaar.

·        Sierens Victor was 8 jaar.

·        Sierens Leon was 6 jaar.

·        Er was ook een inwonende knecht: Henri Valcke. Hij was geboren in Oedelem op 2/11/1854. Op 17 maart 1907 verhuisde hij naar Beernem.

Diverse anekdotes:

*       August Sierens zei op latere leeftijd nog tegen zijn kleinkinderen beschaamd te zijn over zijn broers Henri en Camiel omdat ze vrouwelopers waren.

*       Tijdens de eerste wereldoorlog werd hun paard 2 keer afgenomen. Een eerste keer moest men het inleveren aan het Belgisch Leger. De tweede keer aan de Duitsers. Daarna had men er genoeg van en bewerkte men het land met een koe.

*       De familie trok een dagelijkse krant in het Frans. Ook op de lagere school werden de lessen gedeeltelijk in het Frans gegeven. De kinderen gingen slechts tot hun 12 jaar naar school. Toch konden zij perfect Frans spreken en schrijven.

*       Iedere zaterdag ging de familie hun boter verkopen op de markt in Brugge. Zij hadden nooit moeite deze verkocht te krijgen door hun goede kennis van de Franse taal. Anderen hadden daar veel meer moeite mee.

*       August vertelde nog dat hij voor de crisis van 1930 geld genoeg had om een hele straat huizen te kopen.

*       August vertelde dikwijls aan zijn kleinkinderen dat de “Sierens” aan het uitsterven waren in Oedelem. Zijn vader was alleen, en diens vader ook……Gelukkig kwam daarin verandering. Zijn broer had 15 kinderen, hijzelf drie en zijn zoons hadden er twaalf en acht.

*       De familie hield verder contact met verre familieleden. Zo was er het oude vrouwtje “Ballegheer”, die niet zover van de kerk woonde en waar de kinderen van Victor gingen eten na de mis (men mocht immers niet gegeten hebben vooraleer naar de communie te gaan). Niet ver van de jongensschool woonde er ook nog het oude vrouwtje “Dhondt”. De jongens moesten na school in rang gaan tot op de hoek van de Beekstraat. Het oudje wenkte dan naar haar neefjes. Dezen waren dan steeds verheugd de rang te mogen ver laten om bij haar binnen te springen om een snoep.

*       Lea Sierens, een kleindochter van August, vertelde: “Pitje, dat was zo ‘nen vent”; terwijl ze haar duim omhoog stak.

Idalie en Pitje zaten veel in de voorkamer. Er brandde daar steeds een klein rond kacheltje. Pitje en Idalie zaten er veel te bidden. Idalie las heel veel in een Frans kerkboek. Het was er steeds warm. De kleinkinderen vertoefden er dan ook veel. Aan het einde van haar leven toe lag Idalie te bed in dezelfde voorkamer. Ze was uitgeleefd. Ze voelde haar dood naderen. Ze lag onder de dekens en stampte zich nogal veel bloot. Pitje vroeg dan aan de kleinkinderen om haar weer toe te dekken. Idalie hield veel van de kinderen en wilde hen dan soms grijpen om hen te knuffelen. De kinderen waren echter bang van haar en trokken zich terug. Idalie stierf in de voorkamer. Het was 28 februari 1942. Zij was 78 jaar. Ze werd in de voorkamer ook opgebaard in een heel mooi rouwkleed dat met kant was afgewerkt. Kleinzoon Leon moest het kleed met de fiets halen in Brugge. In die periode bleef Pitje August in dezelfde kamer slapen. Idalie werd begraven op het kerkhof van Oedelem. In 1948 kocht de familie een grafkelder voor 4 personen. Het lijk van Idalie werd toen verplaatst. Na haar dood werd op 31 juli 1942 een akte van bekendheid opgemaakt. Haar 3 kinderen Arthur, Victor en Leon werden erfgenaam, elk voor een derde deel onder voorbehoud van het vruchtgebruik op de helft der goederen van haar nalatenschap. Bij de Spaar- en lijfrentekas werden 2 kasbons verkocht. (Belgische Staatsfondsen 3% 2de reeks die samen 21.580 fr. opbrachten).

Na de dood van Idalie werd de woning heringericht. August verhuisde naar de kleinere zijkamer en de voorkamer werd voortaan de slaapkamer van Victor en Maria. Pitje stierf op 8 februari 1960. Hij werd 97 jaar.

Hun kinderen:

1 Arthur

Arthur was de zoon van August en Idalie Dhondt. Hij werd geboren op 9 april 1891. Dit was dezelfde dag als zijn neef, ook Arthur maar zoon van Henri en Alida Stevens.

Arthur was in zijn jonge jaren een moeilijke jongen. Hij kon heel erg opstandig zijn. Op zekere dag kwam hij bij zijn moeder en zei haar de “anti-crist” te zijn. Volgens verhalen zou hij in zijn jonge jaren nog deelgenomen hebben aan messengevechten in Oedelem. (vroeger werd er op het Hoekske zelfs nog iemand doodgestoken)

Als soldaat behoorde Arthur tot de lichting van 1911. In dat jaar moest hij naar het landweerwervingsbureel te Brugge. Daar werden zijn gezichtskenmerken genoteerd: lang gezicht; gekleurde teint; voorhoofd smal-middelmatige hoogte; ogen: orangé, verdatré; neus: horizontale basis, middelmatige hoogte en breedte, rechte vorm; middelmatige mond, dikke lippen en een naar binnen springende kin: kastanjebruin golvend haar en een litteken aan de linkerpols.

Op 15/2/1912 begon zijn legerdienst. Hij werd ingelijfd bij het 4e linieregiment (DICATAC). Zijn stamnummer was 104.56599. Gedurende zijn legerdienst werd hij tot brigadier bevorderd. Toen behoorde hij tot het 5e regiment artillerie 78e batterie, 1e groep 210.

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog werd hij opgeroepen. Op 1/8/1914 diende hij zich aan te melden bij het 4de linieregiment. Zijn stamboeknummer werd 8556. Hij verbleef 4 jaar achter de IJzer. Aan het front was hij een edelmoedig man. Als de patrouilles werden samengesteld om achter de linies te gaan was hij steeds vrijwilliger om de plaats in te nemen van medesoldaten die gehuwd waren. Op dergelijke patrouilles liep hij soms luidop te bidden op vijandelijk gebied. Zijn medesoldaten verboden hem uiteindelijk nog te bidden omdat hij teveel lawaai maakte. Volgens verhalen behoorde hij tot een compagnie sluipmoordenaars. Deze zwommen ‘s nachts de IJzer over om er Duitse soldaten te vermoorden. Men noemde deze soldaten “de Marokken”. Dezen slopen met hun mes tussen de tanden naar de Duitse kampementen toe. Als bewijs sneden zij van elke vermoorde soldaat een oor af. Uit wroeging zou hij na de oorlog binnengetreden zijn in het klooster. In ieder geval was hij in de oorlogsperiode erg vroom. Voor het slapengaan kon hij lange tijd op zijn knieën voor het bed zitten bidden. Dit deed hij uit vroomheid én om het goede voorbeeld te geven aan zijn medesoldaten. Dezen hadden daar niet zoveel aan en lachten met hem. Het gebeurde dat zij met schoenen naar zijn hoofd smeten.

