De moord op Amand Demuynck

Moord op Amand Demuynck (RAB HA West nr 1886-1890 doos 737/46: assisen)
 
Plovie Charles, werkman, 22j
Vanthuyne Emile werkman, 21j
Vanhee Charles, 19j landbouwerszoon
Alle drie wonende in Bekegem, beschuldigd van moord op Amand Demuynck in Bekegem, in de nacht van 13 op 14 november 1887.
 
Document 1: Telegram van de bevelhebber van de gendarmerie, Vliebergh, te Gistel aan de Procureur des Konings te Brugge
 
Document 1a: vertaling van document 1
14/11/1887: Poging tot moord op Amand Demuynck, gevonden buiten kennis op de openbare weg te Bekegem Dorp. Gendarmerie, inlichtingen ter plaats.
 
Document 2: aanzoekschrift van de procureur des konings aan de onderzoeksrechter om zich ter plaatse te begeven
 
Document 3: Proces Verbaal van Transport
 
De onderzoeksrechter bij rechtbank van eerste aanleg te Brugge Joseph Decock, begeeft zich ter plaatse op 14/11/1887. Hij was vergezeld van zijn griffier- adjunct en van 2 wetsdoktoren, Saeys en Van Caeneghem. Ook de Heer Herman, Procureur des Konings was meegekomen.
Gezien het telegram van de bevelhebber van de gendarmerie van Gistel, meldende dat er gedurende de nacht eene moordpoging is gepleegd  geworden op Amand Demuynck.
In Bekegem aangekomen wordt hij vervoegd door de bevelhebber van de Rijkswacht die hen naar de herberg het “Molenhuis” leidt. In de schenkplaats vinden zij Amand Demuynck, 55 jaar en kleermaker, bedlegerig. Het is de taak van de wetsgeneesheren over te gaan tot de schouwing van het slachtoffer en tot de bestatiging en de beschrijving van deszelfs wonden. Nadat de wetsgeneesheren de eed aflegden gaan zij over “tot hunne bewerkingen”, in het bijzijn van geneesheer Ollivier uit Eernegem. Deze diende de eerste zorgen toe aan het slachtoffer.
Nadat de geneesheren hun werk afgewerkt hebben wil men overgaan tot het verhoren van Amand Demuynck. De onderzoeksrechter vind dat Amand Demuynck in de volstrekte onmogelijkheid verkeerd te antwoorden op de vragen. Hij werd hierin bevestigd door de geneesheren die bevestigen dat hij in een erge toestand verkeerd. De onderzoeksrechter gelast de bevelhebber van de gendarmerie het slachtoffer dagelijks te bezoeken en verslag uit te brengen
Na kennis genomen te hebben van het proces verbaal, opgemaakt door de gendarmerie, nopens dit feit begeeft het gezeldschap zich naar de weide achter de herberg Storme waar de aanranding gebeurde.
 
Aldaar doen zij voor hen de 19 jarige landbouwerszoon Karel Vanhee verschijnen die volgend relaas vertelde:
“Gisteren avond bevond ik mij in de herberg van de weduwe Storme in gezeldschap van Plovie en Vanthuyne. Plovie gaf daar eene ronde pinten, Vanthuyne zat aan eene tafel en scheen in slaap gevallen te zijn. Demuynck Amand die daar ook was zei aan Plovie; Vanthuyne moet geen pinte hebben, hij zit te slapen. Korts daarna ben ik met Plovie en Vanthuyne uit de herberg vertrokken en ben ik met hen naar de herberg De Congo gegaan, gehouden door August Kyndt, Demuynck in de herberg van de weduwe Storme latende.
Nauwelijks een kwart tot twintig minuten in de Congo zijnde, zijn wij vertrokken en Plovie en Vanthuyne hebben mij wederom medegevraagd naar de herberg van weduwe Storme. Wij zijn al achter, langs eene weide die achter de herberg ligt gegaan en gekomen omtrent het midden dezer weide hebben wij daar Demuynck tegen gekomen. Ik weet niet of zij van gedacht waren Demuynck aan te vallen en afte wachten, toen zij mij wederom medevroegen wanneer wij uit de herberg de Congo gekomen zijn, maar ik moet het bijna peinzen.
Zij hebben, Plovie en Vanthuyne, in de weide Demuynck aangevallen en slagen en schoppen toegebracht al waar zij hem troffen. Ik stond erbij maar heb hem niet kunnen ter hulpe komen, aangezien mijnen arm onlangs gebroken is geweest. Na hem geslegen en gestampt te hebben, hebben zij Demuynck langst de haag gesleurd. Wij bemerkten al daar eene groote ronde bloedvlek. Ik heb daar niets op gezeid, want wat kan ik doen tegen hen twee. Ik heb geen mes in hunne handen gezien, maar het was straf donker. Zij hebben alzoo wel twee of drie minuten op Demuynck geslegen en gestampt; Dan zijn wij alle dry terug op onze stappen gekeerd in de richting van de herberg de Congo; onderweg zegden zij dat ik daar aan niemand zou van gesproken hebben en aan deze laatste herberg gekomen zijnde, zijn wij van elkander gescheiden en ik ben naar mijn huis gegaan”
 
Vervolgens doet de onderzoeksrechter Emile Vanthuyne, oud 21 jaar en werkman te Bekegem, voor hem verschijnen. Hij verklaard:
“In de herberg van de weduwe Storme, gaf Plovie een ronde pinten. Demuynck zei tegen mij: gij hebt geen pinte noodig, gij groote klippe. Wij zijn dan naar de herberg van Kyndt gegaan en van daar naar huis. Ik heb Demuynck niet gezien, noch mishandeld.”
In tegenwoordigheid van Vanhee verklaart: Wij zijn van de herberg Kyndt, de Congo, naar de herberg der weduwe Storme teruggegaan. Plovie en ik hebben Vanhee medegevraagd en gekomen in de weide liggende achter deze laatste herberg, hebben wij daar Demuynck gezien. Plovie heeft hem de eerste slag gegeven, hij heeft hem dan zeker nog slagen toegebracht, maar ik weet dat niet. Ik heb toch aan Demuynck geen slagen noch stampen toegebracht. Ik had ook geen mes bij en weet niet dat een van de andere een mes bij zich had. Het is Vanhee die de broek van Demuynck in stukken heeft getrokken en weggesmeten.
Ik heb Demuynck in de herberg Storme niet bedreigd en heb hem niet gezegd dat ik hem wel ging vinden, maar ik heb gezegd dat ik de zoon Storme een proces verbaal ging aan doen omdat hij mij uit zijne herberg op straat had willen zetten.
 
Verder verschijnt nog voor de onderzoeksrechter Charles Plovie, 22 jaar, die verklaart als volgt:
“In de herberg Storme heb ik eene ronde pinten gegeven, er is daar een kleine ruzie ontstaan omdat Demuynck zei aan Vanthuyne dat hij geene pinte mogt hebben. Wij zijn dan naar de herberg de Congo gegaan en van daar naar huis vertrokken. Wij zijn alhier langst de weide waar wij ons nu bevinden niet terug gekeerd en ik heb hoegenaamd geen slagen noch stampen aan Demuynck toegebracht, ik weet daar niets van. Alsdan in tegenwoordigheid gesteld van Emile Vanthuyne verklaart de verdachte Plovie: Ik ben alhier niet gekomen, ik weet van niets, ik heb Demuynck niet geslagen, Vanhee en Vanthuyne hebben er ook niet bij geweest.
 
De onderzoeksrechter gelast de bevelhebber van de gendarmerie om de twee verdachten, Emile Vanthuyne en Charles Plovie, voor te leiden.
Het is op dat moment dat de verdachten vragen aan de greffier om een nieuwe verklaring te mogen afleggen. Ze worden afzonderlijk voor de onderzoeksrechter geroepen.
Charles Plovie verklaard dat hij de gansche waarheid zal bekennen: “Toen wij uit de herberg de Congo gekomen zijn, zijn wij terug gegaan al de weide van de weduwe Storme, daar hebben wij Demuynck tegen gekomen en hem enige tegen zijn ooren gegeven, ik en Vanthuyne, wij zijn dan beide weggelopen en Vanhee is bij Demuynck blijven staan en heeft op dezen laatsten gestampt. Het was om Demuynck te vinden dat wij alzoo al de weide van Storme terug gekeerd zijn. Van de slagen door mij en Vanthuyne aan Demuynck toegebracht is dezen ten gronde gevallen. Ik heb hem geen messteken toegebracht, ik had geen mes bij mij, ik heb ook geen mes in de handen van de andere gezien.”
Emile Vanthuyne verklaart: “Uit de herberg van Kyndt komende heeft Vanhee ons gezegd: gaat gij mede, wij zullen Manten Krikke (Amand Demuynck) er eenige tegen zijne kaak geven; Ik ben blijven aan de balie staan, zij hebben Demuynck in de bilk tegengekomen en ik heb Vanhee eene schup zien geven op het achterste van Demuynck, ik ben dan tot bij hen genaderd en heb gezien dat Vanhee hem nog een schop gaf; Demuynck is dan recht gestaan en ik heb hem ook eenen slag tegen zijne kaak gegeven. Ik had geen mes bij mij en heb dus geen messteken toegebracht. Zelfs wilde ik Demuynck teweeg naar huis te doen, maar ik mocht niet van de andere. Het is Vanhee die Demuyncks broek in stukken getrokken heeft.”
Vanhee wordt geconfronteerd met wat Emile Vanthuyne verklaart. Vanhee verklaart: ”Ik heb niets aan Demuynck gedaan, ik heb hem niet gestampt; Ik blijf volharden in hetgeen ik u eerst verklaard heb.”
 
Document 4: onderzoeksrechter Jozeph Decock verhoort Anna Luyckx, weduwe Storme, 47 jaar en herbergierster in Bekegem, op 15/11/1887
Zondagavond was Amand Demuynck in onze herberg, hij was ligtelijk bedronken. Plovie gaf eene tournée pinten en daar Demuynck zegde dat vanthuyne geen pinte mocht hebben, omdat hij te slapen zat, schoot dezen laatsten in gramschap uit tegen Dmuynck; hij sloeg op de stoof en was zo geweldig dat mijnen zoon hem heeft moeten buiten steken. Enige oogenblikken later is hij terug in de herberg gekomen, alwaer hij nog verbleven is tot omtrent een uur en half, te samen met Vanhee, Plovie en gezegden demuynck. Op dit uur zijn deze laatste te samen vertrokken, de laatste nogthans al de achterdeur die in de richting is van de weide alwaar hij later mishandeld is geweest en de drie andere al de voordeur.Vijf minuten later ben ik buiten mijn huis gegaan en heb Demuynck op eenigen afstand hooren tieren gelijk hij gewoonlijk doet, toen hij des nachts bedronken naar huis gaat. Ik zegde aan mijnen zoon: waar zou manten nu zijn en hij antwoorde: ik geloof dat hij langst de straat is; Nadien hebben wij niets meer gehoord.(Handtekening)
 
Document 5: onderzoeksrechter Jozeph Decock verhoort Edouard Storme, 20 jaar, werkman op 15/11/1887
“In de nacht van zondag tot maandag laatst was Demuynck in onze herberg, alwaar Vanthuyne, Plovie en Vanhee zich ook bevonden. Vanthuyne is in eene hevige gramschap geschoten tegen Demuynck omdat hij beweerde dat deze laatste gezegd had dat hij Vanthuyne, geen pinte meer mogt hebben en hem het spotwoord “Grote Klippe” toegebracht had. Vanthuyne was zodanig geweldig tegen Demuynck dat ik hem buiten gestoken heb. Ik zegde aan Vanthuyne: gij moet Demuynck gerust laten en hij antwoordde: dat gaat u niet aan, ik zal hem algelijk wel vinden. Vanthuyne is dan terug in de herberg gekomen en hij is rond één uur en half vertrokken met Vanhee en Plovie. Terzelvertijde is Demuynck ook vertrokken al de achterdeure.”
 
Document 6: onderzoeksrechter Jozeph Decock verhoort August Kindt, 50 jaar, herbergier in de Congo op 15/11/1887
In de nacht van zondag tot maandag laatst zijn Plovie, Vanthuyne en Vanhee tusschen één uur en één uur een half in mine herberg gekomen alwaar zij omtrent een halve uur verbleven zijn. Ze zij te samen vertrokken zonder dat ik gezien heb alwaar zij gegaan zijn. Ik heb ze niet horen spreken onder hen van demuynck, noch van hetgeen zij van inzicht waren te doen. Ik heb na hun vertrek geen gerucht gehoord.
Des anderendags morgens om zes uren, toe Christiaens Demuynck had vinden liggen in den bilk, ben ik er aanstonds na toegegaan. Demuynck lag tegen de haag op zijnen rug, het aangezicht bedekt met bloed en het lichaam bijna geheel naakt, zijne kleren lagen naast hem gescheurd. (kan niet tekenen)
 
Document 7: onderzoeksrechter Jozeph Decock verhoort Karel Christiaens, 67 jaar werkman te Bekegem op 15/11/1887.
Maandag morgen rond vier uren een half, terwijl ik naar den molen ging, heb ik Amand Demuynck vinden liggen langst de haag in den bilk achter de herberg van Storme. Terwijl ik voorbij hem ging, kletste hij zijne handen tegen malkaar en murmulde iets binnenmonds. Ik dacht dat hij daar dronke lag, gelijk hij alle zondagen is. Ik kon niet zien of hij gekwetst of naakt was aangezien hij al de overkant van de haag lag (kan niet tekenen).
 
