JanFr-Vanacker

Voor stamboom: zie jong nr 53

Jan Francis en Janssens Joanne Therese en Vanacker M. Th

     Op 21 november 1830 werd Joannes Francis Sierens geboren in Zomergem als zoon van Charles en Sophie Demeyere. Het was een arm gezin. De kinderen moesten bij de boeren gaan werken. Zo ook verging het Jan Francis. Eenmaal volwassen vertrok hij naar de streek van Eeklo-Lembeke-Kaprijke. Hij werd er schaapherder. Zijn gehele leven lang hoedde hij schapen in de grensstreek tussen Zeeland en België.

Jan Francis huwde in 1859 op 29-jarige leeftijd met de toen 11 jaar oudere Joanne Thérèse Janssens. Zij was uit St. Margriete afkomstig. Na 15 jaar huwelijk stierf ze in Eeklo op 7 mei 1874. Zij was 55 jaar. Jan Francis bleef achter met 2 kinderen: Charles Louis 14 jaar en Henri 11 jaar. Een derde kind Clemence was op de ouderdom van 4 maand gestorven. Jan Francis rouwde niet zolang. Hij kon de 20 jarige Marie Thérèse Vanacker verleiden met hem te huwen. Dit gebeurde 4 maand na het overlijden van zijn eerste vrouw. Jan Francis was toen 44 jaar. Bij zijn tweede vrouw kreeg hij nog 6 kinderen. Toen zijn jongste zoon geboren werd was hij 61 jaar.

Jan Francis was schaapherder tijdens de zomermaanden. Hij hoedde de schapen van boer Boute in St.Margriete. De schapen liet hij grazen langs de brede wegbermen op “het eiland” in het grensgebied tussen Waterlandkerkje en St. Margriete. In de nabijheid stond nog een andere schaapshofstede, deze van boer Smidt. Het gebeurde wel eens dat beide schapenkudden bijeen kwamen. Het was toen een hele klus deze weer te scheiden. Volgens oude verhalen zou Jan Francis aldaar een dochter verwekt hebben bij een andere vrouw. De dochter zou Jeannine genoemd hebben en lange tijd een café uitgebaat hebben in Waterland Oudeman. In de winter knapte hij diverse karweien op. (oa in 1890 was hij houtzager.)

Op 1 augustus 1857 verhuisde hij van Kaprijke naar Eeklo. Hij bleef er wonen tot ca 1880. In die jaren verhuisde hij naar St. Laureins.(Camer14 sectie B, Oosthoek). Zijn vrouw had een herberg ” het Hertegat”. In die tijd was hij de bezitter van een koe. Vanaf 20/11/1888 verblijft Jan Francis een periode in St Kruis Nederland. In april 1889 verhuist het gezin naar Maldegem in de Vlotweg nabij Moerhuize. Hij woont er op de wijk Strobrugge in de nabijheid van de vaart, een ideale plaats om schapen te hoeden. De familie was ook nogal actief bij het smokkelen gezien de nabijheid van de Nederlandse grens. Vanacker Marie Thérèse hield er een herberg open (1895) nabij het douanekantoor, wat nogal wat voordelen met zich mee bracht bij het smokkelen. Volgens de bevolkingsboeken woonde Jan Francis in de periode 1900-1910 in Maldegem maar met een tweede verblijfplaats in Aardenburg. Op 21 februari 1910 verhuist hij officieel naar Aardenburg, Landstraat. Zijn vrouw Marie Therese sterft er in maart 1914. Zij was 60 jaar. Na de dood van zijn vrouw komt Jan Francis bij zijn zoon Juliaan wonen in Aardenburg. Jan Francis ging dikwijls naar Brugge. Soms ging hij te voet, soms kon hij mee met een plaatselijk voerman. Op 7 oktober 1914 wordt hij voor de eerste keer opgenomen in het St. Janshospitaal te Brugge. Na zijn ontslag uit de kliniek woont hij bij zijn zoon Theophiel in de Brieldreve in Maldegem. In die dagen was het onmogelijk de grens met Nederland te overschrijden gezien de eerste wereldoorlog. Begin november 1916 had hij een grote verkoudheid opgelopen op de voermanskar. Twee dagen voor zijn dood werd hij opnieuw opgenomen in het St.Janshospitaal. Hij sterft er op 13 november 1916. Hij is 86 jaar.

Jan Francis was een levenslustig man. Zijn kinderen eveneens. Ze gingen al zingend door het leven. Zij durfden ook nogal eens uit te gaan. Jan Francis was echter bang van vechtersbazen. Daarom nam hij zijn zoons nogal eens mee naar de kermissen in Nederland.

  • Een stukje geschiedenis van Strobrugge (Heemkundige bijdragen Meetjesland 1988 nr1 pg 30)

 De oorspronkelijke stenen bruggen (deze van voor WOII) werden omstreeks 1852 gemetseld. Deze beide bruggen vlogen op 10 november 1914 in de lucht. Daarmee werd het vluchten naar Nederland bemoeilijkt. In 1915 waren de bruggen voorlopig hersteld. Een electrische draad aan de grens schrok de meeste vluchtelingen voldoende af.

Na de oorlog werden in Srobrugge noodbruggen aangelegd. Men had zelfs een jaar aan een brug gewerkt die te krom lag en moest afgebroken worden. In 1921 kon dan toch een noodbrug in gebruik genomen worden. Ze was zeer smal, twee karren konden mekaar niet passeren, de tramrails lagen in het midden. Ondertussen begon men de nieuwe stenen bruggen te bouwen. Eind maart 1923 waren deze afgewerkt.

  • Landarbeiders in Zeeland. 

Buiten de dorpen lagen de hofsteden, vaak aan het zicht onttrokken door hoge bomen met volle kruinen. Ze werden bewoond door de hereboeren die een leven leidden als vorsten. Koningen van het eigen stuk land, met onderdanen die voor ze werkten, lange, lange dagen. De hereboer betaalde zijn personeel keurig elke week, meestal op zaterdag. Nooit teveel, vond hij. Altijd te weinig, vond het personeel. Maar die laatsten konden kiezen of delen en dus deelden ze en zeiden ze op de betaaldag altijd:” Dank U wel, m’neer!” En als ze dan -kapot van vermoeidheid- naar huis liepen, met wat guldens in de zak en wat boter, kaas of melk, wisten ze diep in hun hart ook wel dat ze het nog niet zo slecht getroffen hadden. Ze hadden werk en iedere week geld. En vaak ook nog een eigen huisje, al werd de huur daarvoor dan ook afgetrokken van het weekloon.

Er waren landarbeiders die niets moesten hebben van vast werk. Ze vonden dat je dan als een slaaf was en veel te gebonden aan je patroon. Ze zeiden:” een vasten errebeier is een vasten erremoe”! Daarom wilden ze vrijheid en het lot in eigen handen hebben. De onzekerheid namen ze voor lief. In de winter was het vaak sappelen en honger lijden maar als de vrouw des huizes een beetje handig en zuinig was, dan was het bestaan best uit te houden. Vooral van april tot oktober was er werk in overvloed op het land. Wieden, maaien, oogsten, kanthooi snijden, peeen trekken, spitten, suikerbieten rooien, stro kammen. Wie keihard werkte, weinig pauze nam en langer doorging dan de vaste arbeiders, kon meer verdienen en wat voor de winter opzij leggen. Een bijkomend voordeel was dat je je eigen verdiensten enigszins kon bepalen- vooral als je goed was- want wilde één boer te weinig betalen dan was er, vooral in het oogdstseizoen, altijd wel een ander die beter betaalde. Niet veel beter natuurlijk, want de hereboeren waren ook niet gek. Die hadden onderling kontakt en legden de lonen vast. Maar toch, de losse arbeiders vonden alles beter dan de slavernij.

