Pieter Van Moortel van syn tydelyck leven ghedisponeerd

Pieter Van Moortel van syn tydelyck leven ghedisponeerd (terechtgesteld 30/7/1774)
 
Marcellinus Van Moortel gehuwd met Cornelia Pottier had zes dochters waarvan de oudste amper 10 jaar oud was wanneer z’n vrouw overleed op 21 februari 1752- Het was dus een noodzaak om een tweede huwelijk aan te gaan. Er moest toch een moeder zijn om voor die minderjarige kinderen te zorgen! Marcellinus hertrouwde nog hetzelfde jaar met de 25-jarige Isabella Van Daele en reeds op 9 mei 1753 werd er een zoon geboren Petrus Jacobus Van Moortel waarover het hier verder gaat.
Pieter Jacob groeide op in een moeilijke tijd met veel armoede en landloperij. Bedelarij zag de overheid evenwel als een misbruik “hinderend voor de goede burgers, veroorzaakt door mensen die liever lui zijn dan werkend… hun inkomen verwerven door te bedelen … terwijl de aalmoezen van nature toekomen aan echte burgers die door hoge leeftijd of ziekte niet meer in staat zijn hun kost te verdienen. Bovendien gebruiken zij die aalmoezen om zich in talrijke slechte gelegenheden te bedrinken aan graanjenever … het excuus van deze luiaards is steeds dat zij geen stiel kennen en geen mogelijkheid hebben tot werken”.
Het was de tijd van de Oostenrijkse Successieoorlog, met steeds opnieuw invallen en bezettingen van Franse en Oostenrijkse legers. De inwoners van onze gewesten droegen een zware last en het platteland werd regelmatig geplunderd en afgeperst. Het was toen een tijd van armoede, honger en bedelarij. Zelfs de overheid zat er mede verveeld dat er zoveel “geheele daegen langst de straeten lopen sonder wercken”. Het was ook de tijd van regelmatig mislukte graanoogsten met natuurlijk honger als gevolg. Maar het was ook de periode dat men in West-V1aanderen de aardappel begon te telen, wat voor de bevolking weldra het hoofdvoedsel werd. Door toename van de bevolking werden de “landbouwbedrijven” steeds kleiner. Als Pieter Van Moortel ongeveer 15 jaar oud is moet de Oostenrijkse overheid de graanuitvoer verbieden omdat er weeral schaarste aan brood en de prijzen de hoogte inschieten. De bevolking heeft het moeilijk en overal zijn er hongeropstanden. In de steden Brugge en Oostende zijn er zelfs rellen uitgebroken tegen de prijshogingen van het schaarse voedsel. Maar de overheid probeert de handel te stimuleren. Daarom besteed men nu aandacht aan betere mogelijkheden voor de verplaatsing van goederen. Zo wordt 1758 de vaart Oostende-Brugge uitgediept en verbreed om het mogelijk te maken zeeschepen door te laten. In 1764 wordt begonnen de aanleg van de weg Torhout-Oostende, en vanaf 1769 met de baan Wijnendale-Diksmuide (2). De streek veranderde dus grondig van uitzicht.
Werd Pieter Van Moortel ook een van deze bedelaars-landlopers? Hij was nog geen drie jaar wanneer z’n moeder stierf op 18 februari 1756. Ze was amper 29 jaar. Op 19 juni 1758 kreeg hij dan een stiefmoeder: Godeleva Daene uit Torhout. Verder weten we niets van zijn kinderjaren.
Op 20-jarige leeftijd woont hij achtereenvolgens bij boer Adriaen Quihoven te Leffinge, bij Jacobus Quihoven in Mariakerke om tenslotte op logement te zijn in herberg “De Kroone’, te Mariakerke (Oostende). Hij was onder andere tewerkgesteld bij Johannes Hendericx, een schaper afkomstig uit de streek rond Maastricht.