Document 8: onderzoeksrechter Jozeph Decock verhoort Rosalie Deschacht, vrouw Christiaens, 49 jaar werkster.
Mijn man was maandag morgend om vier uren en half naar de molen gegaan; toe hij terugkwam zegde hij dat Amand Demuynck dronke lag in den bilk, dat hij hem had hooren grollen. Om zes uren ben ik gaan zien of Demuynck er nog lag, ik zag dat zijne kleederen van zijn lijf getrokken geweest waren en ik ben aanstonds Kyndt gaan waarschuwen. Ik heb niet gezien dat hij gekwetst was, omdat ik er niet had durven digte bij gaan (kan niet tekenen)
 
Document 9: onderzoeksrechter Jozeph Decock verhoort Karel Vanhee, 19 jaar, landbouwerszoon
In de nacht van zondag tot maandag is er in de herberg van Storme Ruzie ontstaan tusschen Vanthuyne en Demuynck. De zoon Storme stak Vanthuyne buiten en ik hoorde dat dezen laatste aan Storme zegde: ik zal hem wel vinden.
Rond een uur en half ben ik vertrokken uit de herberg van Storme, te samen met Plovie en Vanthuyne, wij zijn gegaan naar de herberg de Congo, alwaar wij niet lang verbleven zijn. Toen wij uit die herberg kwamen, zegde een van mijne gezellen mij, zonder dat ik kan aanduiden dewelken, gaat gij terug mede naar Storme. Wij zijn er naar toegegaan al den bilk die achter de herberg van Storme ligt en hebben aldaar Amand Demuynck tegengekomen op dewelken Plovie en Vanthuyne onmiddellijk gesprongen zijn en dien zij beginnen zijn te slagen en te stampen
Ik heb hem niet geslegen maar heb ook niets gedaan om mijne gezellen te weerhouden van te slaan.
Ik heb geen mes in de handen van Vanthuyne noch Plovie gezien, ik weet nogthans dat Plovie een mes op zich droeg, want in denzelven achternoen heeft hij het mij geleend om een appel te snijden.
Demuynck heeft niets gezegd, ik denke dat hij van den eersten slag buiten zich zelven is gevallen, niet te min hebben mijne gezellen er blijven op slagen en stampen. Wij zijn dan vertrokken  wederom in de richting van de Congo en daar gekomen zegde Plovie: laat ons wederkeren om te zien wat er van Demuynck geworden is? Wij zijn alle dry wedergekeerd. Plovie en Vanthuyne hebben dan de kleederen van Demuynck in stukken getrokken. Ik heb dan ook een stuk van de broek getrokken, hetwelk ik medegedregen heb en nabij de herberg de Congo over de haag gesmeten heb.
In tegenwoordigheid van Plovie verklaart: het is niet waar dat ik op Demuynck geslegen of gestampt heb, toen wij den eerste keer bij hem gekomen zijn.
Wij vragen aan de getuige of deze verklaring beteekend dat hij den tweede maal op Demuynck geslegen heeft en hij antwoorde: ik heb niet anders dan een stuk van zijne kleederen afgetrokken.
Op ons aandringen zegt de getuige: het is zoodanig waar dat ik de eerste maal niet geslegen heb, dat toen wij er de tweede maal bijgekomen zijne Vanthuyne tegen mij gezegd heeft: Karel, gij hebt nog niet gedaan, gij zoudt nu ook iets moeten doen. En ik heb dan gelijk de andere op Demuynck geslegen.
In tegenwoordigheid van Vanthuyne verklaart: den eerste maal heb ik niets gedaan, den tweede maal heb ik geslegen gelijk de andere. Wij waren al bij dranke. Het is mogelijk dat Demuynck aangevallen is geweest voor de eerste maal, voor aleer wij in de Congo binnen getrokken zijn (handtekening).
 
Document 10: onderhoring Charles Plovie, 22 jaar zoon van Karel en Marie Verleye, geboren en wonende in Bekegem, werkman.
Vraag: Heeft hij voorafgaandelijk veroordelingen opgelopen
Antwoord: dry keer te Ghistel.
In de nacht van zondag tot maandag laatst, heeft Vanthuyne ruzie gehad met Amand Demuynck in de herberg van Storme. Vanthuyne was kwaad op Demuynck omdat deze laatste hem het spotwoord Klippe toegebracht had en gezeid had dat Vanthuyne geene pinte bier moest hebben. De zoon Storme heeft Vanthuyne buiten gestoken. Ik heb gehoord dat Storme zegde aan Vanthuyne: gij moet Demuynck gerust laten en dat Vanthuyne antwoordde: ik zal hem algelijk wel vinden.
Tusschen een uur en een uur en een half zijn wij naar de herberg de Congo gegaan, alwaar wij niet lang gebleven zijn. Toen wij buiten kwamen hoorden wij op eenigen afstand Amand Demuynck die in zijn dronkenschap zong en tierde. Vanhee zegde, willen wij er naar toe gaan, wij zullen hem enige kletsen langst zijne kaak geven en daar wij ook bij dranke waren, hebben wij dit gedaan. Wij hebben Demuynck gevonden in den bilk, staande tegen de haag, wij hebben alle dry op hem met onze vuisten geslegen, Toen hij gevallen is, ben ik met Vanthuyne weggelopen, maar Vanhee is dan bij Demuynck gebleven en is blijven op hem stampen. Vanhee is bij ons gekomen aan de Congo, hij zegde: willen wij nog eens weerkeeren en hem nog wat geven, wij zij weergekeerd bij Demuynck die roerloos ten gronde lag en wij hebben alledry wederom op hem gestampt en daarna zijne kleederen gescheurd en van zijn lichaam getrokken. Vanhee heeft zelfs een stuk van deze kleederen met zich medegenomen en het nabij de herberg de Congo over de haag gesmeten.
Op interpellatie: ik ontken stellig van mijn mes gebruik gemaakt te hebben, ik had nogthans een mes bij mij, dat nu nog in de zak van een van de zakken van mijne zondagsche kleederen zit.
In tegenwoordigheid van Vanhee verklaart hij: Vanhee heeft gestampt en geslegen zoowel  de eerste keer dan de tweede keer. (Getekend)
 
Document 11: onderhoring Vanthuyne Emiel, 21 jaar, zoon van Leopold en Anna Therese Sevenant, geboren en wonende in Bekegem, werkman, nog nooit veroordeeld.
In de nacht van zondag tot maandag laatst, heb ik mij in de herberg van Storme gram gemaakt tegen Demuynck omdat dezen laatsten zegde, sprekende van mij, die “grote stek klippe” heeft geen pinte meer nodig. De zoon Storme heeft mij buiten gesteken en ik heb hem gezegd dat ik hem daarvoor zou gevonden hebben. Ik ontken bedreigingen tegen Demuynck uitgesproken te hebben.
Toen wij om eenuur en half uit de herberg van Storme vertrokken zijn, hoorden wij op enigen afstand Demuynck roepen en tieren. Vanhee zegde: kom, we gaan er naar toe, wij gaan hem enige kletsen langst zijne ooren geven. Wij zijn gegaan in de richting van den bilk die gelegen is achter de herberg van Storme, wij hebben alle drie Demuynck vastgenomen die daar tegen de haag stond en wij zijn beginnen op hem te slagen tot dat hij in de grond viel. Ik ben dan weggeloopen met Plovie en Vanhee is blijven op hem stampen. Hij is kortst nadien bij ons gekomen en het is dan dat wij te samen in de herberg de Congo gegaan zijn.
Na daar korten tijd verbleven te hebben, zegde Vanhee, wij gaan er nog eens gaan naar kijken en wij zijn alle dry te samen er naar toe gegaan. Demuynck lag ten gronde zonder roeren noch spreken. Wij hebben alle dry op hem wederom geslegen en gestampt en daarna heeft Vanhee de klederen van Demuyncks lijf getrokken.
Op interpellatie: ik had geen mes bij mij en heb noch door Plovie, noch door Vanhee zulkdanig werktuig zien gebruiken.
In tegenwoordigheid gesteld van Vanhee verklaart: Vanhee heeft den eersten maal zowel als de tweede maal op Demuynck geslegen en gestampt. Het is onwaar dat ik hem de tweede maal zou gezegd hebben: Karel, gij hebt nog niets gedaan, gij moet nu ook iets doen.
 
Document 12: aanzoekschrift om Charles Vanhee te arresteren 15/11/1887.
Hij wordt beschuldigd van moordpoging op de persoon van Amand Demuynck. Vraag aan de onderzoeksrechter een bevel van arrest af te leveren.
 
Document 13: 15/11/1887: Vanhee opnieuw verhoord
Charles Vanhee, 19 j, zoon van August en Julie Vanhee, geboren en wonende in Bekegem
Ik werd nog nooit veroordeeld. Ik volherde in de verklaringen en bekentenissen die ik u dezen morgen gedaan heb.
 
Document 14: Bevel van arrest, 15/11/1887: Plovie Charles officieel beschuldigd van moordpoging. Dit feit is strafbaar met 15 tot 20 jaar dwangarbeid.
Persoonsbeschrijving van Charles Plovie
1m 65
Haar en wenkbrauwen blond
Voorhoofd laag
Ogen blauw
Neus en mond: middelmatig
Aangezicht rond
 
Document 15: Bevel van arrest: 15/11/1887: VanthuyneEmiel officieel beschuldigd van moordpoging. Dit feit is strafbaar met 15 tot 20 jaar dwangarbeid.
Persoonsbeschrijving van Vanthuyne Emile
1m 68
Haar en wenkbrauwen zwart
Voorhoofd laag
Ogen grijs
Neus en mond: middelmatig
Aangezicht rond
 
Document 16: Bevel van arrest 15/11/1887: Vanhee Charles officieel beschuldigd van moordpoging. Dit feit is strafbaar met 15 tot 20 jaar dwangarbeid.
Persoonsbeschrijving van Vanhee Charles
1m 66
Haar en wenkbrauwen blond
Voorhoofd middelbaar
Ogen grijs
Neus en mond: middelbaar
Aangezicht rond
 