In de winters was er vaak maar bar weinig werk en dus geen geld. Wie een beetje vooruit had gedacht had in de lente een biggetje gekocht dat in november was vetgemest. Dat was het moment om het beest te slachten. Het leverde in de meeste gevallen genoeg vet, reuzel, worst en vlees op om het menu wat variatie te bezorgen en om de schulden die er altijd waren, af te betalen. Verder leverden de akkers en de moestuinen de groenten, de aardappels en het brood. De geit en de kippen zorgden voor melk, boter,kaas en eieren.

Vanwege het dagelijkse strakke keurslijf van werken, werken en nogeens werken en zondag ten minste 2 keer naar de kerk, was een flink robbertje vechten en een flinke hoeveelheid alcohol een heerlijke afwisseling. Zulke vechtpartijen tussen dorpelingen onderling, in de herberg of in open veld waren eerder regel dan uitzondering.

Zo trots dat men was op het eigen mes, zo was men ook op de eigen klederdracht. Ieder Zeeuwse vrouw droeg een dikke laag rokken, een lijfje, een beuk, een halsketting van bloedkoraal met gouden slotje en een mutsje. De mannen droegen een dikke klepbroek, zwart of grijs, met broekstukken, een vest, een zwarte korte jas en een pet. Meestal een oorbel en in de mond de onvermijdelijke pijp.                               uit “Het Zeeuwsch Vlaanderen van weleer”

Zijn kinderen:

 1. Charles Louis.

Hij werd geboren op 17 juli 1860 om 12 uur ‘s nachts. Hij bleef ongehuwd. Op 22 oktober 1886 verlaat hij de ouderlijke woning in St.Laureins om zich in Eeklo te vestigen. Hij is er dagloner. In zijn jonge jaren vermoorde hij zijn verloofde. Deze bedroog hem langs alle kanten. Toen hij eens op bezoek was bij Theophiel bracht hij zijn verloofde mee. Lena hoorde vanuit de kamer hoe zij Charles Louis zaken probeerde af te troggelen. Zij bedroog hem ook met een ander. De moord gebeurde in Lembeke(?). Na de moord hield hij zich een tijd verborgen in de bossen van Kleit. Rond 1914 (?) kwam hij vrij uit de gevangenis door een gratiemaatregel en voor goed gedrag. Vanaf toen mocht hij niet meer in een kring van een bepaald aantal kilometer rond Lembeke komen. Louis praatte er nooit over. Hij formuleerde het als volgt: ” Wat mij overkomen is….”. Voor de rest van zijn leven trok hij rond van de ene boerderij naar de andere, steeds de stempel van moordenaar met zich meedragend.

Op 25/7/1919 vertrekt hij vanuit Eeklo naar Antwerpen, Loostraat, naar zijn zuster Clementine. Zij leefde gescheiden van haar man. In 1920 duikt hij opnieuw op in de streek, deze keer bij Devogelaere Adolf in Maldegem-Burkel. Op 18/11/1920 vertrekt hij weer naar Antwerpen. In de volgende jaren verbleef hij bij een grote boer in Frankrijk. Hij drong er dikwijls op aan bij zijn broer Juliaan met hem mee te gaan. Deze laatste was echter nogal honkvast en bleef liever in de streek van Aardenburg.

Charles Louis kwam veel op bezoek bij zijn broer Theophiel in Maldegem. Hij had altijd zijn vuile was mee, samengebonden in een laken en aan een stok hangende zo over zijn schouder.

Op 29/09/1936 verlaat hij Maldegem en gaat naar Wondelgem. In 1940 verblijft hij als kostganger in het klooster van Evergem. Op 21 juni 1940 werd hij opgenomen in de kliniek in Gent. Hij sterft er dezelfde dag. Hij is 80 jaar geworden. 

  1. Henri 

Herri bleef lange tijd ongehuwd. Zijn gehele leven was hij rondtrekkend dagloner. Hij verbleef nogal veel in de streek van Lembeke, Sleidinge, Oosteeklo, Bassevelde. Dit was de geboortestreek van zijn stiefmoeder Vanacker Marie Therese. In 1920, op 56 jarige leeftijd, huwt hij met Debuck Marie Christina. Zij was eveneens ongehuwd, 1 jaar ouder dan Henri en pastoorsmeid in Lembeke. Zeven jaar later reeds stierf zij op 65 jarige leeftijd. Zij woonden toen in Lembeke, Ongereehoek 6. Op 2 juli 1928 werd hij opgenomen in het klooster van Bassevelde in de Assenedestraat. Hij sterft er in 1949. Hij is dan 86 jaar.Kerkhof int

  1. Clemence

Zij stierf toen zij 4 maand was.

  1. Clementine:

De derde was een dochter: Clementine. Ze was nogal een vlugge en hield de herberg van haar ouders open op Strobrugge nabij de Nederlandse grens alwaar zij leefde in het wereldje van douaniers en smokkelaars. Op die manier kon men veel geld verdienen met smokkelen. De papieren opmaken om biggen te smokkelen was blijkbaar haar specialiteit. Zij huwde op 19 jarige leeftijd met Debaets Theophiel. Zij was fabriekswerkster. In de periode 1904-1910 woonden zij in Brugge. In hun huwelijk boterde het blijkbaar niet zo goed. Clementine vertrok naar Antwerpen. Ze verdiende haar brood als meisje van plezier. Later hield zij een prostitutiehotel open in Antwerpen. Boven de bar van het hotel stond een papegaai. Toen één van de broers eens op bezoek ging riep de papegaai:” de pastoor is hier ook geweest.” Waarvoor kwam die pastoor eigenlijk naar dat hotel? In 1930 werd de scheiding uitgesproken. Tine  woonde samen met een slachter. Zij naam was vermoedelijk “Lacroix”. De man was een harde werker. Hij kon nogal nijdig te keer gaan tegenover zijn werkvolk. Vital, de zoon van Juliaan, werkte als 16-jarige bij hem. Hij kon het niet aan dat zijn oom zo hard en bruut was en kwam terug naar Aardenburg. Nadien drong Clementine er nog dikwijls op aan terug naar Antwerpen te komen. Vital had er zijn buik van vol en weigerde. Zelf was Clementine ook eens weggelopen thuis. Ze kwam bij broer Juliaan in Aardenburg. Haar man kwam haar echter terug halen.

Clementine kwam veel op bezoek bij haar broers in Aardenburg en St.Kruis. Soms kwam zij met een zware moto. De slachter aan het stuur en Clementine achterop. Zij kwam bijna nooit bij Theophiel in Maldegem. Theophiel wilde Clementine niet meer zien omwille van haar beroep. Op zijn sterfbed wilde hij vrede sluiten met zijn zuster. Men zond een telegram naar Antwerpen en de verzoening geschiedde.

Tijdens de tweede wereldoorlog was er hongersnood in Antwerpen. Tine had het moeilijk. Zij zag zich genoodzaakt haar katten op te eten. Haar 2de dochter Angèle verbleef in die periode bij de familie Theophiel Sierens. Zij was weduwe van Thys Ferdinand. Angèle huwde later met Debie Emiel. De man was politieagent in Maldegem. Tijdens de oorlog heulde hij mee met de Duitsers. Hierdoor moest hij na de oorlog Maldegem verlaten. Angèle stierf na de operatie van een “vleesboom”. Clementine had nog 2 andere kinderen: Yvonne en Herman.