Op zondag 10 juli 1774 deed Pieter Van Moortel een wandeling naar Leffinge. Even voor de hoogmis was hij aangekomen bij de hoeve van Vincent Missuwe. Nadat onze wandelaar vastgesteld had dat de inwoners naar de mis waren ging hij naar het wagenkot en nam daar een ploegmarteel (een disselhamer) om daarmee de grendel van de huisdeur open te slaan. Omdat dit niet lukte nam hij een dikke stok om de deur open te krijgen. Het lukte. Eens binnen haalde hij uit een kast een klein kastje dat op zijn beurt opengebroken werd met het marteel. De buit was 18 nieuwe kroonstukken en acht schellingen en een deel zilver knopen.
Daarop ging Pieter opnieuw terug naar Oostende. De maandagmorgen kocht hij aldaar een zilveren horloge met bijgaande ketting. Hij betaalde daarvoor 13 nieuwe kroonstukken. In de Kaaistraat kocht hij een paar zilveren gespen voor 4 kronen en 3 schellingen. Voor twee schellingen kocht hij een nieuwe hoed en voor 26 stuivers een paar wollen kousen. Een paar nieuwe schoenen kostten hem twee guldens. Daarmede was het gestolen geld op. Op zijn vlucht uit de streek had, Pieter eerst overnacht in herberg “de Leeuw” te Bredene en de dag nadien- was hij tot Knokke gegaan. Na nog een overnachting aldaar was hij verder alover Sluis tot Zuidzande getrokken, maar eerst had hij te Sluis twee flessen witte wijn achterover geslagen. Daar had hij de rest van zijn geld gewisseld voor rijksdaalders.
Vanaf donderdag 14 juli ging hij dan logeren bij Charles De Bruyne te Zuidzande en verbleef aldaar tot zaterdag. Toen was Van Moortel met ene Pieter Dieleman meegegaan naar Oostburg, om voor hem te dorsen. Maar vijf dagen later, op 21 juli 1774 werd de Bekegemnaar aangehouden in de stadsherberg van Dieleman. Elf dagen na de diefstal te Leffinge. Op dit moment had hij nog de volgende voorwerpen bij zich: een zilveren horloge met ketting, een sleutel van z’n koffer uit “de Krone” te Mariakerke, een mes met schede, 12 zilveren platte knopen, zes grote en 28 kleine zilveren knopjes en nog 14 Zeeuwse rijksdaalders. Daarvan werden er 2 afgehouden om zijn gelag te betalen bij Dieleman. S’Anderendaags werd hij verhoord te Oostburg. Pieter Van Moortel er naar Zeeuws Vlaanderen te zijn gekomen on geld te verdienen. Hij had gehoord dat er alhier veel werk was. Op vraag van het Brugse Vrije werd hij uitgeleverd op 25 juli. Opnieuw werd hij verhoord in het Steen te Brugge. Hij verklaarde er Pieter Vermoortel te zijn, zoon van Marcellus en geboren te Beghem tussen Zerchem en Westkerke, ten zuiden van Brugge, en 22 jaar oud te zijn. Hij bekende de dader te zijn van de diefstal te Leffinge en nog een diefstal te Stalhille. Op 3 april 1773 was hij in een huis dat stond halverwege Nieuweghe en Stalhille, binnengeraakt langs een openstaand zoldervenster in de woning van Bertel Hauttekier. De buit was er 6 pond. Pleegde Pieter Van Moortel deze diefstallen uit wanhoop, honger, om in leven te blijven? Of was, hij een gewone crimineel. Alles wijst evenwel op “voorbedachte rade” om eens goede slag te slaan. De Brugse rechters waren dan ook niet mals. Reeds op 27 juli werd het vonnis medegedeeld: “op zaterdag naestcommende te laeten brenghen voor den landtshuyse (op de Burg) ende aldaer geëxecuteerd te worden metten bast (een soort koord) tot datter de doodt naervolghe,..” Op zaterdag 30 juli 1774 las men Pieter VanMoortel het vonnis voor wat hij tekende met een kruisje. Even daarna werd het vonnis uitgevoerd. Het einde van een triest bestaan.
Bronnen
RAB Inv15-16 reg 17030 vanaf pg 116
Rab Parochieregisters Bekegem
Beschuldiging en eerherstel in 1774 door G Vandepitte in “Rond de Poldertorens” 1990 nr1
Logo

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.