Document 17: Proces Verbaal opgemaakt door de gendarmerie van Gistel op 14 november
Opgemaakt door Frans Vlieberghe, wachtmeester en Pieter Kempe, gendarm, beide met standplaats te Gistel
Wij werden verwittigd door Josse Ramont, veldwachter te Bekegem, dat er aldaar in de voorleden nacht eene moordpooging had plaats gehad op Amand Demuynck, die maar des ‘smorgens gevonden had geheel buiten kennis; Wij hebben ons seffens ter plaatse begeven en de volgende inlichtingen verzamelt.
Anna Theresia Luyckx, 47 jaar, wwe van Henri Storme, herbergierster te Bekegem, gaf de volgende verklaring
In de nacht van 13 tot 14 dezer maand rond 11/2 uur snachts, waren Amand Demuynck, Emiel Vanthuyne, Karel Plovie, Karel Vanhee, Henri Robaey met zijne moeder in de herberg. Vanthuyne was in een gramschap op Demuynck over het drinken van een glas bier, hij sloeg op de stoof en mijn zoon Eduard deed hem stil zijn. Zij zijn alle langs vooren weg gegaan, buiten Demuynck die langst mijne achterhof is weg gegaan, gelijk hij de gewoonte had te doen. Dezen morgen rond 6 uren heeft men Demuynck geheel gereend gevonden op mijne achterland geheel buiten kennis. Deze personen als zij mijne herberg hebben verlaten waren niet bedronken, zij wisten een weinig van den drank.
Eduard Storme, 21 jaar, herbergier te Bekegem, bevestigt op alle punten de verklaring van zijne moeder, erbij voegende dat Emiel Vanthuyne, in zijne gramschap zegde op Demuynck dat hij hem zou gevonden hebben.
Amand Demuynck, oud 55 jaar, kleermaker te Bekegem, hebben wij niet kunnen aanhoren uit oorzaak zijnen denkelijken toestand, hij ligt op een bed in het gemeentehuis geheel zonder kennis, zonder de dader kunnen kenbaar maken.
Emiel Vanthuyne, 21 jaar, verklaart als volgt
In den voornoemden nacht heb ik met de gezegde personen in de herberg van de weduwe Storme geweest, waar ik een kleine woordenwisseling had met Amand Demuynck, zonder dat ik hem iets misdaan heb. Als ik uit die herberg rond 11/2 van hem weggegaan heb ik Demuynck niet meer gezien, ik heb met Karel Plovie en Karel Vanhee, noch een glas bier gaan drinken in de herberg van Kyndt, waar wij omtrent 20 minuten gebleven zijn en vandaar te samen huiswaarts zijn gegaan zonder nog iemand gezien te hebben.
Karel Plovie, bevestigt op ondervraging op alle punten de verklaring van Vanthuyne, zeggende dat hij Demuynck niet meer gezien heeft  na de herberg van wwe Storme te hebben verlaten
Karel Vanhee verklaart alsvolgt:
Op voorgenoemde nacht heb ik met de gezegde personen in de herberg van de wwe Storme geweest waar wij omtrent11/2 uur snachts zijn uit gekomen, ik ben met Emiel Vanthuyne en Karel Plovie, nog een glas bier gaan drinken in de herberg van August Kyndt, waar wij een goed kwartier zijn verbleven, wij zijn te samen weg gegaan en Vanthuyne en Plovie, zegden: kom wij gaan terug langst achter bij de weduwe Storme en op dit land gekomen zijnde hebben wij Amand Demuynck ontmoet en op eens hebben Vanthuyne en Plovie hem vast genomen, in den grond geworpen en beginnen slagen en stampen, met hunne voeten op alle delen van zijn lichaam, zodanig dat hij daar zoude kunnen voor dood blijven liggen. Ik heb daar geen deel aan genomen. Vanthuyne en Plovie hebben mij grootelijk belast daaraan niemand van te spreken, dat zij dat gedaan hadden.
August Kyndt 50j, herbergier
De 14den dezer maand rond 11/2 smorgens is Emiel Vanthuyne, Karel Plovie en Karel Vanhee in mijne herberg gekomen een glas bier vragend, zij zijn er omtrent een kwart uur verbleven en dan te samen weg gegaan zonder dat ik iets aan hun kunnen bemerken heb.
Karel Christiaens, 62 jaar werkman
De 14den dezer maand rond 4 uur ‘smorgens ging ik om meel naar de molen langs het achterhof van de weduwe Storme, omtrent halfweg van de hof hoorde ik Amand Demuynck, in zijn eigen bezig met spreken, waaruit ik meende dat hij bedronken was, ik heb er niet naar gezien. Bij het thuis komen heb ik dit aan mijn vrouw gezegd.
Rosalie Deschacht, 50j huisvrouw van Karel Christiaens
Mijn echtgenoot die mij gezegd had dat Demuynck daar lag op het achterhof van de weduwe Storme, ben ik op de voornoemden morgen, rond 6 uur gaan zien en zag hem daar tegen de haag liggen, ik heb dit aan Virginie Fierens gezegd, die hem dan naar het gemeentehuis gedragen heeft.
Eduard Kyndt zoon van August, 19 jaar werkman
In de nacht van 13 op 14 dezer maand heb ik Emiel Vanthuyne hooren zeggen in de herberg van de weduwe Storme, dat hij Demuynck zou gevonden hebben
August Samyn 46 j, August Logghe, 40jaar en August Maertens 20j zoon van Pieter, alle werklieden te Bekegem, verklaren dat in die nacht rond 1,5u in de herberg van August Kyndt aan het kaarten waren, waar Emiel Vanthuyne, Karel Plovie en Karel Vanhee zijn binnen gekomen, een glas bier drinkende en zijn te samen een twintigtal minuten nadien weg gegaan, zonder dat zij aan hun iets gezegd hebben
Henri Rabaey, 30j werkman en zijn moeder Charlotte Knockaert, 55j, wwe van Frans Rabaey, verklaren dat zij in de herberg waren, zij waren er maar enkele minuten. Vanthuyne was in een gramschap en de bazinne zegde hem dat hij moest zwijgen, dat zij en haar zoon meester waren in haar huis.
Wij bestatigen ter plaats zijnde hebben vastgesteld, dat op de plaats waar Demuynck zonder kennis gevonden is, veel bloed te bevinden was, die plaats was omtrent 50 meter afstand van de herberg van weduwe Storme en omtrent 100 meter van de herberg van August Kyndt, waar de betichten zijn uitgekomen als zij met voorbedachten rade terug langs achter in de richting van de herberg van de weduwe Storme zijn gegaan, om er Demuynck te ontmoeten, want zij moeten naar die herberg niet gaan om in huis te kunnen, mits de herbergierster en haar zoon, hun lang van te vooren hadden hunne herberg doen verlaten om kunnen slapen te gaan. Wij hebben nauwkeurig al de klederen die in huis waren bij Vantyghem, Plovie en Vanhee, nauwkeurig nagezien en hebben geene de minste bloedvlekken er kunnen op bemerken, zoals geene zakmessen waar Demuynck zoude mee gesteken zijn. De klederen van het slachtoffer, die geheel in stukken getrokken zijn hebben wij in beslag genomen te weten: 1e een paletot, 2e een broek, 3e een onderveste, 4e een hemde die wij naar de griffie van eersten aanleg te Brugge.
Wij hebben de betichten Vanthuyne en Plovie voorlopig aangehouden en ter beschikking gehouden van het Parket te Brugge die ter plaatse gekomen zijn.
 
Document 18: Telegramme
Document 18bis: vertaling van 18
15/11/1887: Telegram van de commandant van de gendarmerie te Gistel (Vliebergh) aan de Procureur des Konings te Brugge
Demuynck rond de middag overleden, proces verbaal verklaringen door hem gedaan voor zijne dood.
 
Document 18 ter: aanzoekschrift
Verzoek van de procureur des Konings aan de onderzoeksrechter een gerechtelijk onderzoek in te stellen
 
Document 19: Verslag geneesheren (14/11/1887)
Document 19bis: vertaling nr 19
Verslag van de wetsdokters Felix Saeys en Jacobus Van Caeneghem. Zij werden aanzocht door onderzoeksrechter De Cock. Na de eed te hebben afgelegd geven zij hun advies in eer en geweten:
Den genaamden Amand Demuynck op onze aankomst te Bekegem, bevond zich op een stroobed ten gronde geleidt, in eene herberg van het dorp. Het is een man van eene zwakke gesteltenis en schijnende een goed  vijftig jaar oud te zijn. Hij bevond zich buiten kennis en in eenen staat van buitengewoone nederdrukking, onmogelijk van hem de minste antwoord te bekomen, de lidmaten waren ijskoud, de huid in zijn geheel koud, de puls verminderd, somwijlen zelfs onvoelbaar. Het gezicht erg gekneusd op zijn linker helft, vertoonde eene steek van het punt van een mes, van eene lengte van ongeveer een centimeter en zich richtende van binnen naar buiten, hebbende oppervlakkiglijk de linker wenkbrouw doorsneden en waarvan het punt insnede gemaakt had in het onderste ooglid aenzelve kant; Op het verste midden van de linkere wenkbrauw bestond er insgelijks eene messteek maar veel dieper gaande tot op get been en van eene uitgestrektheid van omtrent dry centimeters, zich ingelijks richtende van binnen naar buiten; de twee oogleden waren zeer gezwollen en gekneusd, van eene purpere kleuring en nauwelijks de oogappel latende zien die onaangeraakt gebleven was, maar een groote bloed uitloop vertoonende in het bindvlies. Buiten deze verschillige wonden, was de linker schouder zeer gekneusd zoals ook het gedeelte der rug aan de binnenste kant van het schouderblad van hetzelfde gedeelte. Op de betasting van de buitenste kant der borstholte, gevoelde men eene klaarblijkenste kneusing, kenmerkende teeken van eene ribbenbreuk; de erge toestand van den gekwetsten heeft ons niet toegelaten het juiste getal er van vast te stellen noch ook de naam niet.
Eindelijk noemen eenige kleine krabbelingen op het bovenste der linkerhand en eenige kleine kneusingen met opschrabbing van het oppervel aan de rechterknie en aan het buitenste gedeelte van de kuit al dezelfde kant;
Besluitselen:
1e De wonden dewelke Demuynck vertoond hebben veroorzaakt geweest: de eene bij middel van een snijdend werktuig, de andere bij middel van een kneuzend werktuig
2e De staat van den gekwetsten is ten ergsten en zal waarschijnlijk doodelijke gevolgen voor gevolg hebben, door de erge nederdrukking in dewelke hij zich bevind
3e Het is onmogelijk tegenwoordiglijk vast te stellen, indien er inwendige wonden bestaan, het is geheel waarschijnlijk: het slachtoffer, navolgens het zeggen van de omgeving, hebbende nog al eene  groote hoeveelheid bloed gespouwen.
Brugge 14/11/1887
 
Document 20 Procesverbaal van transport
16/11/1887
Na het telegram ontvangen te hebben dat het slachtoffer overleden is, en met advies van de Procureur des Konings; besluit de onderzoeksrechter zijn vorig procesverbaal voort te zetten.
Onderzoeksrechter Joseph Decock en de procureur des Konings begeven zich naar Bekegem om aldaar de wetsdoktoren te laten overgaan tot de lijkschouwing van Amand Demuynck.
In Bekegem ontmoeten zij de bevelhebber van de gendarmerie die hen naar het gemeentehuis leidt, war het lijk is neergelegd; De wetsdoktoren Saeys en Vancaneghem bijgestaan door geneesheer Hector Olliviers van Eernegem, verrichten de lijksschouwing; Gedurende de lijksschouwing maken zij een plaatsschouwing op en stellen een voorlopig plan op.
De getuige Livin Jonckheere, herbergier, vertoond de plaats waar hij een stuk van de broek van Demuynck gevonden heeft; deze plaats is op zes meter afstand van de haag in de nabijheid van de herberg de Congo. Eenige stappen verder, naar de weide toe van de weduwe Storme, vertoond hij ons de plaats waar hij een stuk van de ondervest van Demuynck al binnen op de haag heeft vinden liggen.
Wij begeven ond dan ten huize van Louise Rommelaere, vrouw van Eduoard Deblauwe en ten huize van Rosalie Vandaele, vrouw van Karel Pollet, wonende digt de weide waar Demuynck mishandeld is geweest en op onze interpellatie verklaren beide vrouwen geen gerucht op straat gehoord te hebben.
Daarna begeven wij ons ten huize van de betichte Karel Plovie, alwaar voor ons verschijnt Auguste Plovie, broeder van de betichte, dewelken op onze vragen de zondagsche kleederen van zijnen broeder Karel vertoond; wij onderzoeken dezelve en vinden er geen mes in, maar August Plovie behandigt ons een mes, zeggende dat het dit van zijnen broeder Karel is en dat hij het ten gronde, nabij de kas gevonden heeft, nadat maandagmorgen den bevelhebber der gendarmery deze kleederen was komen nazien. Hij vertoond ons ook de schoenen van zijnen broeder Karel die deze laatsten zondag lest aan had. Wij nemen dit mes en de schoenen in beslag.
Wij begeven ons dan ten huize van Emile Van Thuyne, waar voor ons verschijnen Leopold Vanthuyne en Anna Therese Sevenant, vader en moeder van de betichte, dewelke verklaren dat alle zondage voor aleer hunnen zoon ‘snoens het huis verlaat, hij zijn mes moet afleggen, maar dat zij niet weten of hij zulks zondag lest gedaan heeft, aangezien, zij beide van hun huis afwezig waren op dat oogenblik, dat wanneer zij later in de namiddag zijn te huis gekomen, toen hunnen zoon reeds vertrokken was, zij zijn mes op de tafel niet hebben zien liggen, waar hij het gewoonlijk moest leggen en zij voor het ogenblik niet weten waar dit mes zich bevindt. Het mes van onzen zoon Emile, zeggen zij beide is een bitje kleiner dan dit van Plovie, die hij mij vertoond, maar het heeft hetzelfde maaksel. De moeder van Vanthuyne behandigt ons dan op onze vraag een paar schoenen toebehorende aan haren zoon Emile en zij zegt dat het deze schoenen zijn dat haar zoon zondag lest aangehad heeft, dat het de enigste schoenen zijn die haar zoon bezit en hij ze van de gewezen burgemeester Luyckx gehad heeft.
Wij begeven ons dan op nieuw ter herberg het gemeentehuis alwaar wij den voornoemden Luyckx vinden aan wie wij de inbeslag genomen schoenen van Van Thuyne vertoonen en hij verklaart dat eene van deze schoenen hem heeft toebehoort, maar de andere niet. Op ons bevel keert den commandant terug naar het huis van Vanthuyne om de andere schoe, van het paar door Luyckx aan Vanthuyne gegeven, te vragen. Toen hij terug keerd verklaart hij dat de moeder van Vanthuyne hem het mes van haren zoon Emile heeft behandigd, het welk zij, in zijne tegenwoordigheid gevonden heeft op eene kas staande nevens de schouw. Wij nemen dit mes en het paar schoenen van Vanthuyne in beslag te einde insgelijks te dienen als overtuiging stukken.
Wij behandigen alsdan verschillige waarschuwingen aan den burgemeester van Bekegem, ten einde de personen er op vermeld (2 zinnen ontbreken)
 
 
Document 21: Plan
 
                                          Demuynck-ass (63) 
 
Document 22: Verslag der geneesheren (16/11/1887)
 
Document 22 bis: Vertaling van nr 22: Verslag van de lijkschouwing
Het lijk van ons onderzoek overgelegd vertoond een overgroot getal wonden.
Voor eerst aan het hoofd, eene groote kneuzing der twee oogleden van het linkeroog, met bloed uitstorting in het bindvlies, kneuzing zich naar boven en naar buiten uitstrekkende, op zulke wijze dat ze geheel de voorhoofdbobbel overdekt van deze kant. Twee kleine kneuswonden met afschrabbing van het oppervel aan het bovenste van de neus. Vijf of zes krabbelingen aan het bovenste middendeel van het voorhoofd. Een kleine kneuswonde aan den hoek van het rechter kaaksbeen. Aan de vereeniging van het voorhoofdbeen met het vorenste deel van het rechter wangbeen, eene snede van ongeveer dry centimeters lengte, veroorzaakt door eene messteek; de wonde reeds beschreven in ons eerste verslag en bestaande aan de linker wenkbrauw, eindelijk deze van het onderste ooglid.
Op de linkerarm, bestond er eene breede kneuzing op gansch het binnendeel. De schouder was insgelijks zwaar gekneusd, zooals ook het bovenste van de hand al deze kant; De borst vertoonde vier kleine kneuswonden aan het rechter zijdeel, en de linkerkant was zwaar gekneusd nabij het derde mediaan. Het linkerbeen vertoonde op dry plaatsen bloeduitstortingen, van elkander verwijderd van vijf centimeters in het algemeen; te meer, de rechter knie en de vorenste en zijde deelen van het been, waren bedekt met menigvuldige afschrabbingen van het oppervel, dat men kan schatten van dertig tot veertig.
Voor wat aangaat de eigenlijke gezegde lijkschouwing: onder de schedelhuid, aan de linkeroog, op dezelfde hoogte overeenkomende met de kneuzing reeds beschreven, bestaat er tusschen de schedelkas en het vel een bloeduitstorting bekleedende alle de linker zij en vorenste deelen van het voorhoofd. De beenachtige kas hebbende gezaagd en weg genomen geweest, de aders van de linker zijdehelft der hersenen vertoonden zich volbloedigender dan deze van de rechterkant; maar in de hersenmassa heeft er geen een bloedvloedende hoofdletsel te bestatigen geweest. Aan de borstkas bevinden zich zware wonden, geheel het linker beengestelsel heeft ingedrukt geweest, men bestatigt eene beenbreuk van verschillige ribben; de tweede, de derde, de vierde, de vijfde en de zesde rib hebben gebroken geweest, en hunne afbreeksels zijn gedrongen in de longe van deze kant, die gansch gescheurd is en gebracht is in eene soort van zwarten deeg.
Besluitselen:
Van de lijkschouwing, besluiten wij dat de dood moet toe te wijten zijn aan de vernieling van de linker longe, met alle hare gevolgen.
Brugge 16 november 1887
 