Op 8 juli 1917 verbleef Arthur in de loopgraven in eerste linie voor Diksmuide. In een hevig bombardement dat 3 uur duurde, in de avond van 7 op 8 juli werd hij gekwetst door een ontploffende obus. Zijn terugtrekkende kameraden konden hem niet meenemen. Ze wierpen wat matten die aan de kant van de loopgraven lagen op hem om erger te voorkomen en lieten de erg gewonde Arthur achter. De volgende dag gingen ze hem ophalen. Dit was een keerpunt in het leven van Arthur. Voorheen was hij de moedige onverschrokken strijder, nadien werd hij een gekraakt en sullig voorkomend persoon. Hij werd afgevoerd naar het Belgisch militair hospitaal in Beveren a/d IJzer. Daar deed een dokter de eerste vaststellingen. Hij noteerde in zijn dagboek: “Open wonde aan het rechterdijbeen en een open wonde boven de linker elleboog, opmerking: ernstig”. Toen hij na de oorlog zijn verwondingen toonde zag men een put in zijn rechterbil waar men een vuist kon in leggen. Op 12 juli werd Arthur overgebracht naar het Elisabethhospitaal in Calais. Op 04/08/1917 ligt hij in “Hôpital Militaire Belge Mortain (Manche)” zoals blijkt uit een kaart aan zijn broer Leon geschreven. Het militair hospitaal was gevestigd in het seminarie van Mortain. Uit zijn brief blijkt dat hij er reeds een hele tijd verblijft en dat hij “denkelijk nog een goede tijd te bed moet blijven”. De wonde in zijn been was blijkbaar erg diep. Volgende passage drukt toch nog zijn patriottisch idealisme uit: “daarmede sluit ik, zeer beminde broeder u mijn verlangen uitdrukkende als ik geheel genezen ben om daar met u mede te strijden en mede te helpen aan de verlossing van ons geliefde huis en dorp. Houdt u voorts kloek Leon “.

Op 17 oktober 1917 werd hij ontslagen uit het krijgsgasthuis in Moran met de vermelding:” goedgekeurd voor het front”. Fysisch was Arthur blijkbaar helemaal in orde. Psychisch was dit vermoedelijk niet het geval. Het bombardement in Diksmuide had hem dermate beïnvloed dat dit een totale ommekeer in zijn leven teweegbracht. Van heldhaftig strijder werd hij een psychisch gekraakt persoon. De dag nadien (18 oktober) werd hij overgeplaatst naar het Belgisch herstellingsoord in St Pair sur Mer (Manche).

Op 19 juli 1917, kort na het bombardement bij Diksmuide werd door zijn legeroversten een “Voorstel tot eervolle onderscheiding” opgemaakt. Hierna de vrije vertaling ervan:

  • Advies van de compagniecommandant (Hutsebout): “Très favorable”. Korporaal Sierens Arthur is een moedig soldaat in het gevecht. Reeds sinds de eerste dag van de mobilisatie heeft hij blijk gegeven van een zeer grote moed in alle omstandigheden, meer speciaal in het gevecht aan de IJzer van 1914 en in het extreem gewelddadig bombardement van 8 juli 1917 waarin hij werd gewond. Hij is in alle opzichten een beloning waardig.
  • Advies van de majoor commandant van het bataljon: Goede korporaal die de hele campagne heeft meegemaakt en die steeds bewijs heeft geleverd van goede moed, speciaal op 8 juli toen hij voor Diksmuide werd gekwetst.
  • Advies van de korpschef: Sierens is een zeer goede gegradueerde. Hij gedroeg zich steeds met een mooie welwillendheid gedurende zijn zeer lang verblijf aan het front. Hij is in alle opzichten waardig om een eervolle onderscheiding te bekomen, waarvoor ik het volgende voorstel: “dapper en onverschrokken gegradeerde, aan het front sedert het begin van de vijandelijkheden. Hij werd ernstig gewond in de nacht van 7 op 8 juli 1917 in de loopgraven van eerste lijn en was onderhevig aan een bombardement met grote gewelddadigheid”.
  • Advies van de brigadecommandant (generaal-majoor Mahieu): “Zeer gunstig voor de reden door de korpschef opgegeven”.
  • Advies van de divisiecommandant (Luitenant generaal commandant van 1DA: “Gunstig voor de reden door de korpschef voorgesteld.

Na 6 weken verbleven te hebben in St-Pair sur Mer werd Arthur op ziekenverlof gestuurd naar Dieudonné (Oise) (12/12/1917). Op kerstdag 1917 werd hij aangeduid als hulp “sedentaire” (kazernehulp) in het centre d’instruction in Eu. Aldaar zal hij waarschijnlijk zijn broer Leon wel ontmoet hebben.

Op 19/08/1918 vertrekt Arthur op bedevaart naar Lourdes. Hij verblijft er in het militair hospitaal. Op 26/08 is hij terug in zijn eenheid.

Na de oorlog diende Arthur in het bezettingsleger in Duitsland in Schaaphuizen. Op 17 januari 1919 schrijft hij een brief naar zijn broer Leon vanuit Schaaphuizen. Leon Sierens is op dat moment brigadier en behoort ook tot het bezettingsleger ( Z.209.82ste batterie). Hij schrijft er 8 dagen geleden te zijn toegekomen. Hij verblijft in het ” centre instruction divisionaire artillerie ( CIDA- 5DA 8st batterie)”. In Schaaphuizen zijn er op dat moment 2 batterijen artillerie 75 mm, 1 batterij 105 mm, 1 sectie “6 pouces” en 1 sectie 155 mm “court”. Hun commandant noemde Cheville. Hij schrijft: “Ik ben hier nog voort briefdrager voor de batterij, dat is een goed klopke”. Hiermede veronderstellen we dat hij voorheen ook reeds briefdrager was. Hij is er in ieder geval heel tevreden mee.

Na de oorlog was Arthur als oudstrijder lid van de Oudstrijdersvereniging VOS in Oedelem (dit verklaarde hij op 15/11/1920).

Op 29/09/1920 vroeg de legerleiding inlichtingen over zijn ouders in verband met schadevergoedingen die moesten betaald worden. Zo vernemen we dat vader August 4 ha land bezit, 4 koeien heeft en geen paarden bezit. Tijdens de oorlog moesten zij 110 frank belastingen per jaar betalen. Onderhuur (?) kostte 260 frank per jaar. Ook had men om één of andere reden een boete van 200 frank moeten betalen. In 1914 had Arthur bij de aftocht uit Antwerpen één wollen vareuse, één paar kousen en één hemd achtergelaten. Hiervoor kreeg hij een vergoeding van 400 frank.

Na de oorlog ontstond grote verwarring bij de legerleiding omtrent de identiteit van hemzelf en zijn neef Arthur Sierens. Zij waren immers op dezelfde dag geboren. Zo ontstond veel vertraging bij de uitbetaling van het familieaandeel van 300 frank. Op 15/1/1923 schrijft hij hiervoor een brief. Op 29/11/1925 vinden we opnieuw een brief van hem geadresseerd aan de legerleiding. Op dat moment woonde Arthur in het klooster van de Carmelieten-Discalsen in de Oostendestraat nr. 30 te Brugge. Hij verklaart dat het boekje voor de begiftiging van de oudstrijders hem niet toekomt daar de gegevens die erop vermeld zijn deze van zijn kozijn zijn. Op latere leeftijd was er nog steeds verwarring tussen beide Arthurs. Zo kreeg Arthur Sierens uit het Hoekske jarenlang 2 pensioenen uitbetaald. Broeder Alexander kreeg niets.