Clementine stierf in Antwerpen op 19 november 1947. Zij stierf met de krant in haar handen en de voeten op de kachel. Zij was 71 jaar. In Moline USA werd een bidprentje gedrukt ter harer nagedachtenis.

Debaets Theophiel herhuwde met Vandewalle Pelagie. Hij was smid in Eeklo. Bij zijn overlijden in 1945 woonde hij in de Schaperijstraat nr. 4.

  1. Theophiel.

Hij huwde op 24 jarige leeftijd met Devogelaere Helena. Zij was de dochter van Joannes en Pollier Rosalie. Haar ouders waren vrij arm. Zo werden hun kinderen in het midden van een stormachtige nacht wakker gemaakt om dennenaalden te rapen voor brandhout in de kachel. Twee van haar broers emigreerden naar Amerika. Bij hun huwelijk in 1904 gingen Theophiel en Lena op het Vossenhol in de Schoutenstraat 116 wonen. Daar woonden zij in bij de ouders van Lena. Op 1 november 1916 verhuisden zij naar de Brieldreve nr. 36. Op 1 mei 1920 moesten zij daar buiten. Zij verhuisden ditmaal naar de Oude Gentweg nr. 1 op de Kattenhoek. Dit huis, dat hun definitieve woonst zou worden, kochten zij van biersteker Julien Hoorebeke. Het was een heel stevig huis met dikke muren en stenen gewelven in boogvorm gemetst. De gewelven werden steeds geschilderd met olieverf. Bij zijn huwelijk was Theophiel aardwerker, later werd hij spoorwegarbeider. Hij was “chef-pioche”. Hij stond in, met een ploeg arbeiders, voor het onderhoud van een stuk spoorweg. Theophiel stierf op 66 jarige leeftijd door een longontsteking (fleurus). Zijn vrouw Lena overleefde hem nog 27 jaar. Zij stierf in 1971 in Brugge, St.Janshospitaal. Zij was 91 jaar.

Samen kregen zij 5 kinderen, waarvan de oudste Gustaaf stierf toen hij 1 jaar oud was. De 2de zoon Edgard was schrijnwerker en woonde in Maldegem Bogaerdestraat 74. In zijn jeugd werd hij gebeten door een zwarte hond. De hond wilde niet ophouden met blaffen doordat er een egel in zijn hok zat. Edgard gaf hem een schop en de hond beet in zijn kaak. Edgard hield er een ernstig litteken aan over. Hierdoor noemde men hem “kake Sierens”. Hij huwde met Deneve Alice, deze was weduwe van Claeys Urbain, die stierf in Brugge op 8 mei 1927. Zij had een kind Claeys Agnes. Agnes was een voorkind. Niettegenstaande Urbain Claeys uit een zeer christelijke familie kwam waren zij in hun voorhuwelijkse relaties wat te ver gegaan. Urbain mocht niet huwen voor het kind geboren was. Je wist maar nooit dat het kind doodgeboren werd….Later had Agnes weer troef, ditmaal met André. Edgard was een harde werker. Hij had wel een opvliegend karakter (dit had hij van zijn moeder), maar was alles seffens vergeten. Moeder Alice kon erg moedig blijven ondanks tegenslagen. De derde zoon Medard was schrijnwerkersbaas en woonde Bogaerdestraat 19. Hijzelf en zijn vrouw Maria Willems waren harde werkers met een erg gesloten karakter. Lange jaren had Maria soms schele hoofdpijn. Ze had een blind vertrouwen in “poeders Mann”. Ze nam er veel teveel. Hierdoor bouwde ze een zekere immuniteit op tegen andere geneesmiddelen. Dit werd haar fataal. De vierde zoon Bertrand was aanvankelijk houtzager. Later werd hij letterzetter in een drukkerij van “Vrij Maldegem”. Hij stierf door een hartaanval. Hij woonde in de Brielstraat 94. De jongste telg noemde Rachel. Bij haar was het nogal de zoete inval. Boerenbrood met hesp stonden nogal veel op het menu bij familiebezoek. Haar eerste man Remi Timmerman, landbouwer, was een ziekelijk man. Hij stierf op 45-jarige leeftijd door kanker. Tijdens de oorlog 40-45 was de familie goed bevriend met de Duitsers. Ze boerden nabij het vliegveld. Hun boerderij werd ervoor onteigend. Remi en Rachel kregen hiervoor heel veel geld. Na de dood van Remi werd Edgard voogd over de kinderen. Rachel hertrouwde met de 35 jaar oudere weduwnaar Eduard Debacker. Deze was Nederlander. Hierdoor verloor Rachel de Belgische nationaliteit. Drie dagen na dit huwelijk legde zij een verklaring af teneinde de Belgische nationaliteit te kunnen behouden. Haar tweede huwelijk was een huwelijk voor het geld. Vooraleer te huwen vroeg Rachel 1 miljoen frank cash. Edward werd niets tekort gedaan. Terwijl Rachel op zondagnamiddag op zwier ging met haar minnaar de gendarm, zette zij de koeken en de wijn klaar op tafel voor Eduard. Eens was kozijn Vital aan het werk op het land van een boer nabij Middelburg. In de nabijheid was een klein bosje. Geruime tijd zag Vital er een auto staan. Plots verscheen Rachel met haar minnaar. Ze schaamde zich niet en wuifde hartelijk naar Vital. Na 17 maanden huwelijk werd Rachel opnieuw weduwe. Eduard Debackere was zeer rijk. Rachel kreeg haar deel naast zijn 8 kinderen. Later had Rachel nog een relatie met Briek Beernaert, deze moest echter van geen huwen weten. Zij had zes kinderen, Liliane, Ylona, Georges, Charline, Jacky en Eddy.

Lena was nogal een nijdig vrouwtje. Thuis was zij de baas. Enkele anekdoten:

  • Lena stond steeds in het middelpunt van de belangstelling. Zij was een echte lachebek. In een gezelschap van bijvoorbeeld 20 man was zij steeds de vedette. Haar man Theophiel moest trouwens niet onderdoen.
  • Zij kon haar kloefen wegschoppen en zo iemand treffen.
  • Soms vloekte ze: “nonmillie jyp”.
  • Haar man ging in de beginjaren teveel op herbergbezoek. Ze wou het hem afleren. Ze trok het café binnen waar haar man vertoefde. Ze bleef aan de toog staan en bestelde een dreupel, daarna nog één, en nog één, en nog één, tot haar man naar haar toekwam en zei: “Kom Lena, we zijn weg”.
  • Zoon Edgard durfde ook wel eens een pintje drinken. Lena ging dan ‘s avonds kijken of hij wel thuis was. Ze verplichtte dan Alice Deneve om erom te gaan.
  • “Sierens, dat was een brave vent” zei ze dikwijls.
  • Zij was bang voor klopgeesten die ‘s nachts op de deuren en de luiken kwamen kloppen. Dit gebeurde werkelijk zei ze. Op een keer had zij deuren en luiken ingesmeerd met stront om de klopgeesten te foppen.
  • De papegaai die vroeger eigendom was van Clementine verbleef na 1947 bij Lena. Bij het bieden (kaarten), bood hij mee. Het gesprek kon als volgt verlopen:

Lena: honderdtwintig

Papegaai: honderdvijftig

Lena: gij moet zwijgen

Papegaai: honderdvijftig

Lena: zwijgen!!

Papegaai: ik wil gaan slapen

Toen werd een zwarte doek over de kooi gelegd. Daarna zat de papegaai nog wat te prutsen aan de rand van het doek.