Document 23: Proces verbaal der gendarmery
Proces Verbaal van de gendarmerie op 15 november 1887, opgemaakt door Frans Vliebergh, wachtmeester en August Baute, gendarme beide met de standplaats Gistel, met ons uniform bekleed, onze opzoekingen voortzettende van de 14e dezer. Wij hebben volgende inlichtingen verzameld.
Joseph Demuynck, 60 jaar, kleermaker te Bekegem doet volgende verklaring:
In de nacht van 14 tot 15 november rond 3 uur ‘s morgens waakte ik mijnen zieken broeder Amand, die mij zegde dat hij in de verleden nacht geslagen geweest was, eerst van Karel Plovie, die hem een slag gegeven heeft dat hij in den grond viel en daarna van Emiel Vanthuyne, die hem stampte en schopte. Op ondervraging of Karel Vanhee, hem niet geslagen had zegde hij het niet wist. Als mijn broeder mij dat verklaarde, was hij goed bij zijn verstand.
Romanie Verplancke, 21 jaar, dochter van Frederic, werkster in Bekegem verklaart: “In de nacht van 14 tot 15 november omtrent 3 uur smorgens waakte ik Amand Demuynck te samen met zijn broeder Joseph, ik hoorde Amand aan Joseph zeggen dat Plovie hem eerst een slag gegeven had, dat hij ten gronde viel, daarachter sprak hij van Vanthuyne, zonder dat ik dit verstaan heb en daarna  hoorde ik hem zeggen dat hij niet wist dat Vanhee hem geslagen had.”
Virginie Fierens, 44 jaar, huishoudster, verklaard volgende
Den 14e dezer rond 6 uur smorgens is Rosalie Deschacht, huisvrouw van Carel Christiaens, mij komen zeggen dat Amand Demuynck op het achterland van de weduwe Storme lag, waar ik met haar gaan zien heb, daar gekomen zijnde heb ik Demuynck daar zien liggen, de kleederen van zijn lijf gescheurd, zij hebben hem dan seffens naar het gemeentehuis gedragen. De 15en dezer maand bezorgde ik hem als hij mij rond 6 uur ‘s morgens zegde dat Karel Plovie hem eerst in de grond geslagen had en dat Vanthuyne Emiel hem dan ook geslagen had. Aangaande Vanhee, die kon hem niet slagen, omdat zijn arm gebroken geweest was;
Pieter Klemp, 46 jaar, gendarm te Gistel doet volgende verklaring:
De 15e dezer bevond ik mij in het gemeentehuis te Bekegem rond 8 uur ‘s morgens, om er een pak klederen te halen van Armand Demuynck, die wij het daags te vooren in beslag genomen hadden, waar Amand Demuynck, die in den nacht te vooren bij zijn verstand gekomen was mij verklaarde dat Karel Plovie, hem eerst een slag met iets op zijn hoofd gegeven had dat hij te gronde viel en dat Vanthuyne hem dan ook geslagen en gestampt had. Aangaande Vanhee, wist hij niet of die hem iets misdaan had.
Wij bestatigen, brengen ter kennis aan Mijnheer den Procureur des Konings, dat Amand Demuynck, een groot gedeelte van den nacht van 14 tot 15 goed bij zijn verstand is geweest tot rond 9 uur in de voormiddag, tot wanneer hij is beginnen overgeven en allengskens verslecht, tot rond de middag dat hij overleden is.
 
Document 24: verhoor Jonckheere Lieven
17/11/1887: ondervraging door onderzoeksrechter Decock van Livin Jonckheere, 40 jaar, herbergier te Bekegem:
Toen ik den maandagmorgen om zeven uren uit mijn huis gekomen ben, zag ik eene verzameling van volk niet ver van mijn huis. Ik vernam dat Amand Demuynck binst de nacht mishandeld had geweest en reeds in het gemeentehuis gedregen was geweest, Binst dat wij daar stonden te klappen zag ik opeens over de haag, niet verre van de Congo en op de plaats welke ik u gisteren aangeduid heb, een voorwerp te gronde liggen; ik ben het gaan oprapen, het was een stuk van een broek, hetzelve dat gij mij vertoond. Niet ver van daar vond ik een stuk van de voering van een gilet dat al binnen aan de haag hing.
Gedurende de nacht had ik noch niemand van mijn huisgezin eenig gerucht gehoord, maar des morgens toen ik om zes uren, mijne koeien ging bestellen, hoorde ik als eene soort van klagen langs de straat, ik ben gaan zien, maar heb niets ontwaard.(handtekening)
 
Document 25: verhoor  Samyn August
17/11/1887: ondervraging door onderzoeksrechter Decockvan August Samyn, 46 jaar, werkman te Bekegem:
In de nacht van zondag tot maandag laatst, speelde ik met de kaart in de herberg de Congo van August Kyndt te Bekegem. Tusschen een uur en één uur en half zijn Emile Vanthuyne, Karel Vanhee en Karel Plovie aldaar binnen gekomen. Zij waren ligtelijk bij danke en zongen. Zij zijn daar omtrent twintig minuten  verbleven en zijn vertrokken zonder dat ik dat heb kunnen zien alwaar zij gegaan zijn. Ik ben in de herberg de Congo gebleven tot twee uren en ik heb gedurende dien tijd geen het minste gerucht buiten gehoord. (kan niet tekenen)
 
Document 26: verhoor Maertens August
17/11/1887: ondervraging door onderzoeksrechter Decock van Maertens August, 20jaar, werkman te Bekegem:
Zondag nacht tusschen één en twee uur, terwijl ik aan het kaartspel was in de Congo met Logghe, Samyn en den baas Kyndt, zijn Plovie, Vanthuyne en Vanhee daar binnen gekomen, zij waren ligtelijk beschonken en hebben daar zelfs gezongen. Ik kan niet zeggen hoe lang zij daar verbleven zijn. Ik heb niets bezonders aan hen bemerkt. Rond twee uren ben ik vertrokken met Samyn en Logghe en wij hebben niets gewaar geweest (handtekening)
 
Document 27: verhoor Logghe August
17/11/1887: ondervraging door onderzoeksrechter Decock van August Logghe, 40 jaar, werkman te Bekegem.
Ik heb met de kaart gespeeld in de herberg de Congo te Bekegem met Samyn, Maertens en Kyndt August. Tusschen één en twee uur, zonder dat ik het uur nader kan bepalen, zijn Plovie, Vanthuyne en Vanhee daar binnen gekomen, zij waren eenigzints verblijd van den drank. Ik kan niet zeggen hoe lang zij daar verbleven zijn. Ik heb niets bijzonders aan hun bemerkt. Ik ben vertrokken met Samyn en Maertens, wij hebben niets gewaar geweest (handtekening)
 
Document 28: verhoor Kindt Eduard
17/11/1887: ondervraging Kyndt Edouard, 19jaar, werkman
In de nacht van zondag tot maandag, heb ik mij bevonden in de herberg van Storme, alwaar ik Emile Vanthuyne hooren zeggen heb tegen Demuynck: Manten, ik zal u wel vinden; Hij zegde dat zonder dat Demuynck hem het woord toegestuurd had, noch zonder dat Demuynck daartoe eenige aanleiding had gegeven. Ik heb niet gezien dat de zoon Storme, Vanthuyne buiten gesteken heeft. Ik ben ten hoogsten maar eene halve uur in deze herberg verbleven en ben tusschen één uur en een uur en half te huis gekomen.
Toen ik te huis kwam, heb ik mij onmiddellijk te bed begeven en heb Vanthuyne, Vanhee en Plovie niet meer gezien. (getekend)
 
Document 29: verhoor Knockaert Charlotte
17/11/1887: ondervraging van Charlotte Knockaert, weduwe Robaey, 60 jaar, werkster, Bekegem
In de nacht van zondag tot maandag, ben ik om een uur en half mijn zoon gaan roepen uit de herberg van de weduwe Storme; mijn zoon is onmiddellijk met mij medegekomen; terzelver tijd kwamen Vanthuyne en Plovie ook buiten. Vanhee was dan nog in huis. Ik ben met mijnen zoon voortgegaan en heb deze personen daar gelaten.
Ik heb niet belet dat Vanthuyne in gramschap was, maar mijn zoon heeft mij daar iets van verteld, hij zegde dat er ruzie geweest was tusschen Vanthuyne en Demuynck.
Ik heb nooit gehoord dat er voordien ruzie zou bestaan hebben tusschen Vanthuyne en Demuynck, maar het is mogelijk dat er daar zou kunnen jaloersheid in bestaan hebben, want de vader Vanthuyne heeft ook kleermaker geweest in den tijd, nu heeft hij bijna niets meer te doen. Amand Demuynck was ook kleermaker en zijn broeder Joseph Demuynck is nog kleermaker te Bekegem in het dorp. (kan niet schrijven)
 
Document 30: verhoor Robaey
17/11/1887: ondervraging van Henri Robaey, 30 jaar, bakker te Bekegem
Ik was nog maar enige oogenblikken in de herberg van Storme binnen gekomen toen mijne moeder mij is komen roepen. De herbergierster was juist bezig met te vertellen dat Vanthuyne in zijne colere geweest was en dat haren zoon hem had moeten buiten steken omdat hij opgespeeld had wegens betaling van drank. Zij heeft mij daarover geene andere bijzonderheden doen kennen
Ik weet niet dat er voordien ooit ruzie zou bestaan hebben tusschen Vanthuyne en Demuynck. (ondertekend)
 
Document 31: verhoor Demuynck Joseph
17/11/1887: ondervraging van Joseph Demuynck, kleermaker te Bekegem
Toen ik in de nacht van maandag tot dinsdag mijnen broeder Amand waakte, bemerkte ik dat hij bij zijn verstand kwam; rond een uur en half zegde hij mij dat hij verbetering in zijnen staat gevoelde. Hij vroeg mij of men reeds wist wie hem mishandeld had en ik antwoordde hem dat er nog niemand op geheel de prochie was die dat wist. Hij zegde mij dan: eh wel, het is Plovie die mij den eersten slag gegeven heeft waarvan ik gevallen ben en daarna hebben Plovie en Vanthuyne mij beide geschopt en gestampt. Ik vroeg hem waren zij maar met twee dan en hij antwoordde: Vanhee was er ook bij, maar gelijk ik bijna onmiddellijk van mijn zelven geweest ben, weet ik niet of dezen mij ook mishandeld heeft; Ik was alleen bij mijnen broeder toen hij mij zulks verklaarde; de meid Romanie Verplancke was ook in de kamer, maar zij zat nevens het bed niet en ik weet niet of zij al verstaan heeft wat mijn broeder mij gezegd heeft;
Er heeft nooit geene oneenigheid bestaan tusschen VanThuyne en mijnen broeder. Dezen laatsten heeft nog bij mij gewoond, maar ik heb hem mijn huis doen verlaten omdat hij de slechte gewoonte had gansche nachten in de herbergen over te brengen. (kan niet tekenen)
 
Document 32: verhoor Verplancke Romanie
17/11/1887: ondervraging van Romanie Verplancke, 21 jaar, dienstmeid te Bekegem
Ik was in de kamer waar Jozef Demuynck zijnen broeder Amand waakte (maar ik zat bij het bed niet). Ik hoorde dat Jozef Demuynck aan zijnen broeder zegde: Manten, zoudt gij niet kunnen zeggen wie u den eersten slag gegeven heeft en Amand antwoorde: Plovie. Jozef vroeg dan: is het Plovie die u den eersten slag gegeven heeft, waarvan gij in den grond gevallen zijt. Amand antwoordde: ja; Ik heb dan ook gehoord dat zij van Vanthuyne spraken, maar heb niet gehoord wat zij daarvan zeiden. Jozef sprak dan ook van Vanhee en Amand antwoordde: ik weet het niet, gij moet mij gerust laten. Amand Demuynck was wel bij zijn verstand, want hij heeft mij herkend en mij zelfs bij mijne naam genoemd. Hij was geheel tot zijn zelven gekomen, want hij is zelfs in de nacht opgestaan om zijne noodigheid te doen (ondertekend)
 