Verschillende legerregimenten waar Arthur diende:

-01/08/1914 4e linie-regiment

-01/03/1916 in het hospitaal voor ziekte

-05/03/1916 terug in het 4e linie-regiment

-08/07/1917 in het hospitaal van Beveren a/d IJzer ( HMB Beveren)

-12/07/1917 Elisabethhospitaal ter Calais

-26/07/1917 Belgisch krijgsgasthuis te Mortain (Manche)

-17/10/1917 goedgekeurd voor het front

-18/10/1917 Belgisch herstellingsoord St Pair S/Mer (Manche)

-01/12/1917 in ziekenverlof in Dieudonné (Oise)

-12/12/1917 CTAM de Auvours (Sarthe)

-25/12/1917 kazernehulp in Centre d’instruction divisionnaire d’artillerie te Eu (CIA 6de batterie)

-06/06/1918 kazernehulp bij de 5de artillerie 80ste batterie 2de groep (5DA)

-07/07/1918 5de regiment artillerie 78 ste batterie 2de groep (5DA)

-19/08/1918 verlof in Lourdes (op 22/08 aankomst in het militair hospitaal te Lourdes)

-26/09/1918 aan het front 5de regiment artillerie 78ste batterie

-09/01/1919 briefdrager in Schaapshuizen Duitsland (CJDA centre instruction divisionaire artillerie )

-07/08/1919 onbepaald verlof

Diverse eretekens

-7 frontstrepen:

28/02/1916 1ste chevron

17/08/1916 2de chevron

17/04/1917 3de chevron

17/10/1917 4de chevron

17/10/1918 5de chevron

nog 2 chevrons gekregen door CM du 21/10/1919 (beslissing van de commandant de la 1 dat- 07/05/1921)

-23/07/1917 decoratie militaire 2de klasse OJA

-23/07/1917 oorlogskruis OJA

-06/06/1918 Chevron de blessure

-17/05/1919 IJzermedaille OJA en 5DA

-20/08/1919 overwinningsmedaille

-20/08/1919 herinneringsmedaille

-04/04/1939 vuurkruiser (aanvraag op 16/08/1937)

Toen hij rond de jaren 1950 bij Leon Sierens op bezoek kwam stelden de 3 jongste snaken hem wel eens vragen in verband met de oorlog. Deze vroegen hem op een bepaalde keer of hij op de Duitsers schoot om te doden. Deze vraag was toen wel in contradictie met zijn toenmalige levensstijl.

Toen hij terug thuis was na de oorlog drongen zijn ouders erop aan een vrouw te zoeken en te huwen. Zij wilden niet met een “oude jonkheid” opgezadeld zitten. Arthur ging hier op in. Hij ging een meisje uit de buurt vragen om met hem te huwen. Zij was de dochter van Hyppolyte Vandemoere, was een vrome boerendochter en woonde in de Beekstraat. Zij had ook nog een zuster. Het meisje was blijkbaar een goede partij want ook kozijn Achiel Sierens (zoon van Camiel) vroeg haar ten huwelijk. Zij zag het echter niet zitten. Haar roeping lag elders. Zij werd kloosterzuster. Arthur kon toen ook heel opstandig zijn. Zijn gevoelens had hij in die periode blijkbaar niet onder controle. De vele jaren soldaat te zijn en de 4 jaar front hadden blijkbaar een uitwerking op zijn gevoelsleven. Ook zal hij wel heen en weer geslingerd zijn omtrent zijn toekomst ofwel een vrouw te zoeken en te huwen ofwel in het klooster binnen te treden.

Op 20/11/1923 trad hij binnen in het klooster van de karmelieten in de Ezelstraat 30 te Brugge. Hij had besloten Ongeschoeid Karmeliet te worden. Hij kreeg de naam broeder Alexander. Hij werd geprofest te Brugge op 17 mei 1926. Daarna werd hij overgeplaatst naar Gent in de Burgstraat. In de periode 08/08/1928 tot 06/07/1931 verbleef hij in Kortrijk Aalbekesteenweg nr. 111. Daarna verbleef hij weerom in Gent (zeker op 16/08/1937). Hij verbleef ook een hele periode in Waasmunster. Vanaf 1948 tot zijn dood verbleef hij in het college te Eksaarde. Zijn voornaamste taak was daar aardappelen te schillen en opdienen in de refter.

Zijn moeder erg tevreden een vrome zoon te hebben. Ze gaf hem een grote antieke paternoster die hij in zijn cel rond het kruisbeeld had hangen als symbool van de liefde voor zijn moeder en de vroomheid.

Arthur was nog niet zolang in het klooster toen zijn ouders eens op bezoek kwamen. Fier als een gieter toonde hij zijn ouders waar hij leefde. Hij toonde hen ook de binnenkoer. Die hij samen met zijn moeder betrad. Dat mocht echter niet. Er mochten geen vrouwen op de binnenkoer. Arthur kreeg daarvoor een serieuse oprisping.

Als jonge broeder kwam hij weer eens thuis. ‘s Avonds voor het slapengaan werd het avondgebed gezegd rond de “buuzestove”. Broeder Alexander had de gewoonte dit gebeuren nogal ruim op te vatten. Op een keer zei vader August: “maak het maar een beetje kort hoor”. August had blijkbaar ervaring met die lange avondgebeden en wilde gaan slapen.

Als ongeschoeide karmeliet kreeg hij de taak te bedelen. In de streek van Lochristi noemde men hem de spekpater. Regelmatig kwam hij ook in Oedelem bedelen. Zijn vader verbood hem dit nog te doen. Op familiebezoek waren ze ook steeds met twee monniken. De ene moest de ander controleren. Ieder jaar kwam hij de hele familie bezoeken. Hij trok te voet van het ene gezin naar het andere. Hij had de gewoonte, bij het binnentreden in een huiskamer, een buiging te maken en te zeggen:” Gelooft zij Jezus Christus”. Hij had kalenders mee, scapulieren, en heiligenprentjes van de H. Theresia die hij erg vereerde. Bij ons sliep hij op de “voute”. Hij vertelde niet veel, de woorden moesten uit zijn mond getrokken worden. De gesprekken vlotten dan ook niet zo best. Hij zat daar zo sullig op zijn stoel met zijn bruine pij en in zijn blote voeten in zijn sandalen. Hij droeg nooit sokken. Ook in de winter, in de meest koude dagen, liep hij rond met blote voeten in open sandalen, zelfs toen het sneeuwde. Eens waren zijn voeten echt bevroren. Een paar dagen later was hij de vellen van zijn voeten aan het aftrekken. Alleen op hoge leeftijd kreeg hij de toelating sokken te dragen. Een maaltijd was voor hem een hele gebeurtenis. Bij ons duurde dat 10 minuten. Bij hem zeker driekwartier. Het duurde dan ook steeds een eeuwigheid voor hij gedaan had. Mijn moeder zei dat hij wel 5 minuten kon sabbelen op 1 erwt. In de jaren vijftig kwam hij steevast ieder jaar naar de hoeve in Eernegem, die zijn broer pachtte om zijn kinderen werk te geven. Hij bleef er steeds slapen. Hij kwam toen ook in contact met de Bekegemse pastoor. Vele malen ging hij er de mis dienen. Broeder Alexander zei soms dat het voor gehuwde mensen gemakkelijker was om de hemel te verdienen dan voor een kloosterling. Gewone mensen zaten middenin de gevaren van het dagelijkse leven en moesten weerstand bieden aan de verleidingen. Indien zij daarin slaagden (eventueel met vallen en opstaan) dan hadden zij hun hemel wel verdiend.

Uit de periode van Eksaarde waren er in 1994 nog 4 paters die hem gekend hadden. Pater Wim was er directeur, nu verblijft hij in Gent. Pater Godfried, de kunstschilder, in 1994 84 jaar en in Ieper verblijvende. Pater Theophiel, de broer van Anna Maes-vrouw van Herman Sierens (= zoon van Leon) en pater Albert die in Berchem Antwerpen verblijft en zich in zijn oude dag bezighoud met de verkoop van kalenders.