  • Eens dacht Lena dat ze zou sterven. Ze lag in bed haar paternoster te lezen. Kleinzoon André en nog anderen waren op bezoek. Plots smeet ze haar paternoster door de kamer en zei:” Nè, t’is toch geen avance.” Daarna leefde ze nog 3 jaar.
  • Lena woonde op een boerderijtje waar er aanvankelijk veel land bij was. Er werd veel van verkaveld. In 1936 werd grond onteigend voor de nieuwe weg (Koningin Astridlaan). Lena en Theophiel hielden zich stug bij de onteigening. Hierdoor kregen zij meer geld voor hun grond.
  • Op het erf liep zeer veel kleinvee, konijnen, kippen, ook geiten en zwijnen.
  • Er gingen altijd worsten in kringen aan de balken te drogen. Iedereen die kwam MOEST eten, worsten of een boterham met hesp.
  • Op een tafeltje naast de inkomdeur stond steeds een dreupel klaar met de fles ernaast voor de postbode.
  • Lena kon soms verachtelijk naar iemand spuwen. Een kleindochter lag eens te bruinen in de zon. Mitje ging daar niet mee akkoord en spuwde naar haar.
  • Soms werd ‘s avonds de paternoster gelezen. Eén persoon moest voorbidden, de anderen nabidden. Onder het bidden werkte Lena verder in het huishouden. Wees gegroet Maria, laat dat gerust gij, vol van genade…..
  • Haar geld bewaarde ze tussen haar onderroks, ofwel ingenaaid, ofwel in een beugel hangende aan een touw rond haar middel gebonden.
  • Lena was heel wantrouwig. Ze was bang bedrogen te worden “Aan jezelf ken je een ander” luidt het spreekwoord.
  • Lena was een beetje kaal, daarom droeg ze een haardotje in het haar. Men noemde dit een muis. De muis was bruin en haar eigen haren wit. Ter gelegenheid van een huwelijksfeest kreeg ze een pruik.
  • Eens was ze bezig met de voorbereidingen voor het braden van een haan. Deze stond op tafel. De kat was ermee weggelopen.
  • Lena had steeds tymoen (tijm) in haar handtas, voor de goede geur.
  • Bij hun huwelijk bezaten ze enkel een broodmes en vijf frank (aldus Lena).
  • Lena geloofde dat de eksters boodschappen overbrachten. Eens was Lena weg. Voor haar voeten zaten eksters te krabben in de aardeweg. Later vernam zij dat de gezondheidstoestand van haar man erg verslecht was. De eksters hadden haar die boodschap willen overbrengen.
  • De kleinkinderen, elk om beurt, kwamen iedere nacht bij “mitje Sierens” slapen.
  • Bij het huwelijk van schoonbroer Henri met Debuck Marie was de commentaar van Lena: “Dwazekop, wat die wil doen”.
  • Kleinzoon André kreeg eens slaag van meester Bob Vanhecke. Hij vertelde dit aan “mitje Sierens”. Hij zei niet dat het was omdat hij de fietszakken van meester Vanhecke gevuld had met afval. Lena werd boos en ging naar de schoolmeester. Ze had een paraplu bij. Ze trok Bob Vanhecke bij de nek met de parapluhaak naar zich toe.
  1. Gustaaf:

Staf werd geboren om 1 uur ‘s morgens. Hij was zijn gehele leven boereknecht.

In zijn jeugd was Staf nogal een vechtersbaas. Op kermissen gingen zij vechten tegen de sluisenaars. Eens had hij een paal uitgetrokken om ermee te slaan. De volgende dag klaagde hij dat zijn handen pijn deden van ermee te slaan.

Kort voor de oorlog 14-18 werd Gustaaf opgeroepen om zijn kamp te doen in Antwerpen. Bij het uitbreken van de oorlog vluchtte hij naar zijn thuis in Nederland. Aldus kon hij aan de wrede oorlog ontsnappen. Op 4 februari 1901 was hij als vrijwilliger bij het 6e regiment artillerie toegetreden (comme volontaire avec prime). Zijn lengte was toen 1m747. Hij had een rond gezicht, klein voorhoofd, bruine ogen, puntige neus, kleine mond, ronde kin, blonde haren en wenkbrouwen. Zijn legerdienst zou op 1 oktober 1901 beginnen. In de periode 22/7/1903-2/6/1904 verbleef hij in Merksem (volgens de maldegemse bevolkingsboeken om er zijn legerdienst te vervullen).

Hij huwde in 1906 met Snauwaert Sofie, dochter van Ambrosius en Vandebrugge Barbara. Deze had een onwettig kind. Bij hun huwelijk erkende Staf de toen 2 jarige André. Zij woonden in St. Kruis Nederland (Roesstraat, Kerkweg, Koningin Wilhelminaweg, Roeselarestraat).

Gustaaf en zijn vrouw Sophie leefden nogal krenterig. Grote luxe voerden zij niet. Ze leefden erg sober. Bij bezoek kreeg iedereen één koekje, verdeeld over het deksel van de koekedoos. Om op stap te gaan had Staf nogal dikwijls zijn drank bij om zijn dorst te lessen: karnemelk. Staf en Sophie waren brave mensen die het met iedereen goed voor hadden. Staf was ook duivenliefhebber. Achteraan, in het verlengde van de schuur waren er duivenhokken ingericht.

Op het einde van zijn leven werd Gustaaf door een auto aangereden op het kruispunt van de Polderstraat en de Oude Kerkstraat in Aardenburg. Hij was op weg naar de kerk om de mis bij te wonen. Hij liep verschillende breuken op. Zijn gezondheid kwam dit ongeval niet meer te boven en hij stierf. Na zijn dood stelde zoon André voor om het huis in de Roeselarestraat te verwisselen met de woning waarin neef Vital woonde. Deze laatste ging daar echter niet op in.

Zoon André huwde in 1933 met Schoonackers Juliana. Zes maand na hun 50 ste huwelijksverjaardag stierf Juliana. André overleefde haar nog 3 jaar. Hij kwam op een gewelddadige manier om het leven, hij stikte, waarschijnlijk door voedsel dat in zijn keel bleef hangen. De oudste dochter Marie Sophie was niet helemaal normaal. Zij was soms “zo zot als een achterdeure”. Bij bezoek kon zij iemand bijzonder uitbundig omhelzen. In een depressieve periode probeerde zij eens zelfmoord te plegen door met haar hoofd voor in een regenwaterput te springen. Dit lukte echter niet daar de opening van de put te klein was. Zij bleef er met haar dik achterwerk in haperen. Na de dood van haar ouders bleef zij nog een tijdje in de ouderlijke woning wonen in de Roeselarestraat 19. Op 20 april 1965 verliet zij de woning en ging werken in het rusthuis Rozenoord in Sluis waar ze na haar oppensioenstelling verder verbleef. De laatste jaren van haar leven was zij niet meer aanspreekbaar en gedroeg zich als een erg demente persoonlijkheid. Zij stierf op 27 november 1997. Haar lichaam werd gecremeerd in Brugge. De 2de dochter Clementine huwde met Vermeire Nestor. Samen hadden zij een zoon André en een drieling: Staf(+), Annie en Jenny. De geboorte van de drieling op 12 januari 1940 was een hele gebeurtenis in de streek. De kranten besteedden er uitgebreid aandacht aan. Clementine kreeg ook een kindernurse toegewezen om voor de drieling te zorgen. Nestor Vermeire stierf in 1989 aan kanker, Clementine in 1991, zij was uitgeleefd.

  1. Juliaan:

Jules verhuisde nogal veel tussen Aardenburg en Maldegem. Hij was veldarbeider bij de grote boeren. Op 18/4/1907 trok hij samen met zijn broer Eduard naar Rochester Noord Amerika. Hij wou een huis verdienen en terugkomen. Het volgende jaar was hij reeds terug in Aardenburg. Hij vroeg zijn verloofde om met hem mee te gaan naar de USA om nog meer geld te verdienen. Natje wilde echter niet en Jules bleef dan maar in Aardenburg.