Document 33: verhoor Fierens Virginie
17/11/1887: ondervraging van Virginie Fierens, vrouw Kyndt, 44 jaar, herbergierster
In de nacht van zondag tot maandag tusschen een uur en een uur en half zijn Plovie, Vanthuyne en Vanhee in mijn herberg binnen gekomen, zij waren ligtelijk beschonken en na een kwartier uurs verbleven te zijn, zijn zij vertrokken. Ik weet niet in welke richting. Wij hebben niets bijzonders aan hun bemerkt.
Den maandagmorgen om 6 uur, heb ik vernomen dat Amand Demuynck gekwetst lag langst de haag. Ik ben gaan zien, Demuynck lag ten gronde het aangezicht bedekt met bloed, zijne kleederen die van zijn lijf getrokken geweest waren en in stukken gescheurd lagen rondom hem gestrooid.
Dynsdag morgend om vijf uren en half, ben ik Amand Demuynck gaan oppassen in vervanging van zijn broer Joseph die hem binst de nacht gewaakt had. Terwijl ik alleen met hem was zegde hij mij: ik heb er leelijk van gehad niet waar. Ik vroeg hem daarop: wie heeft dat nu gedaan, hij antwoordde het is Plovie die mij den eersten slag gegeven heeft, dat ik gelijk in dolorum was, Vanthuyne heeft mij dan ook geschopt en gestampt, ik hernam: en wat heeft Vanhee gedaan en hij antwoordde, wat zou Vanhee gaan doen, hij heeft maar een arm die deugd. Ik heb hem dan niet verder ondervraagd omdat ik zag dat hij zeer vermoeid was. Hij was niettemin, volgens mijn gedacht, in ‘t bezit van zijn volle verstand (kan niet tekenen)
 
Document 34: verhoor  Kemps Pieter
17/11/1887: ondervraging Pieter Kemps, 46 jaar, gendarme in Gistel
Toen ik den 15e smorgens te Bekegem toekwam, vernam ik dat Demuynck tot zich zelven gekomen was. Ik heb mij onmiddellijk bij hem begeven en hem gevraagd: Kent gij de personen die u mishandeld hebben en hij heeft mij geantwoord: Plovie, heeft mij den eersten slag gegeven op mijn hoofd dat ik op den grond gevallen ben, Vanthuyne heeft dan ook op mij geschopt en gestampt te samen met Plovie.
Ik vroeg: Is het met een mes dat Plovie is geslegen heeft en hij zegde: ik weet het niet. Ik vroeg nog: heeft Vanhee u ook mishandeld en hij antwoordde: ik kan het niet zeggen, hij heeft mij misschien mishandeld toen ik van mijn zelven was, want hij was er ook bij. Toen Demuynck mij deze verklaringen deed, was hij ten volle bij zijn verstand, maar hij leed veel en was zeer afgemat.
 
Document 35: onderhoring Vanthuyne Emiel
18/11/1887: ondervraging Emiel Vanthuyne door Joseph de Cock, onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg.
Op interpellatie verklaard: Ik herken als het mijne het mes dat gij mij vertoond en dat gij in het huis van mijne ouders aangeslagen hebt; ik had dat mes bij mij niet in de nacht van zondag tot maandag laatst. Ik heb de gewoonte alle zondag na de middag, voor aleer ik uitga, mijn mes neder te leggen op de tafel van ons huis en ik beweere dat ik dit zondag namiddag ook gedaan hebbe in tegenwoordigheid van mijn vader en moeder, toen ik rond een uur op het punt was te vertrekken zegde vader mij: jongen uw mes en ik heb het op de tafel gesmeten.
Maandag morgend vroeg ik mijn mes wederom aan mijne moeder en zij antwoordde dat zij niet wist waar het was; ik heb dan het mes van mijn broeder genomen om mijn tabak te kerven.
Ik loochene nog eens bedreigingen uitgesproken te hebben tegen Demuynck in de herberg van Storme; wat de getuige Eduard Kyndt daarover zegt is geen waar.
Wij aanzoeken de betichte ons opnieuw de omstandigheden te doen kennen in dewelke hij met zijne medeplichtige Demuynck mishandeld heeft en hij verklaard. Toen wij de herberg van Storme verlaten hadden en bijna gekomen waren aan de herberg de Congo nevens dewelke wij alle dry ik en Plovie de straat moesten inslaan om naar huis te gaan, hoorden wij Amand Demuynck tieren en leven maken in den bilk achter het huis van Storme. Op dat hooren, Vanhee zegde tegen mij: hoort gij hem daar beeren (tieren) den dezen die wilde ruzie maken tegen u in de herberg. Vanhee voegde erbij gauw wij gaan hem eenige kletsen langst zijn ooren gaan geven. Wij zijn onmiddellijk er naar toe gegaan. Bij Demuynck gekomen heeft Plovie hem eenen slag op het hoofd gegeven dat hij ten gronde gevallen is, ik heb niet gezien of Plovie met een voorwerp geslegen heeft, het is geheel zeker dat ik geen mes in zijn hand gezien heb. Plovie viel op Demuynck en bleef voort op hem slagen. Vanhee heeft dan onmiddellijk op Demuynck beginnen stampen en ik heb er op geschopt. Plovie stampte ook op hem.
Wij doen kennen aan den ondervraagden dat Demuynck aan verschllige personen verklaard heeft, dat Plovie hem in de grond geslegen heeft en dat hij Vanthuyne en ook Plovie, op hem alsdan geschopt en gestampt hebben en hij verklaart: het is gelijk ik koom te zeggen; Den betichten zegt nog: ik ben den eersten weggegaan van Demuynck, binst dat Vanhee en Plovie er bleven opstampen, maar zij zijn al dapper achter gekomen en wij zijn te samen in de Congo gegaan.
Deze mishandelingen op Demuynck hadden wel een minuut of vijf gedeurd; ik kan niet zeggen hoeveel keeren ik op hem geschopt heb. Wij schopten en stampten alle dry te samen.
Toen wij een kwartier uurs in de Congo geweest waren zegde Vanhee ons: wij zouden moeten eens gaan zien of Manten daar nog ligt. Toen wij er bijkwamen, zagen wij dat hij nog roerde. Vanhee is onmiddellijk begonnen erop te stampen, Plovie en ik hebben hetzelve gedaan.
Toen wij ophielden trok Vanhee den broek van Demuynck aan stukken, Plovie en ik hebben dan ook zijne andere kleederen gescheurd en daar gesmeten. Vanhee heeft een stuk van den broek genomen en medegedaan.
Ik had in dien nacht de schoenen aan die gij mij vertoond.
In tegenwoordigheid gesteld van Plovie en Vanhee verklaart: het is geen waar dat ik, toen wij den tweeden maal naar Demuynck gingen, aan Vanhee gezegd heb: Karel, gij hebt nu nog niets gedaan, gij moet nu ook iets doen. Vanhee heeft den eersten maal, zoo wel als den tweeden maal met ons op Demuynck gestampt en hij is er zelfs blijven op stampen toen Plovie en ik weggeloopen zijn, hij heeft ons achterhaald aan de ballie (ondertekend)
 
Document 36: onderhoring Plovie Charles
18/11/1887: Het mes dat gij mij vertoond en dat gij aangeslagen hebt in het huis van mijne moeder, is het mijne, maar het is dat mes niet dat ik op mij droeg in de nacht van zondag tot maandag lest. Het mes dat ik bij mij had, is kleiner en heeft geenen houten maar wel eenen beenen hecht.
Toen wij uit de herberg van Storme kwamen, zagen wij dat er licht was in de herberg de Congo, wij gingen er teweeg naar toe, maar toen wij er niet ver van waren, hoorden wij Demuynck die aan het tieren  was in den bilk achter de herberg van Storme. Wij zegden tegen malkaar: willen wij hem enige kletsen tegen zijne ooren gaan geven, ik weet niet wie dit eerst gezegd heeft, maar ik peins dat het Vanhee geweest is. Wij waren onmiddellijk alle dry content, want wij waren een bitje bij dranke.
Toen wij bij Demuynck kwamen hebben wij te samen beginnen op hem slagen tot dat hij ten gronde gevallen is; ik heb met geen mes geslegen, noch heb door de andere ook met geen mes zien slaan. Toen hij ten gronde lag hebben wij alle dry op hem gestampt eene minuut of dry land en wij zijn dan weggeloopen.
Wij doen aan de ondervraagde de verklaring kennen die Demuynck gedaan heeft en hij antwoord: Vanhee heeft gestampt gelijk wij en hij is zelfs op Demuynck blijven stampen toen Vanthuyne en ik weggelopen zijn.
Toen wij een kwartier uurs in de Congo verbleven waren, sprak Vanthuyne van te gaan zien wat er van Demuynck geworden was. Wij zijn er naar toe gegaan. Demuynck lag nog op dezelfde plaats, hij sprak niet maar hij hielt niet op van klagen. Wij hebben alle dry wederom op hem beginnen stampen tot dat hij bijna niet meer roerde. Wij hebben dan al zijne kleederen gescheurd en van zijn lijf getrokken, ik weet niet wie dat eerst gedaan heeft. Wij hebben alle dry even veel gedaan.
Ik had in dien nacht de schoenen aan die gij mij vertoond.
In tegenwoordigheid gesteld van Vanhee verklaart: ik blijve volherden in al hetgeen ik u gezegd heb. Ik heb niet gehoord dat Vanthuyne zegde tegen Vanhee: gij hebt nu nog niet gedaan, gij moet nu ook meedoen. Het is ook zeker dat hij bij de eerste maal gestampt heeft gelijk wij en zelfs dat hij blijven stampen is, toen wij ophielden.
In tegenwoordigheid van Vanthuyne verklaart: ik blijf volharden. (getekend)
 
Document 37: onderhoring Vanhee Charles
18/11/1887: ondervraging van Charles Vanhee
Het is meer dan dry maanden dat ik geen mes meer bezit, ik had geen mes bij mij in de nacht van zondag tot maandag laatst. Toen ik met Vanthuyne en Plovie uit de herberg van Storme gegaan ben, ben ik met hun meegegaan omdat wij van gedacht waren nog in de herberg de Congo binnen te gaan. Toen wij daar bij kwamen, hoorden wij Demuynk tieren. Een van mijne gezellen zegde: (ik weet niet welk een van de twee) hoort gij Manten, willen wij eens hem ferme tegen zijn kop geven. Wij zijn er onmiddellijk naar toe gegaan, Plovie en Vanthuyne zijn beginnen op hem slaan tot dat hij in de grond viel en daarna hebben zij op hem gestampt. Ik weet niet waarmede zij geslegen hebben, ik heb niet gezien of een van hen een mes in zijn handen had. Ik heb aan deze mishandelingen geen deel genomen, ik stond een stap of vier daarvan en ik heb hun laten doen.
Toen zij ophielden, ben ik met hen vertrokken naar de herberg de Congo. Weinigen tijd daarna stelde Vanthuyne voor van te gaan zien of Demuynck daar nog lag. Wij zijn er naar toe gegaan, Vanthuyne zegde mij onder den weg: Karel, gij hebt nu nog niet gedaan, gij moet ook iets doen. Toen wij bij Demuynck kwamen, lag hij nog altijd op dezelfde plaats of daar omtrent, hij roerde niet. Hij sprak ook niet, maar hij klaagde binnensmonds. Wij hebben dan alle dry op hem geslegen, geschopt en gestampt, ik kan niet zeggen hoelang dit gedeurd heeft, wij hebben elk een stamp of vier gegeven, niet meer. Wij hebben dan alle dry aan hem beginnen trekken, zijne kleederen bleven in onze handen; wij hebben deze klederen gescheurd en van zijn lijf getrokken; Wij hebben de stukken hier en daar gesmeten en ik heb een stuk van zijn broek medegedregen tot nabij de herberg de Congo, alwaar ik het over de haag gesmeten heb. Ik kan niet zeggen of het, het stuk is dat gij mij vertoond.
Toen wij van Demuynck gescheiden zijn, roerde hij niet meer.
Op interpellatie: de schoenen die ik dien nacht aan had berusten in mijn huis, ik bezit maar één paar schoenen.
Wij vertonen aan de ondervraagden het mes aangeslagen ten huize Plovie en hij verklaard: het is dat mes niet dat Plovie mij in de namiddag van zondag lest geleend heeft om eenen appel te snijden; het mes dat hij bij zich had, had geenen houten hecht en was niet gekromd.
In tegenwoordigheid gesteld van Plovie verklaart: ik heb den eersten maal niets gedaan. In tegenwoordigheid van Vanthuyne verklaart: ik blijf volharden. (getekend)
 
Document 38: Brief heer onderzoeksrechter
Document 38bis: vertaling van nr 38
Vertaling uit het Frans, van een brief van onderzoeksrechter Decock aan de commandant van de gendarmerie van Gistel (15/11/1887)
Plovie heeft mij verklaard dat het mes dat hij bij zich had op het ogenblik der gewelddaden op Demuynck gepleegd, zich nog bevind in eene der zakken van zijne zondagsche kleederen, die hij op dit oogenblik aanhad.
Ten anderen, Vanhee heeft bekend een stuk van de broek van Demuynck getrokken te hebben en hetzelfde medegedregen te hebben tot in de nabijheid der herberg Congo, alwaar hij het over de haag gesmeten heeft.
Ik verzoek u deze beide voorwerpen op te zoeken en aan te slagen en proces verbaal van uwe werkingen op te stellen
 
Document 39: brief gendarmerie van Gistel
Document 39bis: vertaling  nr 39
Antwoord van Vliebergh, bevelhebber van de gendarmerie aan de onderzoeksrechter Decock (17/11/1887)
Ik heb de eer uwen brief in date van 15e dezer maand terug te sturen, aangezien deze bewerkingen gedaan geweest hebben den 16e dezer, door het parket die ter plaats was met de gendarmerie.
 