Enkele anekdotes door pater Godfried verteld:

-hij was een heilig man. Ik bekeek hem weleens toen hij wel een uur lang had gebeden in de kapel zonder “bougeren”. Ik dacht toen dit is een heilig ventje

-Arthur kende veel soldatenliedjes. In het klooster zong hij deze weleens in zijn vrije tijd. Hij noteerde ze in een boek.

-eens had hij erg geklaagd dat hij op familiebezoek op een onverwarmde kamer had geslapen. Hij had het erg koud gehad.

Enkele anekdoten door pater Theophiel verteld:

-in Eksaarde hadden wij een zwijntje. Het was de taak van broeder Alexander dat zwijntje eten te geven. In een bepaalde periode had hij hem per vergissing niets anders dan legmeel gegeven. Daar werd natuurlijk mee gelachen – dat Arthur wilde dat het zwijn eieren zou leggen.

-broeder Alexander kon heel stil zitten bidden. De familie “Sierens” zal daar waarschijnlijk veel voordeel uit gehaald hebben.

-broeder Alexander had eigenlijk een ontwrichte schouder. Het opdienen gebeurde bij ons op een plateau waar wel 14 soeptassen op stonden. Die ontwrichte schouder wilde niet altijd mee. Op een keer kon hij het plateau niet meer in evenwicht houden en alle soeptassen kletsten op de grond

-eens had hij een pijnlijke duim (de vits) Broeder Alexander had zelf een paardenremedie gebrouwd. Gekookte roggezemelen waarin hij zijn duim deponeerde. Hij wilde toen niet naar een dokter gaan. Ik weet niet of dat toen geholpen heeft.

-broeder Alexander was eigenlijk nogal sullig. Hij was waarschijnlijk niet in staat om zelfstandig door het leven te gaan.

Enkele anekdotes door pater Albert verteld

-hij kon met zwier het wierookvat bedienen

-hij kon goed soldatenliedjes zingen

-hij zag er niet tegenop verschillende missen naeen te dienen

-soms ging ik biecht horen. Het gebeurde, toen ik vertrok, dat ik hem vroeg voor mij te bidden opdat ik een heldere geest zou hebben. Bij terugkomst zei ik hem dan dat het goed was geweest. Hij was daar toen heel tevreden mee.

Arthur vond dat iemand die een gezin had gesticht veel meer kans had om in de hemel te geraken dan iemand zoals hij die halve dagen zat te bidden.

Naar het einde van zijn leven toe werd Arthur dement. Eens kwam hij ‘s avonds laat op bezoek in Oedelem. Hij kwam aan de deur kloppen “bij hem thuis op de ouderlijke hoeve”. Toen werd de hoeve bewoond door Germain de zoon van zijn broer. Diens vrouw Elza hoorde het kloppen en vroeg wie is daar. Er kwam echter geen antwoord. Een tijdje later werd er geklopt op de andere deur, de voordeur. Weer dezelfde vraag en weer geen antwoord. Uiteindelijk besloot Elza om de hoek te gaan kijken, gewapend met een borstel. Daar stond broeder Alexander in de koude en kille winteravond voor de deur. Natuurlijk mocht hij binnenkomen. De oude man zette zich in de zetel nabij de kachel en bleef er in stilte zitten. Rond 10 uur ‘s avonds kwam Germain thuis. Deze meende dat het de bedoeling was van Arthur om bij zijn vader Victor te gaan logeren (Victor woonde ernaast, een honderdtal meter verderop). Arthur zei dat hij niet wilde. Het was zijn bedoeling hier te blijven slapen. Er was echter geen bed voor handen, tenslotte zou hij in de zetel blijven slapen wat dan ook gebeurde. Midden in de nacht besloot Germain toch eens te gaan kijken hoe het met hun gast was gesteld. De oude pater lag voor de zetel op de koude vloer te slapen. Germain durfde niets te doen en liet hem liggen.

Broeder Alexander verliet het klooster der karmelieten op 2 februari 1972 voor het rustoord van Oostakker. Hij stierf er op 10 februari. Alle gebeden der stervenden hielp hij actief meebidden. Na afloop ervan gaf hij iedereen nog een hand en zei: “Nu ga ik naar de hemel”. Daarna is hij zachtjes ingeslapen.

Uittreksel uit het kloosterdagboek van Eksaarde. 

1972-2 februari: …deze dag verlaat Br Alexander ons voor het rustoord te Oostakker. Met verdriet zien we onze broeder heengaan: een type minder en zo een stille medebroeder.

7 februari: Broeder Alexander bediend door P. Wim en P. Albert. Zeer vroom antwoordt onze medebroeder op alle gebeden. ‘sNamiddags bezoek door P. Wim, Godfried, Gilbert en Eduard.

10 februari: ‘smorgens om 4 u is broeder Alexander heel zacht en vol vrede gestorven, bijgestaan door P. Wim. Dezelfde dag nemen we alle schikkingen voor de begrafenis zaterdag as.

12 februari: 10.30u. Begrafenisdienst voor onze goede broeder Alexander, die 24 jaar op ons college te Eksaarde verbleef. Op de doodskist: de Belgische vlag en witte mantel; daarrond de lichtmiskaarsen en de brandende paaskaars. Intieme eucharistieviering met stijlvolle gregoriaanse zang: 12 priesters, 5 broeders en 12 leerlingen van ons college luisterden de plechtigheid op. Treffende homilie door P. Albert Wils. “In Paradisum, nader bij U mijn God” klonk ontroerend als een afscheid. Bij het naar het kerkhof gaan floot een leeuwerik in helderblauwe lucht. Maria bracht broeder Alexander op deze zaterdag de hemel binnen. Middagmaal met de familie en de confraters. Iedereen en ook de talrijke aanwezigen waren onder de indruk van de stille, troostvolle begrafenis.

Homilie door P. Albert Wils

Dierbare broeders en zusters,

De Heer Jezus heeft zeker aan broeder Alexander gedacht toen Hij de woorden uitsprak: “Ik dank U Vader omdat Gij dit alles voor de verstandigen en wijzen verborgen hebt gehouden, maar voor de eenvoudigen duidelijk hebt gemaakt …

Onze dierbare Overleden Broeder hoorde thuis bij de eenvoudigen, de kleinen die niet veel gerucht maken tijdens hun leven, maar die door God dubbel geliefd zijn.

Stil en verborgen leefde Hij in ons midden en Hij is van ons heengegaan gelijk een kaars die volledig opbrandt en dan zachtjes uitdooft.

Gedurende de 24 jaar in Eksaarde doorgebracht heeft Hij zich verdienstelijk gemaakt door allerlei nederig taken voor het welzijn van het klooster en het college te vervullen. Rustig en met voorbeeldige stiptheid bracht Hij voor elke maaltijd de kloosterrefter in orde en in de keuken stelde Hij zich ten dienst voor het reinigen en snijden van de groenten. Graag werkte Hij in de tuin. Dit was voor Hem als West-Vlaamse boerenzoon een echte ontspanning.

Hij hield veel van zijn familie. Toen ik Hem eens per auto rondvoerde bij zijn familieleden heb ik die liefde kunnen vaststellen. Wederkerig keek iedereen in zijn familie op naar nonkel Broeder.