Jules en zijn broer Staf lieten niet op hun kop zitten in hun jeugdjaren, desnoods gebruikten ze de vuisten. Zo maakten ze beiden eens een gehele herberg leeg. Toen Jules ouder werd was hij evenwel een heel stille man.

Jules huwde met Vandevoorde Nathalie. Zij was een dochter uit een gezin van 12 kinderen. In 1910 woonden zij in de Burchtstraat in Aardenburg. Met het geld uit Amerika bouwden zij een huis in de Heerenweg. Tijdens de oorlog 40-45 werd de woning vernield. Zij woonden toen een tijdje in een noodwoning.

Jules en zijn zuster Clementine waren twee handen op één buik. Clementine kwam nogal eens op bezoek in Aardenburg. Zij ging nooit naar Maldegem.

De familie correspondeerde lange tijd met broer Eduard in Amerika.

Jules bolde zeer graag. Dit was een passie voor hem. Hij was echter nooit bolderskampioen. Dit deed hij tot op zeer hoge leeftijd. In 1966 werd een kranteartikel aan hem besteed:

In gesprek met Jules Sierens 

ZIJN reactie was bijzonder kernachtig. “Motver…..”, klonk het zondag uit de door een martiale snor overhuifde mond van Jules Sierens, toen burgemeester M.G.M. Van Berckel hem installeerde als erelid van de Aardenburgse boldersclub. Jules, voor de leden van het ABC een belangrijke figuur als stoker van de in het clublokaal staande kachel, heeft namelijk een sportjubileum gehaald, dat beslist zijn weerga niet kent. Driekwart eeuw lang is hij een enthousiast liefhebber en beoefenaar van het in de zuidwesthoek van Zeeuws Vlaanderen en België nog levende bolspel.

“HET is een hele tijd”, heeft hij lachend toe. “Maar veel bijzonders is het eigenlijk niet. Je moet geluk hebben en daar heb ik een jaar of drie geleden mijn portie goed van gekregen. Ik kreeg tijdens een wedstrijd een hartaanval en ze hebben me voor dood naar huis gebracht. Toen ik de volgende ochtend weer bijkwam wist ik niet beter of ik was hemelen. Ik had de engelkes al gezien, dacht ik. Maar ze hebben me blijkbaar weer terug gestuurd.”

ZIJN verteltrant is levendig, als hij herinneringen uit de “goeie ouwe tijd” ophaald. “Toen ik zeven was, ben ik begonnen. Ik stond met een stel vriendjes na schooltijd naar een wedstrijd te kijken en toen de spelers ophielden, hebben wij het ook eens geprobeerd. Sindsdien heb ik vrijwel al mijn vrije tijd aan het bolspel gegeven en daar heb ik op de dag van vandaag geen spijt van. Toen ik in 1950 met pensioen ging-daarvoor was ik landbouwersknecht- kreeg ik meer tijd en sindsdien was ik nauwelijks van de bolbaan weg te slaan.

KAMPIOEN ben ik nooit geweest. Die competitievorm is iets van de laatste tijd. Vroeger deden we wel zo onder mekaar een wedstrijdje, maar dat was gewoon voor ons plezier. Eigenlijk wel jammer, want ik was vroeger een hele goeie. Maar ja, wat wil je met zo’n ervaring. Trouwens, die ervaring komt me goed van pas. Voor de meesten is de bolsport een inspannende bezigheid, maar er moet heel wat gebeuren voor ik moe ben. Ondanks mijn 82 jaren.

EERLIJK gezegd: het is dan wel 75 jaar geleden, dat ik mijn eerste partijtje speelde, maar dat wil nog niet zeggen, dat ik nooit gepauzeerd heb. Na mijn ziekte van een paar jaar geleden mocht ik niet meer bollen. Maar dat is niets voor mij. Toen die dokter verhuisde en er een ander kwam ben ik voorzichtig-aan weer begonnen. Eerst als reserve en nu doe ik weer volop mee. Waarom ook niet? Als het m’n tijd is, ga ik toch. En dan ga ik liever met de bol in mijn hand dan tussen de lakens……”

Juliaan werd door zijn kleinkinderen “opoe” genoemd. Robert was zijn lieveling. Aan hem vertelde hij zeer veel verhalen. Robert kreeg altijd drinkgeld van opoe. Toen hij huwde kreeg hij duizend gulden. Gaston, die op 16 jarige leeftijd de wereld was ingetrokken, had dit allemaal niet nodig zei Jules.

Na de dood van hun vader was er onenigheid tussen de twee broers over de erfenis. Bertrand wees Vital de deur

Juliaan bleef zijn hele leven veldarbeider. Vandevoorde Nathalie stierf aan difterie. 

Juliaan en Vandevoorde Natalie hadden samen 2 kinderen: Bertrand en Vital. In zijn jonge jaren was Bertrand nogal een opschepper met een heel klein hartje. Door zijn manier van doen kwam hij soms in conflict met zijn kameraden. In dergelijke omstandigheden, als er te vechten viel, vertrouwde hij op zijn broer. Qua karakter en uitzicht waren de broers totaal verschillend, Bertrand was een Vandevoorde en Vital een echte Sierens. Door zijn meter Helena Devogelaere en zijn tante Clementine werd Vital hierdoor anders behandeld dan zijn broer. Vital kreeg snoep en drinkgeld, Bertrand niets. De peter van Vital was Ward. Ieder jaar kreeg Vital één dollar toegestuurd wat gelijk was met één rijksdaalder (ca 50 BF).

Bertrand huwde met Temmerman Irma. Zij was nogal klein van gestalte maar had de naam geen gemakkelijke te zijn. Na haar dood had Bertrand het moeilijk. Hij had geen controle meer over zijn drankgebruik. Eens reed hij met zijn auto in een huisgevel. Zoon Gaston ging om alles op te lossen. Hij liet het uitschijnen dat een steen de oorzaak was van het ongeval. Men wachtte tot de volgende morgen om de politie te verwittigen. Bertrand stierf in 1980 door een verkeersongeval in Maldegem.

Na zijn lagere school afgemaakt te hebben ging Vital op 14 jarige leeftijd werken op “‘t hof Ydewalle”, dat was in 1928. Dat hij daar 40 jaar in dienst is geweest bij de familie de Rycke is veelzeggend over de mens Vital.

Liefde voor de natuur, trouw en gewetensvol in al zijn doen en laten en ‘n enorme werklust. In ‘t Vlaamse was hij toendertijd bekend als Vital van de Rijcke’s. Het was ook zijn alles, ‘t hof, de paarden,’t land, tot voor kort kwamen ze nog geregeld over zijn lippen. Daarna was hij nog 10 jaar werkzaam bij de firma Leenhouts.

Vital huwde met Vanpamelen Elisa. Zij is de dochter van Emiel en Bouters Emelie. Lisa werd geboren in het landelijke cafeetje van haar ouders in de Gouden Polderdijk nr. 4 in Schoondijke. Bij grote feesten werd in de tuin een tent gezet. Haar ouders moesten het café opgeven omdat moeder Emily teveel van haar te verkopen waar wilde proeven.

Na zijn pensionering was de moestuin zijn grootste werkgever met genoeg groente om uit te delen. De mooie bloemen waren een streling voor het oog. Zijn grootste vriend was zijn fiets,” ‘k ga nog even een rondje fietsen”, kon je dagelijks uit zijn mond horen. Om de boodschappen op de fiets en een praatje hier en daar. Wat bleef hij soms lang weg.