Document 40: brief heer onderzoeksrechter (18/11/1887)
Document 40bis: vertaling nr 40
Brief van de onderzoeksrechter aan de commandant van de gendarmerrie (18/11/1887)
Ik verzoek u op te zoeken en aan te slagen in de woonst van Karel Plovie te Bekegem, een zakmes kleiner dan hetgene wij woensdag laatst aangeslagen hebben, met beenen hecht en zonder gekromde lemmer. Het is dat mes dat Plovie op zich droeg zondag lest. Hij beweert dat zijne moeder en zijn broeder zeer wel dit mes kennen en hetzelfde in zijne zondagsche kleederen moeten gevonden hebben.
Ik verzoek u insgelijks ter woonst van Vanhee, de schoenen aan te slaan die dezen gedurende de nacht van zondag tot maandag aan had.
 
Document 41: proces verbaal gendarmerie (18/11/1887)
18/11/1887, rond 4 uur in de namiddag: procesverbaal van de gendarmerie, ondertekend door wachtmeester Vliebergh en Pieter Kemps, gendarme, beede met standplaats in Gistel. Zij zijn met hun uniform bekleed en zijn hier op bevel van onderzoeksrechter Decock.
Zij gaan naar de woonst van Karel Vanhee, 19 jaar, ten einde een huiszoeking te verrichten, nopens een zakmes, schoenen of ander kleederen, die de voornoemde Karel Vanhee aanhad of bij hem had in den nacht van 13 tot 14 november 1887.
Ten huize zijnde heeft August Vanhee, 53 jaar, landbouwer, verklaart dat zijn zoon Karel geen zakmes heeft en nooit geen op zich draagt, dat het die klederen zijn waar hij mee in het gevang te Brugge verblijft, die hij op voorgenoemde nacht aan gehad heeft, uitgenomen een paar schoenen die hij geleend heeft van Edouard Goethals om er mede den 15den dezer naar Brugge te gaan, uit oorzaak dat zijn schoenen wat klein waren en zijn voeten hem zeer deden en dat hij ons zijne schoenen die hij op voornoemden nacht aan had behandigde.
Edouard Goethals, 17 jaar, zoon van Lodewijk, landbouwerszoon te Bekegem doet de volgende verklaring: In den avond van 14 dezer maand was ik ten huize van August Vanhee, waar de zoon Karel, mij vroeg om mijne schoenen te mogen aan te doen om ‘s anderen daags er mede naar Brugge te gaan zeggende dat de zijne hem wat klein werden en zijne voeten hem pijn deden, waarop ik hem mijn schoenen gegeven heb.
Wij hebben de voornoemde schoenen die Karel Vanhee, aangehad heeft in de nacht van 13 tot 14 dezer, in beslag genomen, die wij naar de griffie van het tribunaal van eerste aanleg te Brugge zullen brengen
 
Document 42: Proces verbaal gendarmerie
19/11/1887 om 8 uur in de voormiddag. Procesverbaal van de gendarmerie, ondertekend door wachtmeester Vliebergh en Pieter Kemps?, gendarme, beede met standplaats in Gistel. Zij zijn met hun uniform bekleed en op bevel van onderzoeksrechter Decock
Zij begeven zich naar de woning van Karel Plovie, ten einde een zakmes in beslag te nemen, dat Plovie, op zich zoud gehad hebben in den nacht van 13 tot 14 dezer maand. Aldaar heeft Marie Verleyen, oud 65 jaar, weduwe van  Karel Plovie, huishoudster te Bekegem, volgende verklaring afgelegd: mijn zoon Karel die in het gevang te Brugge is heeft mogelijks één van deze twee messen die  die hij die zondag 13 dezer maand in zijn zakken gehad, maar hij moet het er zelve uit zijne kleederen gelegd hebben den zondag nacht of den maandag, want die klederen zijn de maandag nauwkeurig door de gendarmerie doorzocht geweest en er zijn geen meer in te vinden. Mijn zoon heeft geen mes als dit dat in beslag genomen geweest is den 16 dezer maand, deze twee zijn messen die in het huishouden gebruikt worden.
Deze twee mesen zijn in beslag genomen en zullen terstond naar de greffie van het tribunaal van eersten aanleg te Brugge gezonden worden.
 
Document 43: verslag der geneesheren (18/11/1987)
Document 43 bis: vertaling van 43
Wij Felix Saeys en Jacobus Van Caneghem, doktoren in de geneeskunde en te Brugge aanzocht door Mijnheer den onderzoeksrechter Decock, hebben ons heden 18 november 1887, in zijn kabinet begeven ten einde:
1e er de genaamde Charles Vanhee te onderzoeken en te bestatigen indien eene oude beenbreuk, dewelke hij zegt aan zijnen arm te hebben, van aard is zekere bewegingen te beletten.
2e te zien of zijne klederen geene teekens van Bloed dragen;
3e het onderzoek te doen naar de klederen van Amand Demuynck
Vanhee vertoond eigentlijk de teekens van eene breuk; maar het is voor het eerst aan de linkerarm en dan, hij kan gemakkelijk de arm naar omhoog heffen, alsook al achter en zijdewaarts, in een woord alle de bewegingen doen zonder de minste moeijelijkheid.
Wat het onderzoek, van zijne kleederen aangaat, op geen  een van hen is er bloed te bestatigen.
Alle kleederen van Demuynck zijn in stukken getrokken, de vest in twee stukken, de broek in dry vier of meer stukken; Het hemd is geheel en gansch in reepjes getrokken. Op de linker mauw van het vest bemerkt men op het onderste gedeelte geklonterd bloed in nog al eene grote hoeveelheid. Op het hemd insgelijks. Het is in eer en geweten dat het tegenwoordig verslag opgemaakt en geteekend is geweest.
 
Document 44: verhoor Anna Sevenant
24/11/1887: ondervraging Anna Sevenant, moeder van Emile Vanthuyne door Joseph Decock rechter bij de rechtbank van eerste aanleg
Gelijk ik reeds gezegd heb is het in mijne tegenwoordigheid niet dat mijn zoon Emile zijn mes op de tafel geleidt heeft. Toen het parket met de gendarmen in mijn huis gekomen is, was ik zoodanig veraltereerd dat ik niet kon herinneren in welke omstandigheden ik het mes van mijn zoon Emile den zondag gezien had, maar sedertdien is het in mijn gedacht gekomen dat ik den zondag rond vier of vijf uren toen ik tehuis kwam, ik het mes van Emile op den tafel heb vinden liggen en dat ik het geplaatst heb op het kaske alwaar de gendarmerie het gevonden heeft.
Op interpellatie: den maandagmorgen heeft mijn zoon niet gevraagd waar zijn mes was, had hij mij dat gevraagd, ik zou hem gezegd hebben waar ik het gelegd had.
In tegenwoordigheid gesteld van haar zoon Emile verklaard zij te volherden.
 
Document 45: verhoor Leopold Vanthuyne
24/11/1887ondervraging van Leopold Vanthuyne, vader van Emile Vanthuyne door Joseph Decock rechter bij de rechtbank van eerste aanleg
Gelijk ik reeds gezegd heb was ik niet te huis toen op zondag 13 november, mijnen zoon Emile des noens het huis verlaten heeft.
In den achternoen van denzelven dag tusschen vier en vijf uren, heb ik mijnen zoon Emile gezien in het gemeentehuis; ik heb hem gevraagd of hij toch wel zijn mes te huis gelaten had en hij zei: vader, gij moogt mij aftasten, mijn mes is ‘thuis. Ik heb mijnen zoon niet afgetast omdat ik zeker was dat hij zijn mes te huis gelaten had, gelijk alle zondagen.
Ik moet u ook zeggen dat ik in den morgen van den zondag, eenigzins beschonken geweest was en dat ik na de noen in slaap gevallen was. Het is misschien binst dezen tijd dat mijnen zoon zijn mes op de tafel gelegd heeft.
In tegenwoordigheid gesteld van zijn zoon, hij verklaart te volharden (kan niet schrijven)
 
Document 46: onderhoring Vanthuyne Emile
24/11/1887: ondervraging Emile Vanthuyne door Joseph Decock rechter bij de rechtbank van eerste aanleg
In tegenwoordigheid gesteld van zijne moeder Anna Sevenant verklaart: het is mogelijk dat toen ik mijn mes op de tafel gelegd heb, mijn moeder niet tegenwoordig was. Ik heb haar den maandagmorgen mijn mes gevraagd, ik was zeer haastig, ik weet niet juist wat zij mij geantwoord heeft, misschien heeft zij zelf niet verstaan wat ik haar vroeg.
In tegenwoordigheid gesteld van zijnen vader verklaart: vader was des noens bedronken te huis gekomen, hij zat te slapen in den heerd toen ik vertrokken ben. Ik denke toch dat hij mij gezegd heeft dat ik mijn mes moest afleggen. Des achternoens in het gemeentehuis, heeft hij mij nog eens gevraagd of ik mijn mes afgelegd had en ik heb hem gezegd: gij moogt mij aftasten.
Op interpellatie: de stampen die wij aan Demuynck gegeven hebben kunnen hem overal getroffen hebben.
 
Document 47: onderhoring Plovie Charles
24/11/1887: ondervraging Charles Plovie door Joseph Decock rechter bij de rechtbank van eerste aanleg.
Het is het grootste van de twee messen die gij mij vertoond dat ik bij mij had in de nacht van 13 tot 14 november lest maar ik loochene nog eens van mijn mes gebruik gemaakt te hebben.
Op interpellatie: toen wij op Demuynck stampten deden wij dit goed koomt het uit en zonder bepaalde gedeelten van zijn lichaam te willen treffen, het is dus mogelijk dat wij hem ook aan zijn hoofd getroffen hebben
 
Document 48: onderhoring Vanhee Charles
24/11/1887: ondervraging Charles Vanhee door Joseph Decock rechter bij de rechtbank van eerste aanleg.
Wij vertonen aan den betichte de twee messen aangeslagen door de gendarmery op 19 november, ten huize van Plovie en hij verklaart: het is het grootste van deze twee messen dat Plovie mij in den achternoen van zondag 13 november geleend heeft, om eenen appel te snijden.
Interpellatie: toen wij op Demuynck stampten, schopten wij overal, wij kunnen hem aan zijn hoofd getroffen hebben, zoowel of elders
 
Document 49: Verslag der geneesheren (24/11/1887)
Document 49bis: vertaling van 49
24/11/1887:
Wij Felix Saeys en Jacobus Van Caneghem, doktoren in de geneeskunde te Brugge, door de heer onderzoeksrechter Decock aanzocht, hebben ons heden, 24 november 1887, in het kabinet van gezegden magistraat begeven ten einde:
1e er vier messen te onderzoeken en na te zien of geen een van hen bloedvlekken vertoond, of dergelijk ander teeken, derwijze dat men zou kunnen regtstreeks de wonden door snydend voorwerp uitleggen, dewelke op het hoofd van Amand Demuynck bemerkt hebben geweest.
2e het onderzoek te doen van een paar schoenen, met hielen voorzien van yzers en vast te stellen, indien met deze schoenen, de gezegde wonden zouden kunnen veroorzaakt geweest hebben.
De vier messen tot ons onderzoek overgelegd, zijn de gewoone zakmessen van de buitenpersonen, de lemmer heeft ongeveer eene lengte van acht centimeter. Twee van deze messen hebben het punt van de lemmer gekromt. Voor wat de twee andere aangaat, de lemmer is regt; op geen een van deze messen bemerkt men geen het minste druppelke bloed. Het gedroogd vocht, wit en ligtelijk opaalachtig op eene van de twee bemerkt, zijn op het eerste aanzicht vaststellen dat men zich op het laatste van dit mes zou bediend hebben om aardappelen te schellen of te snijden. Er blijft op te merken dat alle vier de messen, zonder een uitgezonderd, geheel slecht snijden.
Wat het onderzoek van de schoenen aangaat, de ijzers waarvan de hielen bedekt zijn, bedekken nauwkeuriglijk en onvolkomentlijk de hiel op eene breedte van een centimeter ongeveer. Het midden is vrij. Zij zijn van eene dikte van zes tot zeven millimeters en vertonen randen ligtelijk vooruitspringend en scherp aan de buitenkant en al de vrije uiteinden.
In tegenwoordigheid van dit onderzoek, is het ons geheel wel toegelaten de bijgebrachte beweering te aanveerden dat het met deze schoenen is dat de wonden met snijdend voorwerp op het hoofd van Demuynck bemerkt, veroorzaakt geweest hebben.
Het is nadat wij de eed afgelegd hebben ons advies in eer en geweten te geven, dat het tegenwoordig verslag gemaakt en geteekend is geweest.
 
Document 50 (18/11/1887):Verzoek van de onderzoeksrechter aan de burgemeester van Bekegem om extracten te laten geworden van
de geboorteakten van  Charles Plovie, Emile Vanthuyne en Charles Vanhee
de overlijdensakte van Amand Demuynck.
 
Document 51: Uitreksel uit de geboorteakte van Charles Plovie
Carolus Ludovicus Plovie, geboren te Bekegem op 16 novenber 1865, zoon van Carolus en Marie Verleye.
 
Document 52: Uitreksel uit de geboorteakte van Emile VanThuyne
Emile Franciscus VanThuyne, geboren te Bekegem op 3 maart 1867, zoon van Leopold en  Anna Theresia Sevenand.
 
Document 53: Uitreksel uit de geboorteakte van Charles Vanhee
Carolus Franciscus Vanhee, geboren te Bekegem op 7 december 1868, zoon van August en Juliana Vanhee.
 