Het beeld dat ons van Hem het meest is bijgebleven en dat Hem het schoonst typeert is dit van de biddende Karmelmonnik. Wanneer hij nog levenskrachtig was hield Hij eraan zijn bijdrage te leveren in de liturgische vieringen. Met forse zwier hanteerde Hij het wierookvat tijdens de plechtige eucharistieviering en het vroeger lof. Ja, tot 14 dagen voor zijn dood deed hij nog de bel rinkelen tijdens de consecratie en voor de communie. Ontelbare H. Missen heeft Hij met vrome ingetogenheid gediend en urenlang zat Hij diep ingekeerd geknield in het paterkoor te bidden voor het welzijn van klooster en college, voor de priesterroepingen, voor zijn orde, voor zijn eigen dierbare familie en voor de grote noden van kerk en wereld. Graag en dikwijls deden wij beroep op zijn gebed. Hij was er gelukkig om, want hierdoor voelde Hij aan dat Hij een waardevolle plaats innam in zijn kloostergemeenschap. Hij was voor ons de Mozes op de berg die met uitgestrekte handen de vruchtbaarheid van Gods genade afsmeekte over het apostolaat van zijn medebroeders.

Door de voorrang die Hij in zijn leven schonk aan het innig samenzijn met de Heer toonde Hij zich een waardige zoon van H. Theresia van Avila en van St. Jan van het Kruis. In zijn hart leefde een kinderlijke liefde tot zijn hemelse Moeder Maria die Hij tot uitdrukking bracht door zijn eerbied voor het scapulier dat Hij bij het aan en uitkleden telkens kuste, maar ook door zijn onvermoeibaar bidden van de rozenkrans, die hij ‘snachts rond zijn hals droeg.

Broeder Alexander was niet bang voor de dood. Elke dag dacht Hij bewust aan dat ogenblik en bereidde er zich op voor door zijn onophoudelijk bidden en door al zijn werk rustig, liefdevol en onder het oog van God te verrichten. Sedert een paar maanden verzwakten zijn krachten, maar zijn geest bleef helder en al zijn beschikbare tijd bracht Hij door met lezen en bidden.

Daar Hij zelf voelde dat Hij zich niet goed meer kon behelpen, aanvaarde Hij dankbaar de wekelijkse hulp van het wit-gele-kruis en gedurende zijn laatste levensdagen de toegewijde zorgen van door hem goed gekende zuster van Oostakker.

Altijd was Hij tevreden, en steeds dankte Hij om de kleinste attentie en JA was zijn schoonste woord aan God en de mensen. Het aanbod om de sacramenten van de zieken te ontvangen nam Hij aan met een volmondig JA. Bij deze laatste ontmoeting met de Heer stichtte Hij al de aanwezigen door zijn bewust medeleven, zijn diepe ingetogenheid en zijn blijde dankbaarheid.

Beste Broeder Alexander, wij zullen Uw stille aanwezigheid in koor, refter en klooster pijnlijk missen, maar toch voelen wij ons getroost en gesterkt door Uw voorbeeld en vooral door één van Uw laatste levensbeloften zoals de H. Kleine Theresia hebt Gij enkele uren voor Uw afsterven de verzekering gegeven dat Gij iedereen van ons bij de Heer wilt gedenken en daar Uw biddende taak zult voortzetten als onze voorspreker en beschermer.

Dank U, geliefde medebroeder voor uw gebed bij de Heer.

Dank U, om al het goede dat wij van U mochten ontvangen.

Een week voor Uw dood, toen wij U arm aan arm uit de refter uitgeleide deden, hebt gij nog met ons meegezongen: ” Wij zijn samen onderweg, alleluia”.

Moge de H. Theresia van Lisieux, patrones van onze kapel en van dit college, U geleiden naar het vaderhuis om er het eeuwige alleluia te zingen

Amen

2. Victor

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog besloten veel jonge lui uit Oedelem te vluchten naar Frankrijk. Victor was één van hen. Bij het begin van hun uittocht, ze waren nog maar aan “’t Vliegende Peerd”, en Victor zag het al niet meer zitten, hij besloot terug te keren. Voor de rest van de oorlog werd hij gerust gelaten.

Hij huwde op 32 jarige leeftijd met Maria Slos (17 januari 1924). Zij was de dochter van Camiel en Melanie Debuysere. Ze had nog 6 broers en 4 zusters. Officieel werd zij geboren op 7 november 1898. Volgens een tante van haar was dit echter niet juist. Eigenlijk werd ze op Allerheiligen geboren. Waarom ze pas een week later werd aangegeven op het gemeentehuis is ons niet bekend. Ze werd geboren in Kruiskerke, Ruiselede. Haar ouders woonden toen in een pachthuisje langs de Zandstraete. Het heeft nu het huisnummer 81. Kort na 1913 verhuisde het gezin naar Doomkerke op de Strokotwijk. In 1919 pachtte Camiel Slos een grote hofstede ( 81 gemet) op de Kasteelhoek in Gevaertstraat te Beernem. Van hieruit huwde Maria met Victor Sierens. In 1936 kocht Camiel Slos een hoevetje ten noorden van deze van zijn dochter Maria. Hij liet er een nieuwe woning op bouwen en kwam er op zijn renten leven. Meelke Debuysere overleed tijdens de oorlog op dinsdag 18 mei 1943. Een jaar later, op 25 maart 1944, stierf Petje Slos door een ongelukkige verkoudheid.

Victor en Maria Slos kregen 12 kinderen. De jongste twee van de bende waren tweeling. Moeder Maria legde hen te slapen in een trog. Deze plaatste ze dan onder de buuzestove. Dit was werkelijk de warmste plaats van het gehele huis. Maria Slos was een strenge maar een goede moeder. Dat was ook nodig met zo’n bende. De mensen uit de Beekstraat noemden haar “de veldgendarm”.

Viktor boerde op het hofstede van zijn vader nabij het Beverhoutsveld. Tijdens WO I had de familie geen paard. Wel hadden ze 2 ossen om te ploegen. Na de oorlog werden Victor en Leon ieder jaar uitgenodigd om met de ossen een wagen te trekken in de Heilige Bloedprocessie. In die tijd was deze nog in de voormiddag. Het was dan ook zeer vroeg vertrekken om op tijd te komen. Na zijn huwelijk kocht Victor een paard. Broer Leon was ook gehuwd maar kon toen nog geen paard kopen. Vader August gaf hem het geld om er ook één te kopen.

Enkele anekdotes:

*       Eens werd Victor tegengehouden door de gendarmes toen hij met zijn fiets naar zijn land “de akker” reed. Er was niets meer dat nog functioneerde aan de fiets. Hij diende wel 7 boetes te betalen.

*       Maria Slos had ook nogal wat ondernemingszin. Eens opereerde ze een big. Of het beestje de operatie overleefde al dan niet weten we niet.

*       Na de 2 de wereldoorlog moest alle geld binnen gegeven worden bij “operatie Gutt”. Iedereen kreeg 2000 fr. nieuw geld. De mensen in Oedelem noemden Victor de rijkste man van Oedelem. Hij kreeg immers 15 keer 2.000 frank.(Pitje, Victor, Maria en 12 kinderen).

*       In 1948 huurde Victor een hoeve in Eernegem om zijn kinderen werk te geven. Verschillende van de kinderen trouwden dan ook in die streek.

*       De oudste zoon studeerde voor veearts, de jongste werd garagehouder. De rest boerde.

*       De jongste zoon Herman ging naar Brugge naar school. Hij had de gewoonte bij thuiskomst zijn fiets in het karrekot te plaatsen. Daar sliepen ook de hennen. Op een morgen werd hij bij het naar school gaan tegengehouden door de rijkswacht. Zijn achterlicht brandde niet. Plots vroeg de rijkswachter: “Wat is dat daar achteraan op je fiets?”. Er zat een hen op te slapen. Toen Herman de hen wilde pakken stoof ze weg. Herman en de rijkswachter liepen achter de hen aan en konden ze vangen. Herman kreeg geen proces verbaal voor zijn kapotte achterlicht.