In 1992 vierden Vital en Lisa hun 50ste huwelijksverjaardag. Zij zijn beiden “mager en taai en geiren op den draai”. Wat Vital en Lisa erg sierden was hun hartelijke eenvoud en bescheidenheid. Ze leefden ook met een zeer groot rechtvaardigheidsgevoel. Zo bezocht Lisa, na de dood van Vital, alle erfgenamen (ook Robert en Gaston) en gaf hen hun deel van de erfenis. Hiermede maakte zij een eind aan “de familievete” die ontstond na de dood van grootvader Jules.

Vital was sterk als een paard. De laatste paar jaar werd het toch een beetje moeilijker, vooral het lopen viel hem zwaar. De laatste paar weken ging het erg snel achteruit. Eén van zijn laatste dromen die hij vertelde was van bij Sint Petrus die vroeg” wat kom je doen?” Vital stierf thuis op 21 februari 2002.

  1. Eduard:

Ward was een kloeke kerel. Hij kon heel goed zingen zoals trouwens al zijn broers. Het vrouwvolk keek naar hem op. Hij wond ze rond zijn vingers, flirtte nu eens met de één dan weer met een ander. Veel jonge meisjes waren verliefd op hem. Hij werkte bij de boeren in Nederland. Hij moest echter niets hebben van vast werk. Hij wilde niet de slaaf zijn van de hereboer. Hij wilde de vrijheid en zijn lot in eigen handen hebben. Op die manier trok hij door Zeeuws-Vlaanderen van de ene boer naar de andere. Hij werkte bij diegene  die hem het meest betaalde. Hij was zoals zijn broers landbouwersknecht. Hij had geen echt vaste verblijfplaats. Hij trok van de ene boer naar de andere volgens dat er werk was. Tussen 1907 en 1909 verbleef hij o.a. in Maldegem, Oostburg, St.Kruis, Aardenburg (Langenweg, Jokweg), Schoondijke. Op 18/04/1907 vertrekt hij samen met zijn broer Juliaan van Aardenburg naar Rochester, New York. Zij kwamen beiden terug. Ward wilde opnieuw vertrekken, maar de verloofde van zijn broer Juliaan dwarsboomde hun plannen. Zij wilde in geen enkel geval mee. Dan maar weer bij de boeren gaan werken.

Eduard was niet vies van de meisjes. Eerst leerde hij een meisje kennen uit Aardenburg (Overwerf Sara). Deze was stapelzot van hem. Het was echter niet wederzijds. Later knoopte hij een relatie aan met de 28 jarige Maria Savat die in Noorthem, Buurtstraat te Maldegem woonde. Zij had reeds een kind, Savat Adriana (°Mald 17/03/1901). Maria was vellenbewerkster. Van het een kwam het ander en op 17/12/1908 baarde Maria een kind. Het was een jongetje. Men noemde hem Juliaan naar de broer van Eduard. Eduard was van plan met de moeder te huwen en erkende de vader te zijn. Dit bevestigde hij op de geboorteakte met zijn handtekening. Marie Therese Vanacker, de moeder van Eduard, was met het hele gebeuren niet akkoord. Dezen die op het grondgebied Nederland woonden hadden het een beetje hoog in de bol. Zij zagen neer op diegenen van Maldegem. Marie Therese kon haar zoon verbieden met Maria Savat te huwen daar zij van te geringe afkomst was. Na zijn afgebroken verloving in 1909 gaat Eduard in Schoondijke werken bij boer Vanwaes. Emiel Vanpamelen, de schoonvader van Vital werkte daar ook. Daar maakt hij kennis met Rubbens Leonie, de dochter van een plaatselijke cafébaas. Zij woonden langs de weg Oostburg-Schoondijke, nu Lange Heerenweg, schuin over de hoeve van boer Vanwaes. Het was een zeer gekend café. (het gebouw werd later afgebroken en weer opgebouwd). Het avonturiersbloed zat hen beiden in de aderen. Zij vertrokken samen naar Paterson, New Jersey op 1/9/1909. Eduard durfde waarschijnlijk niet direct terug gaan naar Rochester. Tijdens zijn vorig verblijf aldaar had hij er een jonge dame leren kennen. Zij beschouwde Eduard als haar verloofde. Korte tijd nadien verhuizen Eduard en Leonie toch naar Rochester, een 450 km daar vandaan. Zij huwen er. Hun eerste kind Emily wordt in Rochester geboren in juni 1910. In 1911 komen Eduard en Leonie terug naar Zeeland. Leonie koopt haar tweede kind in Schoondijke op 6 juni 1911. Ondertussen maken Eduard Sierens en de familie Rubens grootse plannen. Rubens Augusta, Ceril en Emilie besluiten mee te gaan naar Amerika. Allen vertrekken op 26/9/1911 naar Paterson. Leonie kreeg er nog twee kinderen.

Eduard bouwde een nieuw leven op in de USA. Ook hier ging Eduard ook bij de boeren werken. Hij kon een kleine farm overnemen. Later werkte hij nog in de bouw. Hij kon zich echter nog steeds niet binden aan één bepaald werk. Hij hield teveel van zijn vrijheid. Hij was er professioneel bokser.

Ook illegaal alcohol stoken kon hij als de beste. Eens had hij een alcoholstokerij opgezet. Dit gebeurde in de periode 1920-1933. In die periode was er een algeheel alcoholverbod in de USA. De drooglegging zorgde voor een nooit geziene illegale handel in alcohol. In deze dolle jaren twintig leek alles te mogen en te kunnen. Zo was het ook met de clandestiene stokerijen. Het aantal overtredingen was niet bij te houden. In 1921 werden er 100000 clandestiene stokerijen opgedoekt, zes jaar later 170000, in 1930 280000. Zo verging het ook met Eduard. De overheid ging niet akkoord met zijn nieuwe activiteit. Hij belandde ervoor in de gevangenis. De grote depressie (1929-1933) luidde het definitieve einde in van het drankverbod. Op een bepaald moment was één op vier Amerikanen werkloos, armoe leek wel besmettelijk. Clandestiene drank werd onbetaalbaar. In 1933 schafte president Roosevelt (een afstammeling van emigranten uit Schoondijke) het drankverbod af. Achteraf gezien was de prohibitie een achterhoedegevecht dat de eerste Amerikanen, Angelsaksen van protestants-puriteinse oorsprong, voerden tegen de nieuwe Amerikanen, de massaal toestromende immigranten. De prohibitie was een expressie van de afkeer en de angst die de landelijke protestantse middenklasse koesterde voor de grootstedelijke samenleving en de stroom vreemdelingen.

Eduard stierf in 1949 aan maagkanker, 2 jaar na zijn vrouw.

Juliaan groeide op bij zijn moeder en zijn zeven jaar oudere halfzuster Adriana Savat. Op 15 april 1915 huwde zijn moeder met Edmond Delove (°Mald.23/03/1883). Door het huwelijk werd de veertien jarige Adriana gewettigd en kreeg ze de naam Delove. Juliaan was echter bij de geboorte door zijn vader erkend en bleef Sierens noemen. Niemand noemde hem echter zo. In de volksmond was hij Juliaan Delove, zijn gehele leven lang. Het gezin woonde in de Oude Aardenburgse weg in Maldegem. Mon Delove was een gekend figuur in de buurt. Zoals velen in die tijd was hij ook seizoenarbeider in Frankrijk. Hij deed er de bietencampagnes. Hij was soms maandenlang van huis weg. Zoals het paste bij de bietenmannen kon hij ook nogal wat pinten verzetten. Maria Savat was weerom bedrogen. Mon was ook een verwoed duivenmelker. Kort na zijn huwelijk, op 8 mei 1915, beval de Duitse Ortskommandant Nieten dat alle duiven binnen de drie dagen gedood moesten worden. Dit was voor de duivenmelkers een verschrikkelijk bevel. Velen vluchtten met hun beste duiven naar Holland om hun goede ras te bewaren. Smokkelaars brachten ze daar, maar er werden er ook gesnapt. Dit betekende de weg naar de Duitse kampen. Zo ging het ook met Edmond Delove uit de Buurtstraat in Maldegem. Hij werd naar het gevangenen kamp van Holzminden, Westfalen, in Duitsland overgebracht.