Document 54: uitreksel uit de overlijdensakte van Amandus Demuynck
Amandus Demuynck, overleden te Bekegem op 15 november, om 12 uur ‘s middags, zoon van Franciscus en van Sophia Missuwe, beiden overleden te Bekegem.
 
Document 55: crimineel informatie blad betreffende Charles Plovie (Criminele Statistiek)
Charles Plovie, 22 jaar werkman, aangeklaagd wegens moordpoging
Aangehouden op 14/11/1887 (bevel van geleide getekend op 14/11/1887)
– landwerkman
– werkt voor rekening van een ander
– geen eigenaar van het huis dat hij bewoont
– behoort tot de leegere klasse
– hij is niet bemiddeld, hij heeft geen middelen, moet werken voor zijn bestaan
– hij draagt bij tot het onderhoud van zijn moeder, weduwe, die nog 2 zoons heeft die voor haar werken
– hij is een wettig kind
– ongehuwd
– Rooms katholiek
– Zijn vorig gedrag was goed
– hij leefde niet in dronkenschap of ongeregeldheid
– kan onvolmaakt lezen en schrijven
 
Document 56: crimineel informatieblad betreffende Emile Vanthuyne (Criminele Statistiek)
Emile Vanthuyne, 21 jaar werkman, aangeklaagd wegens moordpoging
Aangehouden op 14/11/1887 (bevel van geleide getekend op 14/11/1887)
– landwerkman
– werkt voor rekening van een ander
– geen eigenaar van het huis dat hij bewoont
– behoort tot de leegere klasse
– hij is niet bemiddeld, hij heeft geen middelen, moet werken voor zijn bestaan
– hij is een wettig kind
– ongehuwd
– Rooms katholiek
– Zijn vorig gedrag was goed
– hij leefde niet in dronkenschap of ongeregeldheid
– kan onvolmaakt lezen en schrijven
 
Document 57: crimineel informatie blad betreffende Charles Vanhee (Criminele Statistiek)
Charles Vanhee, 19 jaar bijzonderen, aangeklaagd wegens moordpoging
Aangehouden op 15/11/1887 (bevel van geleide getekend op 15/11/1887)
– landwerkman
– werkt voor rekening van zijn vader, landbouwer van beroep
– geen eigenaar van het huis dat hij bewoont, woont bij zijn vader
– behoort tot de middelbare klasse der landlieden
– hij is niet bemiddeld, zijn ouders zijn in leven
– hij is een wettig kind
– ongehuwd
– Rooms katholiek
– Zijn vorig gedrag was goed
– hij leefde niet in dronkenschap of ongeregeldheid
– kan lezen en schrijven
 
Document 58 (18/11/1887): vraag van onderzoeksrechter aan de politierechtbank van Gistel de veroordelingen van de verdachten mede te delen
 
Document 59 : lijst met veroordelingen van de verdachten
Charles Plovie
– veroordeeld te Gistel op 29/1/1886 tot 15 fr boete voor mondelingsche beledigingen en braak van afsluiting
– veroordeeld op 30/7/1886 tot 10 fr voor slagen en wonden
Emile Vanthuyne
Vrijgesproken te Gistel op 30/7/1886 voor mondelinge beledigingen jegens August Monteyne, burgemeester en Eduard Maene, bestuurder van het bureel van weldadigheid.
Charles Vanhee : geen veroordelingen
 
Document 60 (30/11/1887) Het assisenproces
 
Verwijzing naar het hof van assisen
Aanzoekschrift en bevel:
Het parket te Brugge, bij monde van de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg, vraagt dat alle stukken worden overgeleverd aan de procureur Generaal, om de uitvoerbaarheid te vragen voor het straffen van de drie beklaagden.
Aangezien dat er ten laste van de dry verdachten genoegzame bezwaren voortkomen als aangeklaagd van te Bekegem binst den nacht van 13 tot 14 november 1887, eenen doodslag begaan te hebben, met inzicht om ter dood te brengen.
 
Bevel
De raadkamer der rechtbank van eersten aanleg te Brugge.
Gezien de stukken van het vervolg ten laste van 1e Plovie Charles, zoon van Carolus en van Marie Verleye, oud 22 jaren, werker, 2e Vanthuyne Emile, zoon van Leopold en van Anna Sevenant, 20 jaren oud, werkman, 3e Vanhee Carolus, zoon van Auguste en van Juliana Vanhee, 19 jaren, landbouwerszoon, alle dry wonende te Bekegem, thans aangehouden.
Gezien het aanzoekschrift van de heer Herman, procureur des Konings bij gezegde rechtbank in date van 30 november 1887.
Gehoord het verslag gedaan door de heer Decock, onderzoeksrechter.
Aangezien dat er ten laste van de dry verdachten genoegzame bezwaren voortkomen als aangeklaagd van te Bekegem binst de nacht van 13 tot 14 november 1887, eenen doodslag begaan te hebben, met inzicht om ter dood te brengen, op de persoon van Demuynck Amandus, kleermaker te Bekegem, oud 55 jaren.
Aangezien het feit deze misdaad uitmakende voorzien is bij het artikel 393 van het strafwetboek
Gezien de artikels 133 en 134 van het wetboek van rechtpleging in strafzaken.
Beveelt dat de stukken van het vervolg en den staat der overtuigingsstukken aan Mijnheer de Procureur Generaal bij het hof van beroep te Gent zullen toegezonden worden
Beveelt bovendien dat door alle deurwaarders en agenten der openbare magt de genaamde 1e Carolus Plovie, 2e Vanthuyne Emile en 3e Vanhee Carolus, thans aangehouden, onder bevel van arrest afgeleverd den vijftienden november 1887, bij den lijve zullen worden gevat en overgebracht in het huis van justitie, welk door het hof van beroep, zittende te Gent zal worden aangeduid.
Aldus gedaan in de raadkamer ten paleize van justitie te Brugge den 15/12/1887, tegenwoordig de heeren Denecker, voorzitter, Deschietere de Lophem, rechter en Decock, onderzoeksrechter die met een griffier hebben getekend.
 
De Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Gent, beslist.
Gezien de stukken  van het vervolg ingespannen tegen Plovie Karel, Vanthuyne Emile en Vanhee Karel, alle drie wonende te Bekegem, thans aangehouden
Aangeklaagd van te Bekegem in de nacht van 13-14 november 1887 eenen moord te hebben begaan op den persoon van Amandus De Muynck aen den moord te hebben gepleegd of tot het plegen rechtstreeks te hebben meegewerkt.
Aangezien er genoegzaam bezwaren bestaan en het feit met lijfstraf strafbaar is.
Aanzoekt het Hof kamer van beschuldiging het bevel van bij lijfneming door de raadkamer en rechtbank van eersten aanleg te Brugge tegen de aangeklaagden uitgegeven te bekrachtigen en dezelve in staat voor beschuldiging voor het Hof van Assisen der provincie West Vlaanderen te verzenden op voet van het tegenwoordig aanzoekschrift.
Gedaan op het Parket te Gent den 9 december 1887, getekend voor de Procureur Generaal Jules Penneman
 
Het Hof
Aannemende de beweegredenen van het openbaar ministerie
Bekrachtigt, op voet van het hierboven staande aanzoekschrift, het bevel van bijlijfneming tegen de drie aangeklaagden verleend, door de raadkamer van de rechtbank van eersten aanleg te Brugge, in dagteekening 5 december 1887 medebrengende dat Plovie Karel, Vanthuyne emile en Vanhee Carolus, bij den lijve zullen gevat worden.
Diensgevolge verzendt bovengenoemde drie aangeklaagden, in staat van beschuldiging, voor het Hof van Assisen van de provincie West Vlaanderen., zitting houdende te Brugge, als genoegzaam beschuldigd met het feit hun in het hierbovenstaande aanzoekschrift te laste gelegd, zoo hetzelve daar in is beschreven en door de daar in beroepen wetsbepalingen voorzien.
Beveelt dat zij, in het justitienhuis bij het voormeld gerechtshof van Assisen zullen overgebracht worden;
Aldus gedaan te Gent, in kamer van beschuldiging op 9/12/1887. Aanwezig de heeren Demeren, eerste Voorzitter, Dehondt, Vanderhoughen, Van Werveke, Soudom, raadsheeren die getekend hebben met de griffier Mortelmans
 
De drie beschuldigden worden officieel op de hoogte gebracht van hun doorverwijzing naar het hof van assisen op 21 januari 1888 door de deurwaarder van eerste aanleg te Brugge.
 
Akte van beschuldiging
 
Volgens de akte van beschuldiging opgesteld door de Procureur –generaal, bij welke hij vertoont dat uit de processtukken de volgende daden en omstandigheden voortvloeien:
Den zondag 13 november om middernacht bevonden zich Demuynck, Plovie, Van Thuyne en Van Hee in de herberg der weduwe Storme te Bekegem.
Op zekeren ogenblik ontstond er twist tusschen De Muynck en van Thuyne tot zooverre dat van Thuyne in gramschap scheedende, de Muynck dreigde aan te vallen, maar de zoon Storme greep Vanthuyne vast en dreef hem de deur uit. “Ik zal hem algelijk wel vinden”, riep Vanthuyne en trad kort daarna verder de herberg binnen, zonder nochtans van iets nog te spreken.
Slechts een uur later stond iedereen op om te vertrekken: Plovie, Vanthuyne en Van Hee gingen samen de voordeur uit, terwijl Demuynck langs de achterdeur zich op weg zette naar huis.
’s Anderendaags morgens om 6 uur vond men De Muynck op 70 meters van de herberg der weduwe Storme, zonder kennis ten gronde uitgestrekt: zijn aangezicht was gansch bebloed en zijne kleederen lagen is stukken getrokken nevens hem.
Plovie en Vanthuyne door de gendarmen ondervraagd beweerden De Muynck buiten de herberg van Storme niet meer gezien te hebben, maar Vanhee, na een weinig geaarzeld te hebben, verklaarde eindelijk dat het van Thuyne en Plovie waren die Demuynck aangevallen en mishandeld hadden.
Tengevolge dezer verklaring hield de gendarmerie Plovie en Vanthuyne aan en verwittigde den Procureur des Konings, die zich met de onderzoeksrechter onmiddellijk naar Bekegem begaf.
Voor de onderzoeksrechter hebben Plovie en Vanthuyne in den beginne hun schuld geloochend, later nochtans hebben zij bekend dat zij inderdaad Demuynck hadden mishandeld, erbij voegende dat hun aanklagt van Hee medegeholpen had, en eindelijk hebben zij de volgende verklaring gegeven. Als wij de herberg van Storme verlaten hadden en bij de herberg de Congo gekomen waren, heeft Vanthuyne gezegd, hoorden wij Demuynck tieren in de bilk achter het huis van Storme. Hierop zegde Vanhee: willen wij hem eenige slagen langs zijn oren geven? En wij zijn onmiddellijk naar Demuynck toe gegaan; Bij hem gekomen heeft Plovie hem eenen slag gegeven dat hij ten gronde gevallen is en dan hebben wij alle dry hem gestampt en geschopt.
Ik ben de eerste weggegaan terwijl Plovie en Vanhee Demuynck bleven mishandelen; eindelijk hebben zij mij vervoegd en wij zijn samen de herberg de Congo binnengegaan; Als wij daar een kwartier uurs gebleven waren zegde Vanhee: wij zouden eens moeten gaan zien of Demuynck daar nog ligt. Toen wij bij hem kwamen, zagen wij dat hij zich nog verroerde en wij hebben herbegonnen te stampen en te schoppen.
Eindelijk heeft Vanhee de broek van Demuynck aan stukken getrokken en dan hebben ik en Plovie zijn andere kleederen insgelijks gescheurd en weg geworpen.
Deze verklaring van den beschuldigde Vanthuyne is bijna op alle plaatsen door Plovie bevestigd geworden. Als wij bij de herberg de Congo gekomen waren heeft Plovie gezegd, hoorden wij De Muynck die aan het tieren was in den bilk achter de herberg van Storme; En aan ons, Vanhee meen ik, heeft voorgesteld om Demuynck eenige slagen tegen zijn ooren te gaan geven en wij zijn onmiddellijk naar hem toegegaan en hebben hem geslagen tot dat hij ten gronde gevallen is. Als hij omver was, hebben wij alle drie op hem gestampt en zijn eindelijk weggelopen naar de herberg de Congo. Toen wij daar een kwartier uurs verbleven waren heeft Vanthuyne gesproken om te gaan zien wat er van Demuynck geworden was. Wij zijn er naar toe gegaan en hebben hem op dezelfde plaats gevonden. Hij sprak niet, maar hield niet op met klagen. Wij zijn alle die wederom beginnen op hem te stampen tot dat hij zich bijna niet meer verroerde en hebben dan al zijn kleederen gescheurd en van zijn lijf getrokken.
Vanhee heeft op zijn beurt verklaard als volgt:
Als wij bij de herberg de Congo kwamen, heeft hij gezegd, hoorden wij Demuynck tieren. Hierop zegde een van mijne gezellen: willen wij hem eens goed tegen zijnen kop gaan geven? Wij zijn onmiddellijk naar Demuynck toegegaan en Plovie en Vanthuyne hebben op hem geslagen tot dat hij ten gronde viel: beide hebben dan op hem gestampt, terwijl ik een viertal stappen van daar stond zonder iets te doen.
Nadat zij opgehouden hadden, zijn wij in de herberg de Congo binnen gegaan. Na weinige tijd stelde Vanthuyne voor te gaan zien of Demuynck daar nog lag. Als wij bij hem gekomen zijn, lag hij nog op dezelfde plaats, verroerde zich niet of sprak niet, maar klaagde binnensmonds. Wij hebben dan alle drie op hem geslagen, gestampt en geschopt en hebben eindelijk zijne kleederen gescheurd en van zijn lijf getrokken.
Den dinsdag middag, dus twee dagen na de mishandelingen op hem gepleegd, is Demuynck overleden.
Eenige uren voor zijn  dood was hij bij zijn verstand gekomen en had aan zijnen broeder die bij hem waakte gezegd dat: Plovie hem den eersten slag had toegebracht waarvan hij gevallen was, dat Plovie en Vanthuyne hem dan gestampt en geschopt hadden, maar dat hij niet wist of Vanhee hem ook mishandeld had aangezien hij bijna onmiddellijk van zijne zelven geweest was.
Bij de lijkschouwing hebben de wetsdokters vastgesteld dat het slachtoffer een overgroot getal wonden aan het hoofd aan den linker arm, aan de borst en aan het linker been bekomen had. Gansch het linker beendergestel was in de borst gedrongen: vijf ribben die waren gebroken geworden, hadden de linkerlong gescheurd en den dood veroorzaakt.
Diensgevolgens zijn bovengenoemde Karel Plovie, Emiel Vanthuyne en Karel Vanhee aangeklaagd van: te Bekegem in den nacht van 13-14 november 1887 eenen moord te hebben gepleegd of tot het plegen rechtstreeks te hebben medegewerkt.
Waar het hof van assisen zal te beslissen hebben.
Gedaan op het parket op 15/1/1888
 