*       Maria Slos ging ieder week met de tram naar de markt in Brugge. Eens had ze een nijptang gekocht. Ze liet deze op de vensterdorpel van de winkel liggen. Toen ze thuiskwam besefte ze wat ze miste. Zoon Gerard moest in zeven haasten met zijn fiets naar Brugge koersen. Hij had geluk de tang lag er nog.

In 1962 (?) gingen Victor en Maria Slos rentenieren op het hoevetje waar Camiel Slos en Melanie Debuysere nog gewoond hadden. Victor stierf op 9 december 1968. Hij was 76 jaar. Hij stierf door de ouderdom. Zijn lichaam was versleten. Maria overleefde hem nog 21 jaar. Naar het einde van haar leven toe werd ze lichtjes dement en leed soms aan ingebeelde ziektes. Ze werd 91 jaar.

3 Leon

Gedurende de eerste wereldoorlog was Leon in totaal 4 jaar en 3 maand in dienst waarvan 2 jaar 11 maand en 27 dagen aan het front. Zijn stamnummer was 155.6466. Hij behoorde tot de klasse 1914. Op 24/9/1914 werd Leon binnengeroepen. Hij moest zich aanmelden in Lier. Volgens zijn militaire inlichtingenfiche had hij toen een lengte van 1.60m; zijn gezicht was ovaal, zijn huidstint gekleurd; hij had een breed voorhoofd met middelmatige hoogte; zijn ogen waren blauw; hij bezat een rechte neus met horizontale basis- middelmatige lengte en hoogte; middelmatige mond en lippen; een ronde kin; zwarte wenkbrauwen en zwart haar; hij had een litteken aan de aanzet van zijn linkerhand. Leon moest onmiddellijk in actieve dienst. Dat bleef hij tot op 15 oktober 1914. Daarna moest hij een opleiding volgen bij de artillerie in Saint-Lo. Vanaf 25 februari 1916 tot 31 januari 1919 verbleef hij aan het front. Op 1 juli 1918 werd Leon brigadier benoemd. Na de oorlog behoorde hij tot het bezettingsleger in Duitsland (82 ste batterij). Ook hielp hij aan de ontruiming van de soldatenbegraafplaats op het groot kerkhof in Gent. Daarna kon het wat kalmer aan. Hij kon verschillende keren op verlof. Hij zwaaide af op 7 oktober 1919. In de periode voor zijn afzwaai was hij lange tijd in verlof (vanaf 19/8/1919). Hij was lid van de oudstrijdersvereniging VOS Oedelem.

De verschillend regimenten waarin hij diende:

-24/09/1914 in geschreven in het depot in Lier, 11 de regiment 8ste compagnie instructie

-25/09/1915 OJ artillerie in Eu

-08/10/1915 8ste batterie in Eu

-10/10/1915 4de batterie CIA in Eu

-25/02/1916 4de regiment artillerie

-15/05/1916 5de regiment artillerie 82ste batterie

-07/10/1919 onbepaald verlof

-06/06/1921 groupe de reserve

-31/12/1938 definitief verlof

Front periodes:

-24/19/1914 tot 30/09/1914

-01/10/1914 tot 15/10/1914

-25/02/1916 tot 29/02/1916

-01/03/1916 tot 31/01/1919

In de frontperiode deed hij diverse keren vervanging bij andere legereenheden.

-06/11/1917 tot 14/11/1917: vervanging bij 3de batterie 105 Long 6de divisie

-06/02/1918                       vervanging bij 5de artillerie 77 ste batterie

-07/03/1918 tot 11/03/1918: vervanging bij 2de regiment 26ste batterie in Eu

-11/03/1918 tot 04/05/1918: vervanging bij 5de artillerie 77ste batterie

Diverse verlofperioden:

-16/10/1916 tot 17/10/1916 verlof met solde

-06/11/1916 tot 14/11/1916 privé du SS (PSS)

-25/02/1917 tot 13/03/1917 privé du SS (PSS)

-02/06/1917 tot 10/06/1917 verlof met solde

-14/09/1917 tot 27/09/1917 verlof met solde

-15/01/1918 tot 29/01/1918 verlof met solde

-07/09/1918 tot 20/09/1918 verlof met solde

-10/11/1918 tot 15/11/1918 verlof met solde

-04/01/1919 tot 13/01/1919 verlof met solde

-16/04/1919 tot 25/04/1919 verlof met solde

-19/08/1919 tot 26/08/1919 verlof met solde

-28/08/1919 tot 07/10/1919 40 dagen verlof met solde

-07/10/1919 onbepaald verlof

Militaire activiteiten na de oorlog:

-15/11/1921 aanmelding bij DDSDA

-08/11/1923 aanmelding bij D1CA

-15/02/1926 aanmelding bij DA nr. 1
Diverse eretekens:

-4 chevrons de front

-02/05/1917 1ste chevron (25/02/1917)

-03/11/1917 2de chevron (25/08/1917)

-01/11/1918 chevron d’ancienneté

-13/11/1920 4 chevron de front (beslissing van de infanteriecommandant van de 5de divisie 04/11/1920)

-26/06/1919 oorlogskruis met zilveren leeuw

-20/08/1919 overwinningsmedaille

-20/08/1919 herinneringsmedaille 14-18

-08/04/1938 vuurkruiser (aanvraag tot vuurkaart op 04/03/1935)

Leon was een ondernemend man. Na de oorlog dreef hij handel in messen en scharen uit Solingen. Hij reisde naar daar met de trein om voorraden op te halen en hier te verkopen.

In Jabbeke, waar hij later woonde, bestond er onder de bevolking een klucht over hem die zeker niet paste bij zijn verleden. “In het station stond een vrouw en een man te wachten om een ticket te kopen. De vrouw wilde naar Maria Aalter en zei: Maria-Aalter weg en wére. De man die achter de vrouw stond noemde Leon Sierens en had alles goed staan afluisteren. Toen het zijn beurt was zei hij tegen de loketbediende: Leon Sierens weg en wére.”

Leon Sierens huwde in 1923 met Maria Gyssels. Zij was de dochter van Camiel en Louise Minne. De grootvader van Maria Gyssels, Bernard, was de broer van Marie Anna Gyssels, deze was de grootmoeder van Leon Sierens.

Leon en Maria Gyssels hadden samen 11 kinderen. Drie ervan stierven op jonge leeftijd.

Leon boerde zijn gehele leven in Jabbeke. De hoevegebouwen waren steeds goed verzorgd. In de zomer bloeiden er alom bloemen. Leon was een groot bijenliefhebber. Hij was een eenvoudig man. Hij stierf in 1979. Kort voor zijn dood was hij erg dement geworden. Zij vrouw overleefde hem nog 12 jaar. Ze stierf in  1991.

SIERENS CAMIEL

Camiel was de jongste zoon van Bertje Sierens en Ciska Huyghe. Hij was 11 jaar jonger dan zijn broer August. Zijn moeder stierf toen hij 14 jaar was. Lambert bleef achter met zoons August en Camiel. In 1890 huwde August met Idalie Dhondt. Camiel was toen 16 jaar. Vader en zoon bleven op het ouderlijke hoevetje wonen in de Beekstraat. Het gebeurde weleens dat beiden op bezoek gingen bij Amelie Sierens op de Lekkerhoek nabij de kapel op het Beverhoutsveld in Moerbrugge. Amelie was gehuwd met Jean Henneman. In de buurt woonde ook het gezin Francis Wille en Rosalie Van Speybroek en kinderen. Camiel kende hen van in zijn jeugd. Eén van de dochters, Elisa, liet Camiel niet onberoerd. Na de dood van zijn vader, in augustus 1894 bleef Camiel alleen achter op de ouderlijke hoeve. Hij vroeg Elisa ten huwelijk. Gezien Camiel minderjarig was werd er een familieraad gehouden ten overstaan van de vrederechter in Brugge op 22/9/1894. De toestemming voor het huwelijk werd gegeven. Op 3 oktober 1894 huwden zij. De dag voordien werd een huwcontract opgemaakt voor notaris Delanghe uit Oedelem. Het paar vestigde zich in de Beekstraat op de ouderlijke hoeve.