Juliaan Sierens moest al vroeg uit werken gaan als paardenslagersgast. Hij bleef trouwens zijn gehele leven werken in de plaatselijke vleesindustrie.

Op 3 juli 1936 huwde hij met de 9 jaar oudere Maria Magdalena Claeys. Op 20/03/1933 was zij weduwe geworden van Omer Martens. Uit dit huwelijk had zij een zoon Roger die tijdens de 2de wereldoorlog stierf in een concentratiekamp in Duitsland. Op het einde van de oorlog werd hun lager bij vergissing door geallieerde vliegtuigen gebombardeerd. Getuigen vertelde later dat Roger hierbij werd gedood.

Juliaan kreeg één dochter, Norette. Zij werd geboren in het begin van de 2de wereldoorlog op 16 mei 1940. Juliaan was 53 jaar gehuwd. Zijn vrouw stierf op 19 december 1989. Na haar dood kwam zijn dochter bij hem inwonen. Zijn laatste levensjaren werd hij door haar op handen gedragen en verzorgd. Alhoewel die verzorging helemaal niet hoefde.  Iedere dag maakte hij grote fietstochten en deed hij de boodschappen. De laatste zes maanden van zijn leven ging het bergaf met hem. Hij werd soms een beetje dement en zijn gezondheid ging zienderogen achteruit. Tot hij tenslotte dit aardse bestaan verwisselde voor iets anders.

Juliaan was zijn hele leven lang een onopvallend man die met zeer weinig mensen contact had. Hij had een erg gesloten karakter. Niemand had er weet van dat hij opgegroeid was zonder vader, dat deze niet naar hem omzag. Nooit hoorde hij iets van hem. Zijn gehele leven lang zweeg hij hierover. Alle gevoelens hield hij voor zichzelf. Tot hij in december 1996 vernam dat zijn familie uit het verre Amerika contact probeerde op te nemen met hem. Toen praatte hij er voor de eerste keer over met zijn dochter, na 88 jaar. Hij vertelde haar alles wat hij wist.

In mei 1997 kwam Denise Sierens uit Loxahatchee, Florida USA en dochter van Richard Sierens, de halfbroer van Juliaan, naar Maldegem. Na 88 jaar zag de oude man iemand van zijn familie. De taal was geen probleem. Met wat vertaling, gebaren en mimiek kwam alles in orde. Juliaan was erg verheugd. Ondanks zijn stilzwijgendheid liet hij dit ten overvloede blijken. Oude verhalen en geschiedenissen werden uitgewisseld. Er werd een beperkte familiereünie georganiseerd met familie die nog in de streek gebleven was. Juliaan wist zelfs van hun bestaan niet af. Ineens kreeg hij er een heleboel familie bij. Een persoon uit Aardenburg (Vital Sierens), die hij regelmatig tegenkwam op zijn fietstochten en naar wie hij steeds de hand opstak bleek een neef van hem te zijn. Juliaan wist zelfs niet dat hij Sierens noemde.

Later bracht Denise Sierens verslag uit bij haar familie in de USA. Er was een familierëunie belegd in de woning van haar vader Richard in Williamson New York. De 2 nog levende broers met kinderen en kleinkinderen zaten allen rond de tafel. Iedereen luisterde met aandacht naar de lange verhalen en allen maakten plannen om deze nieuwe familiebanden verder uit te bouwen. Een reactie van ginder uit: “It confirms to me even more that our ancestors wanted to all come together, make amenze for the past troubles and recognize that Julian is a part of our family”. Vrij vertaald: “Het bevestigt me steeds meer dat onze voorvaders wilden dat we allen samen kwamen, wilden dat we een kruis maken over het verleden en erkennen dat Juliaan een deel van onze familie is”.

Op zaterdag 27 december 1997 stierf Juliaan Sierens. Hij werd 89 jaar en 10 dagen. Hij stierf zoals hij had geleefd. Onopvallend en stilletjes verliet hij deze wereld. In het Elisabethziekenhuis van Sijsele werd hij die zaterdagmorgen niet meer wakker. Na het bezoek van de Denise Sierens uit de USA was het snel achteruitgegaan met Juliaan. Het was precies alsof hij had gewacht om te sterven tot datgene wat zijn gehele leven bepaalde in orde was gebracht. Hij wist het dat hij zou sterven. De dag voordien had hij het nog tegen zijn schoonzoon gezegd.

De oudste dochter Emily kende veel tegenslagen in haar leven. Na de dood van haar zuster Bertha had Emily een depressie.( Bertha en Emily waren twee handen op een buik) Zij belande erdoor in een psychiatrische instelling. Haar broer Richard haalde er haar uit. Hij zei haar terug naar Belgie te brengen. Op die manier kon ze het gekkenhuis verlaten. Toen leerde Emely haar man kennen. Met hem kende ze niet veel geluk. De man dronk veel en stierf heel vroeg. Emily had 2 zonen Thomas en Robert. Na de dood van haar man werd de oudste opgevoed bij de familie van zijn vader. De jongste belande bij haar jongste broer Richard. Op zijn 21ste verjaardag was er een verjaardagsfeestje gepland bij hem thuis. Hij nam de auto en besloot zijn lief te halen. Hij kwam er echter nooit aan. Hij stierf in een verkeersongeval.(1962) Deze zware tegenslagen kon Emily niet meer aan. Ze werd zenuwziek en dement. Ze verbleef nog 10 jaar in een “demental institution”. Haar zoon Thomas verkocht al haar eigendommen teneinde te kunnen genieten van staatssteun bij de opname van zijn moeder. Denise, dochter van broer Richard noemde haar antiekhandel in Florida naar haar tante:” Auntie Em’s Victorian Attic”.

De tweede dochter Bertha stierf op 22 jarige leeftijd. Ze was gehuwd met Grafeley Joseph en had één dochter Dorothy.