Op 22 februari 1895 werd de erfenis onder de broers, Henri, August en Camiel verdeeld. Dit gebeurde voor de notaris Delanghe uit Oedelem. Ieder kreeg één derde deel. Camiel keerde zijn beide broers uit. Aldus werd hij eigenaar van het hoevetje in de Beekstraat.

Samen hadden Camiel en Elisa 6 kinderen. Ze werden allen geboren op de ouderlijke hoeve.

Na 1906 en voor 1910 kon Camiel de hoeve pachten aan de andere kant van de straat. Deze was groter en met veel mooiere hoevegebouwen uitgerust. Het ouderlijke hoevetje werd verpacht. Diverse pachters volgden mekaar op.

Bij het uitbreken van de 1ste wereldoorlog waren de 2 oudste zoons naar Frankrijk gevlucht. Men hoorde vier jaar lang niets meer van hen. Achiel verbleef in Uthove bij Medard Claeys. Hij werkte er op de boerderij. Hector verbleef bij een boer als paardeknecht. Later verbleven beiden aan het front. Achiel werd erkend als vuurkruiser. Op het einde van de oorlog verbleef Hector in een hospitaal in Parijs alwaar hij verzorgd werd voor een fleurus. Hierdoor kwam hij heel wat later terug naar Oedelem.

Tijdens de oorlog waren er Duitse soldaten op de hoeve gelegerd. De officieren sliepen in de woning. Er was plaats, de 2 oudste zoons waren immers in dienst. Toch kon de familie niet goed omgaan met de Duitsers. Er was immers de wrok tegen hen omwille van hun zoons die aan het front verbleven. Anderzijds was er de taalbarrière. Zo vroegen de Duitsers eens om “zwiebels”. Niemand begreep hen. Toch wilde men hen terwille zijn. Op een bepaald moment kwam moeder zelf aandraven met een pispot.

Op de hoeve was er veel werk. Niettegenstaande er aanvankelijk 5 mannen op de hoeve verbleven waren er steeds diverse meiden en knechten in dienst. Iedereen had zijn eigen functie op de hoeve. De oudste Achiel was de peerdeknecht en Leon trok zich aan van de prijsbeesten.

Zoals zijn broer Henri had Camiel erg veel belangstelling voor goedgevormde runderen. De kalveren kocht hij aanvankelijk bij zijn broer Henri. Toen deze later nog moeilijk weg kon, kocht Camiel de dikbilkalveren her en der zelf bij de boeren. Een heel leven lang probeerde hij de beste prijsbeesten op stal te hebben. Niet zonder succes trouwens. Vele keren behaalde hij ereplaatsen op prijskampen.

Camiel was een erg sociaal man. Men kende hem in Oedelem. Zowel bij de landbouwers als bij het gewone volk was hij erg geliefd. Na de hoogmis, of bij de terugkeer van de markt, durfde Camiel weleens blijven plakken in de herbergen van het dorp. In hun gezin gelde de aloude regel: “vader… en moeder bij de haard”. De boodschappen werden door Camiel gedaan. Was er een uitstap met de boerenbond bv. dan was Camiel er steeds bij. Zelfs toen het de gewoonte werd dat vrouwen ook mee gingen bleef Elisa thuis en Camiel ging alleen mee. Gezien zijn bekendheid besloot Camiel in de politiek te gaan. Diverse keren was hij gemeenteraadslid (o.a. 1934). Hij was ook nog armenmeester van Oedelem. Aldus had hij het beheer over de financiën van de openbare onderstand. Hij moest echter ook zorgen dat er geld in het bakje kwam. In die functie ging hij dan ook rond met de schaal in de kerk. In die tijd bestond er een systeem van bonnetjes die aan de hulpbehoevenden van de parochie werden gegeven. Ieder bonnetje had een waarde van 15 frank. De winkeliers konden deze bonnetjes op het einde van het jaar bij Camiel komen inwisselen. Rond deze periode kreeg men dan nogal wat bezoek op de boerderij. Bij de Leuvense stoof en met de druppelfles binnen handbereik werd er veel gebabbeld.

Kamiel was ook bestuurslid van de eigenaars- en landbouwersbond.

Enkele gegevens in verband met zijn eigendommen:

·        Op 28/03/1934 kocht Kamiel een hoevetje met woonhuis, stallen, schuur, bijhorende tuin en boomgaard en bijhorende stukken land. De stukken grond waren in feite diverse percelen bouwgrond. Het geheel had een oppervlakte van 85a 55ca en was gekend bij het kadaster onder de nummers 1073, 1085, 1086, 1087. De eigendommen waren gelegen aan de zuid zijde van de Beekstraat. Het nummer 1073 paalde met de oostzijde aan de eigendom van Kamiel. De eigendom behoorde toe aan de erfgenamen van Charles Louis Neyt en Nathalie Gailliaert. Kamiel betaalde er 53400 frank voor zonder inbegrip van de kosten. De verkoop gebeurde openbaar. Victor Sierens, de zoon van zijn broer August, was ook bieder. Beide familieleden boden tegen mekaar op. Victor was de voorlaatste bieder. Camiel was daarvoor lange tijd niet welgezind.

·        Een woonhuis met afhankelijkheden gelegen in de Akkerstraat in Beernem, gekend bij het kadaster sect A nr. 683; 684; 685a; 685b en 686a met een totale oppervlakte van 63a 15ca. Deze eigendom werd bij de verdeling op 6 september 1945 toegewezen aan Madeleine Sierens. Op 31/3/01953 verkocht deze de eigendom aan haar broer Achiel voor de som van 110000 frank. In 1953 werd de woning bouwvallig genoemd.

·        Een partij land met een oppervlakte van 80a 20ca gekend bij het kadaster 2de afdeling sect E nr. 1066 en 1067. Op 6/09/1945 werd de partij aan Leon toegewezen. Bij zijn dood was er een testament waarin hij al zijn eigendommen aan zijn broer Achiel schonk.

·        2 partijen land sect E 1065 en E 1068 ( 36a80ca en 44a90ca ) aangekocht tussen 1920 en1923
DE KINDEREN

1.ACHIEL

Aanvankelijk zag er naar uit dat 3 zoons van Camiel niet zouden huwen. Het was niet omdat Achiel wat achterlijk was dat hij niet huwde. Integendeel. Hij zag de vrouwen heel graag. Toch was hij 50 jaar toen hij de 19 jaar jongere Germaine Peceu ontmoette. In 1940 was deze weduwe geworden van Wille Henri. Deze was gewond geraakt bij een bombardement. Hij stierf aan zijn verwondingen in Brugge op 7 juni 1940. Zij hadden een dochter Henriette. Zij waren familie van moederszijde. Achiel en Germaine huwden in Oostkamp op 12 september 1945. Op de vooravond van hun huwelijk schoot broer Leon met oorlogsmunitie, kwestie van de feestelijkheden aan te kondigen. Munitie was er in die tijd genoeg voorhanden gezien de slag om Moerbrugge nog niet zolang voorbij was.

Achiel was ook oudstrijder van 14-18. Hij werd erkend als vuurkruiser. De jaren aan het front kon Achiel nooit vergeten. In herbergen zat men soms met hem te lachen in de zin van:” Wat zoudt gij gedaan hebben tijdens de oorlog, weglopen naar Frankrijk, dat ja”.