De twee jongste kinderen Andrew en Richard vervulden beiden hun legerdienst op de Filipijnen tijdens de 2de wereldoorlog .Richard kreeg zijn militaire opleiding op het einde van de tweede wereldoorlog in Florida nabij Jacksonville. (Hij is nu nog altijd niet te spreken over de moerassen en de muskieten in Zuid-Florida). Daarna werd zijn eenheid ingezet op de Filipijnen. Hij maakte daar heel erge dingen mee. Daar zag hij o.a. soldaten die levend begraven waren enkel met hun hoofd boven de grond. Ze waren omgekomen door de hitte of verscheurd door de wilde dieren. Later diende hij nog in de Koreaanse oorlog. Richard kreeg de hoogste onderscheiding die een militair kan krijgen. Hij kreeg “the purple heart” voor “courages acts”. Hij werd ook gewond. De littekens op zijn gezicht getuigen van de schrapnels die hem raakten. Na de oorlog had hij lang moeilijkheden met zijn gezondheid (zenuwstelsel). Bij zijn dood kan hij begraven worden op het heldenkerkhof “Arlington cemetery” in Washington DC. Voor hij zijn legerdienst vervulde had Richard verkering met Lottie Christian. Zij is half Indiaanse. Haar voorouders behoorden tot de MOWAK stam. Bij de kerstening van de Indianen kregen zij de familienaam Christian.(= kristen). Haar moeder was een zienster. Tijdens zijn legerdienst schreven Richard en Lottie veel brieven naar elkaar. Ineens hield het schrijven op. De legerdienst duurde een beetje te lang. Lottie liet zich verleiden en huwde iemand anders. Samen hadden zij een kind Connie. De man stierf heel vroeg. Na zijn dood nam Richard weer  contact op. Ze huwden. Richard moest echter niets weten van zijn stiefdochter. Ze werd opgevoed bij haar grootouders. Bij hun dood kwam ze weer bij haar moeder inwonen. (1960). Connie was toen 13 jaar. Denise noemde haar tante Connie. De verstandhouding met haar stiefvader was niet zo goed. Connie raakte in verwachting en moest op 14-jarige leeftijd huwen. Toen ze 18 jaar was scheidde ze en kwam weer thuis wonen. Ze herhuwde toen ze 19 jaar was en scheidde opnieuw toen ze 28 jaar was. Op 48 jarige leeftijd huwde ze opnieuw.

Richard heeft een sterk karakter (he has a strong will). Hij leeft nogal krenterig. In zijn jeugd moest hij nog kolen rapen langs de spoorweg. Hij weet zijn geld op een goede manier te beheren. Hij geeft het niet uit als het niet nodig is. Hij kan gerust met 10000$ op zak rondlopen zonder ook maar een frank uit te geven. Hij was zoals zijn vader Eduard een verwoed duivenmelker. Hij is de trotse bezitter van een muntenverzameling. Bij speciale gelegenheden geeft hij zijn kinderen “a silver dollar” als geschenk. Na zijn leven als baseball coach, waar hij niet graag afstand van deed, verhuisde hij van New York naar Williamson een klein stadje te lande. Daar woont hij in een straat waar veel afstammelingen wonen van Vlamingen. Hij brengt er zijn tijd door met houthakken voor de kachel.

In deze familie zijn er twee soorten Sierens: ” lange dunne en kleine dikke”. Die lange dunne is wel een eigenschap van deze familiestam “Sierens”. De jongste Richard is in ieder geval een echte “Sierens”. Zijn dochter noemt hem “as stubborn as an old, old goat” (zo koppig als een oude, oude geitebok)

  1. Kamiel:

Miel bleef ongehuwd. Hij woonde op diverse plaatsen: Oostburg, Aardenburg (Heerenweg, Langenweg, Maagdenweg), St.Kruis (o.a. Zwarte Sluis), Waterlandkerkje, Sluis. Volgens de mensen was Miel een beetje gestoord, hij was een sukkelaar. Hij verbleef een tijdje in de psychiatrie in Beernem. Eigenlijk scheelde er hem niets. Hij was alleen niet zoals de anderen hem wilden.

Hij was landarbeider. Hij werkte veelal samen met één van zijn broers op de hoeven. Hij was beresterk maar eigenlijk een domme kracht. Men mocht niet met hem lachen, zijn broers verdedigden hem steeds. Op latere leeftijd werd hij opgenomen in de psychiatrische kliniek van Zelzate. Daar werkte hij op de boerderij, later was hij er slachter. Hij stierf er in 1956. Toen was zijn domicilie in Sluis.

 

De familie Rubens

Rubens Desiré ° IJzend 16/12/1857 x Senesael Johanna xSchoond 28/02/1889 °Schoond   08/02/1868

 

Kinderen:

Leonie Sophie °Oostb 05/02/1890 x Sierens Eduard °St Laur 26/01/1886

Augusta M Corn°Schoond  06/11/1892 xVan De Pas Cornelius x               1914 °Driewegen   26/03/1891

Ceril             °Schoond  16/11/1897

Emilie Marie °Schoond  06/07/1899 x Devos Eduard   XSluis          24/12/1919 °Eede            1892

Marie Louise            °Schoond 14/7/1905

 

 

  • Senesael Joanna fa Henri Bernard en Tournois Cornelia
  • Kinderen van Emelie: Leonard en Helen
  • Van De Pas Cornelius fs Marinus en Van ‘tWesteinde Cornelia (De Jonghe)
  • Van De Pas Cornelius en Rubbens Augusta

1 Robert    °Schoond 12/04/1915  xMildred  (wonen Taxerkana, Texas 1994)

2 Maurice  °Schoond         29/11/1916    (Woont Webster New York)

Deze familie komt op 29 en 30/05/1914 van Rochester New York. Op 12 en 14 juli vertrokken van Schoondijke naar Bergen op Zoom. Op 27/08 en 24/10 1917 terug van Bergen op Zoom in Schoondijke. Op 03/05/1920 vertrokken van Schoondijke naar Sluis.

  • Joanna Senesael verliet haar man en ging naar de USA, herhuwde daar.

Na hun huwelijk kwamen Rubbens Désiré en Senesael Johanna Sophia in Oostburg wonen (30/3/1889). Zij runden er een winkel in de Lange Zuidstraat ZW nr 29. Voorheen woonde Désiré in Waterlandkerkje en Joanna in Schoondijke. Leonie Sophie wordt geboren op 5 februari 1890 om half zes in de namiddag.

Op 27 april 1892 hielden zij het voor bekeken en vertrok de familie naar Schoondijke. Zij hielden er gedurende 28 jaar de herberg “Veldzicht” open (W118) Deze herberg was gelegen halfweg de weg tussen Oostburg en Schoondijke. Later (na 1897) verhuisden ze naar “W104”. Daar leerde Eduard Sierens Leonie kennen. Op 1 september 1909 vertrokken zij samen naar Paterson USA. Daar huwden zij. Al gauw werd Leonie zwanger en op 27/6/1910 werd hun eerste kind Emily geboren. Enkele maanden later werd Leonie opnieuw zwanger. In 1911 komen Leonie en Eduard weer naar Zeeland. Leonie koopt haar tweede kind Bertha in Schoondijke op 6 juli 1911. Ondertussen maken Eduard Sierens en de familie Rubbens grootse plannen. Rubbens Augusta, Ceril en Emilie besluiten mee tegaan met de familie Eduard Sierens-Rubbens. Zij vertrekken op 26/9/1911 naar Paterson. Desiré Rubbens, zijn vrouw en hun 6 jarige dochter Marie Louise blijven in Schoondijke.

Na enkele jaren kreeg Emilie Rubbens heimwee naar huis. In mei 1914 komt zij opnieuw thuis. In 1918 verblijft zij een paar maanden in Rotterdam (8 maart tot 3 mei). Op 9 april 1919 verhuist Emilie naar Sluis. Zij is er veldarbeidster. In december 1919 huwt zij met de 27-jarige boerenwerkman Eduard Devos. Hij is de onwettige zoon van Melanie Devos. Later vertret Emilie met haar man Eduard Devos weerom naar de USA.

Op 3/5/1920 verhuizen Désiré, zijn vrouw en dochter naar Sluis.

Desiré was later klein boertje en raakte aan de drank. Hij verbleef een tijdje in een instelling in België in Maldegem? Hij raakte helemaal aan lager wal. Het kwam zover dat zijn dochter Leonie kleren opstuurde vanuit Amerika voor hem. Ze stuurde deze op naar haar broer Juliaan. Desiré kwam de kleren dan afhalen bij Juliaan thuis. Desiré sliep nog op dezelfde kamer als Vital. Volgens deze laatste kon hij geweldig grollen.