Chille bleef boeren op de ouderlijke hoeve. Alles ging nu veel beter. er was nu weer een vrouw in huis om eten te koken voor zijn oude vader, broer Leon en hemzelf. Moeder was immers het jaar voordien gestorven. Het leven ging verder zijn gewone gang. Er werden verder prijsbeesten gekweekt. Er was een dekstier op de hoeve. Er was nog steeds veel werk op de boerderij. Men kon niet zonder knechten. Diverse boerezoons uit de omgeving kwamen er een centje bijverdienen (o.a. Michiel Sierens). Ieder jaar ging Achiel de pacht betalen bij de eigenares in Zwevezele. Hij maakte er steeds een gehele dag van. Het begon steevast in het café naast de woning van de eigenares. Een van zijn laatste haltes was dan de herberg van Camilla Sierens in Beernem. Vandaar naar huis was het niet zover meer, gelukkig voor hem.

Naast Henriette, die opgevoed werd als eigen dochter kwamen er nog 2 kinderen bij: Denise en Roger. De tijden veranderden erg snel. Toen zoon Roger rijp genoeg was om de boerenstiel verder te zetten kon de oude boer niet meer mee met de nieuwe trend om een landbouwbedrijf te runnen. Voor Achiel mocht alles gerust blijven zoals het was.

Germaine Peceu stierf in 1975 op 61 jarige leeftijd. Achiel stierf in 1981. Hij was 86 jaar geworden.

2. HECTOR

Hij bleef zijn gehele leven ongehuwd. Toch was hij een levendig man. Hij hielp zijn moeder veel in het huishouden. Gedurende de oorlog was Torke 4 jaar van huis weg. Eerst was hij naar Frankrijk gevlucht, later verbleef hij aan het front achter de IJzer. Na de oorlog vertelde Hector dikwijls dat hij geen 2 keer kon sterven. Tijdens de oorlog waren zeer veel van zijn kameraden aan tyfus gestorven. Later werden ze daartegen ingeënt. Na de oorlog verbleef hij lange tijd in een hospitaal in Parijs omwille van een fleurus.

Hij was ook paardemeester van de oude stempel. Hij verkocht zalfjes en poedertjes voor paarden, runderen en varkens aan de boeren van Oedelem.

Torke stierf op sinksendag 1944. Voor de middag had hij nog de soep helpen doorsteken. Na de middag legde hij zich wat het bed om te rusten. Hij werd nooit meer wakker. Zijn moeder vond hem. Een slachter die veel bij de familie aan huis kwam ging het nieuws mededelen aan zuster Madeleine. De dag voordien hadden de geallieerden het hoofdkwartier van de Duitsers in St. Michiels intens gebombardeerd. Chille en Leon waren gaan kijken. Toen ze thuis kwamen was Torke dood. Moeder Elisa had enorm veel verdriet over de dood van haar zoon. Elf maand later stierf ze door verdriet overmand.

3. MARIE LOUISE

Op 4/2/1921 gaat zij in Bellem wonen.

In 1931 huwde ze op 32 jarige leeftijd met Richard Keerman. Op dat moment had zij een 14 jarige zoon André (in 1917 werd zij 18 jarige leeftijd ongehuwde moeder). André was de vrucht van een jeugdliefde tussen Marie Sierens en de buurjongen Verhegge of Vereecke van de hoeve waar nu Raymond Leers woont. Dikwijls stak de jonge moeder haar kind omhoog om het te tonen aan de buren. Tussen beide families was hierdoor een vete ontstaan. De ouders Verhegge verhuisden in de jaren twintig naar de polders. Het kind werd door haar huwelijk erkend en kreeg de naam Keerman. André had een nogal bewogen leven. Hij was nog renner. Eens reed hij rond met zijn fiets in de dakgoot. Reeds erg jong ging hij werken bij een patissier in Brugge. De baas was reeds op gevorderde leeftijd. Hij dacht eraan zijn zaak over te laten. Hij sprak erover met André. Deze was akkoord en ging thuis geld vragen. Er kwam ruzie van. Zijn stiefvader smeet hem buiten. Hij mocht niet meer in huis komen. Hij sliep dan maar op de hooizolder. Daar ontstond er een vechtpartij tussen Richard en zijn stiefzoon. De vader verwittigde de gendarmes en deze plaatsten hem in Beernem. Door een stropersaffaire aldaar werd hij overgeplaatst naar Geel. Zijn moeder overleefde dit allemaal niet zo lang meer. Zij stierf in 1944.

Richard Keerman was landbouwer in de Zomerweg West nr1 in Oedelem.

4. JEROME

Jerome huwde op 6/7/1936 met Huyghe Alice. Zij was de dochter van August en Sylvie Vesschemoet. Hun ouders waren neven (de grootmoeder van Jerome, Francisca Huyghe, was de zuster van de grootvader van Alice Huyghe). Zij konden zich vestigden op het hoevetje in de Beekstraat waar Bertje Sierens nog gewoond had. Jerome stierf op 83 jarige leeftijd in 1983. Zijn vrouw werd 90 jaar. Zij stierf in 1996.

Samen hadden ze één dochter, Cecile, en één kleindochter. Deze laatste kwam begin de jaren tachtig op het oude hoevetje wonen. Ze bouwden er een nieuwe woning. Na de dood van Alice Huyghe werden de oude gebouwen afgebroken (1997).

5. LEON

Leon bleef ook ongehuwd. In zijn jonge jaren was Leon nog verliefd op de zuster van Alice Huyghe, de vrouw van zijn broer Jerome. Het gezin Huyghe woonde in die tijd langs de Groenestraat. Men noemde de familie Huyghe “Cas”, Zulma Cas, etc. Er waren 4 dochters waarvan er 2 gehuwd waren. De 2 andere, Zulma en Camilla, runden er verder de boerderij (Zulma was er de paardeknecht). Leon was verliefd op Camilla. Ze konden echter niet huwen daar de boerderij niet vrij was. Zulma bleef er immers de plak zwaaien. Daar bleef het ook bij en beiden bleven ongehuwd.

Leon was de man die zich op de hoeve bezighield met de prijsbeesten. Hij stierf op 70 jarige leeftijd door tuberculose (30/1/1974).

6. MADELEINE

Ze huwde op 32 jarige leeftijd met Julien Hudders. Deze was een telg uit een molenaarsfamilie. Een voorvader van hem was rond 1750 vanuit de streek van Maastricht naar Oedelem gekomen als schaapherder. De familie was lange tijd molenaar geweest. De molen werd echter tijdens de eerste wereldoorlog van zijn wieken ontdaan omdat de Duitsers bang waren dat er seinen mee konden worden gegeven.

Kort na hun huwelijk brak de 2de wereldoorlog uit. Het molenaarsbedrijf werd door de Duitsers bezet. Er lagen vele soldaten ingekwartierd. Ze sliepen er in bedden 4 boven mekaar. Ook op de zolder sliepen er soldaten in het stro. In oktober 1940 zagen de Duitsers Madeleine rondlopen met een dikke buik. Ze zagen haar weggaan en terugkeren met een kind.

Oscar Valcke was jarenlang inwonend knecht in het bedrijf. Hij was wees. In 1931 kwam hij er werken. In 1998 werkte en woonde hij er reeds 67 jaar.

Julien Hudders stierf in 1989. Nu beleven Madeleine Sierens en Oscar Valcke samen een gelukkige oude dag. Ze steunen mekaar en beredderen samen het huishouden. Ze hebben geen relatie. Toch straalt er een grote harmonie uit tussen hen beiden.