Het Assisenproces
 
21/1/1888  Verhoor van de verdachten voor het proces door August Gondry, raadsheer in het hof van Beroep te Gent en voorzitter van het assisenhof der provincie West Vlaanderen.
De verdachten wordt gevraagd of zij nog iets in te brengen hebben tegen de akte van beschuldiging
1 Karel Vanhee zegt te volharden in zijn laatste bekentenissen gedaan aan de heer rechter ter instructie. Ik heb er niets bij te voegen noch er aan te veranderen. Hij zegt geen raadsman te hebben om zich te verdedigen. Meester Thooris, advocaat te Brugge, wordt aangewezen als zijn raadsman.
2 Emiel Vanthuyne voegt toe: “En overigens, verklare ik maar ieder maal maar één of twee voetstampen gegeven te hebben aan Demuynck, en ik heb de kleederen van Demuynck van zijn lijf niet getrokken. Aan hem wordt Meester Standaert, advocaat te Brugge toegewezen.
3 Charles Plovie zegt te volharden  in zijn laatste bekentenissen, uitgenomen dat ik aan de kleederen van Demuynck niet getrokken heb. Als raadsman wordt hem meester Ancot, advocaat te Brugge, toegewezen.
 
23/1/1888  Bevel tot dagvaarding van getuigen om te verschijnen voor het hof van assisen op woensdag 1 februari om 10 uur.
1 Olleviers Hector, geneesheer te Eernegem
2 Vliebergh Frans, wachtmeester der gendarmerie te Gistel
3 Kempe Pieter, 46 jaren, gendarm te Gistel
4 Ramont Josse, veldwachter te Bekegem
5 Luyckx Anna, weduwe Storme, 47 jaren herbergierster te Bekegem
6 Storme Edouard, 20 jaren, werkman te Bekegem
7 Kyndt Edouard, 19 jaren, werkman te Bekegem
8 Knockaert Charlotte, weduwe Robaey, 60 jaren, werkster te Bekegem
9 Kyndt Auguste, 50 jaren, herbergier in de Congo te Bekegem
10 Samyn August, 46 jaar werkman te Bekegem
11 Robaey Henri, 30 jaren, bakker te Bekegem
12 Christiaens Karel, 67 jaren, werkman te Bekegem
13 Deschacht Rosalie, vrouw Christiaens, 47 jaar werkster te Bekegem
14 Jonckheere Livin, 40 jaren, herbergier te Bekegem
15 Demuynck Jozef, 60 jaren, kleermaker te Bekegem
16 Verplancke Romanie, 21 jaar, dienstmeid te Bekegem
17 Fierens Virginie, vrouw Kyndt, 44 jaren herbergierster te Bekegem
Richard Vanderhaeghen, deurwaarder te Gistel, dagvaardde iedereen in persoon, behalve Livin Jonckheere, de kopien werden aan zijn oom Amand Van Moortel afgegeven.
 
Verder worden nog als getuige gedagvaard
1 De Cock Jozef, onderzoeksrechter te Brugge
2 Saeys Felix, wetsdokter te Brugge
3 Van Caneghem Jacobus, wetsdokter te Brugge
Zij werden gedagvaard door Rijckaseys, deurwaarder bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Bij de eerste werden de documenten afgegeven aan zijn dienstmeid Julie van Moerbeke, bij de tweede aan zijn dienstmeid Romanie Vanheenberghe, bij de derde aan zijn dienstmeid Valerie Vandekeere. “Op hun verzoek zullen zij bij verschijning een salaris krijgen. Bij niet verschijning zullen zij vervallen in de straffen door de wet bepaald en ten hunnen koste ergedagvaard worden.”
 
Er is een getuige ter ontlasting: August Luyckx, 42 jaar, landbouwer te Bekegem, gewezen burgemeester. Hij is getuige ter verdediging van Karel Plovie. August Luyckx werd op 31/1/1888 gedagvaard door deurwaarder Richard Vanderhaeghen, wonende in Gistel. Hij moet verschijnen voor het assisenhof op woensdag 1/2/1888 om 10uur, om getuigenis te geven in de zaak Karel Plovie en consoorten.
 
De lijst van getuigen werd ook aan de beschuldigden bezorgd. Zij waren nog steeds aangehouden en verbleven in het huis van Justitie in Brugge.
 
Lijst van de gezworenen
1 Trutsaert karel, reeder te Oostende
2 Verstraete Lieven, grondeigenaar te Blankenberghe
3 Casteleyn Oscar, grondeigenaar te Dixmuide
4 Delbeke Benoit, schepen te Nieuwkerke
5 Lannoye-Dupont van Meenen
6 Deschrijver Karel, grondeigenaar van Assebrouck
7 Van Caloen Alfons, grondeigenaar te Coolkerke
8 De Ridder Frederic, commissionaris, verzender te Oostende
9 Dumon Edouard, winkelier te Brugge
10 Thibault de Boesinghe, rentenier te Kortrijk
11 Sioen Leopold, koopman te Kortrijk
12 Van Caloen Camiel, advocaat te Brugge
13 Syoen Placide, grondeigenaar te Wercken
14 Abrams louis, tapijtsier te Brugge
15 Decae Milo Alexander, notaris te Gyverinckhove
16 Vandendriessche Clément, gemeenteontvanger te Moorslede
17 Lebbe- bateman Karel, rentenier te Poperinghe
18 Maeguet Henri, molenaar te Brugge
19 Warnier Arthur, huurhouder te Brugge
20 Vanlede Joannes, koopman in wijnen te Brugge
21 Denecker René, brouwer te Moorslede
22 Verbeeck Louis, zoutzieder te Oostende
23 Belpaire Raym, landbouwer te Rousselaere
24 Christiaens Albert, koophandelaar te Oostende
25 Dambre- Thevelin, koophandelaar te Kemmel
Bijgevoegde gezworenen
1 Kervyn Leo Provinciaal raadsheer te Brugge
2 Thibault de Boesinghe Emile, grondeigenaar te Brugge
3 Gevens Edouard, boekbinder te Brugge
4 Calens Philip, notaris te Brugge
 
Eerste zitdag: 1 februari 1888:
De voorzitter van het assisenhof is Augustin Goudry, raadsheer bij het hof van Beroep te Gent,
Bijzitters: Hector Deschietere de Lophem en Maurice Fraeys, beide rechters bij de rechtbank van eerste aanleg
De griffier adjunct Jules Dehaene,
Openbaar Ministerie: de heer Herman, procureur de Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge
De beschuldigden zijn onder bevel van belijfneming te Brugge aangehouden. Zij werden uit het huis van justitie gebracht in de gewoone zittingzaal van het assisenhof ten paleis van justitie. Zij verschijnen ongeboeid en enkelijk vergezeld van wachters om hen het ontvluchten te beletten.  De beschuldigden worden bijgestaan door hun advocaten: Florimond Ancot, Eugeen Standaert en Albert Thooris.
De juryleden worden uitgeloot op de eerste zitdag van het proces. De namen van de 25 gezworenen worden in een bus gestoken. Er worden 6 gezworenen gewraakt:
Door meester Ancot: Dambre Thevelin, Jan Vanlede, Camille Van Caloen en Thibault de Boesinghe
Door het openbaar ministerie: Milo Alexander De Cae en Henri Macquet
De twaalf uitgelote gezworenen zijn René Denecker, Belpaire- Royon, Placide Syoen, Albert Christiaens, Louis Abrams, Louis Verbeeck, Clement Vandendriessche, Karel Trutsaert, Karel Deschrijver, Benoit Delbeke, Arthur Warnier en Karel Lebbe- Bateman.
De eerst uitgelootte is René Denecker, hij is de oppergezworene. Hij wordt vervangen door Placide Syoen.
Nadat de zitting geopend werd verschijnt Jacobus Kyndt, koopman te Oostende. Op 30 januari was hij niet aanwezig op zijnen post toen de gezworenen werden uitgeloot. Hij wordt veroordeeld tot een boete van 500 frank. De gezegde Jacobus Kyndt geeft te kennen dat hij niet kon aanwezig zijn wegens ziekte. Hij legt een heelkundig getuigschrift voor en verzoekt het hof hem te ontslaan van zijn boete.
Verder worden de beklaagden en de getuigen ondervraagd. Van het assisebproces werd geen verslag opgemaakt.
In het belang der rust der rechters, gezworenen, getuigen en beschuldigden, wordt de zitting om één uur in de namiddag opgeschorst. Om 3 uur wordt de zitting hernomen.
 
Meester Thooris, raadsman van Karel Vanhee, legt de volgende besluitselen voor, door hem geschreven en door Vanhee getekend, waarvan meester Thoris lezing geeft en akte vraagt en luidende als volgt: “Karel Vanhee besluit dat het aan het Hof behage, de volgende vraag aan de jury te stellen, als spruitende uit de verhandelingen der zaak: Is Karel Vanhee, alhier beschuldigd, niet ten minste plichtig aan Amand Demuynck vrijwillige kwetsuren en slagen toegebracht te hebben?
 
De voorzitter schorst de zitting om 5 uur in de namiddag. De volgende dag op 2 februari om 10 uur zal de zitting hernomen worden.
 
Tweede zitdag: 2 februari 1888
De voorzitter geeft te kennen dat de vraag door meester Thoris gesteld ter zitting van gisteren aan de jury zal voorgesteld worden, maar dat hij, krachtens zijne willekeurige macht ook aan de jury zal voorstellen, voor de drie beschuldigden, de vraagen van vrijwillige slagen en kwetsuren toegebracht zonder inzicht om ter dood te brengen, dewelke nochtans de dood hebben veroorzaakt.
Het woord wordt verleend aan het openbaar ministerie. Daarop ontwikkeld de Procureur des Konings, de middels waarop de beschuldiging gesteund is. Daarna komen de drie advocaten aan het woord die de beschuldigden verdedigen.
Om één uur wordt de zitting geschorst en wordt om twee uur hernomen.
Het Openbaar ministerie en de procureur des Konings nemen het woord en worden gehoord in hun tegenspraak, waarna Mr Ancot, Standaert en Thooris beurtelings het woord nemen om deze tegenspraak te bestrijden.
De beschuldigen krijgen het laatste woord waarna de voorzitter de debatten gesloten heeft verklaard. De jury trekt zich terug om te beraadslagen.
De gezworenen keren terug in de verhoorzaal. De heer Placide Syoen, oppergezworene, staat recht en, met de hand op het hart, spreekt hij volgende woorden uit: ”Op mijne eer en mijn geweten, voor God en voor de menschen, de verklaring van den jury is: hij geeft vervolgens met luide stem, lezing der verklaring van de jury.
 
Uiteindelijk worden Karel Plovie en Emile Vanthuyne  veroordeeld tot 8 jaar opsluiting. Karel Vanhee wordt veroordeeld tot  zes maand gevangenis en een boete van 100 frank. Het arrest verwijst de drie veroordeelden elk heel in de proceskosten.
Om 5 uur  wordt de zitting opgegeven.
De zitting was openbaar, Gedurende de twee zitdagen waren de deuren open en de toegang vrij. Er werd ingevolge den eisch der wet, voor het onderzoek der zaak, en tot het volbrengen van al de voorschrevene formaliteiten gebruik gemaakt der Vlaamsche taal, ter uitzondering van de bepleitingen  van het openbaar ministerie, van Mr Ancot en Standaert, dewelke in de fransche taal zijn geschied met de uitdrukkelijke toestemming van de beschuldigden.
 
Vragen die de jury moest beantwoorden
Eerste vraag: Is Karel Plovie, alhier beschuldigd, plichtig van te Bekegem, in den nacht van dertienden tot veertienden november 1887, met inzicht om ter dood te brengen, eenen doodslag gepleegd te hebben op den persoon van Amandus Demuynck, of tot het plegen daarvan rechtstreeks te hebben medegewerkt? Antwoord: neen.
Tweede vraag: idem maar voor Emile Vanthuyne. Antwoord: neen.
Derde vraag: idem maar voor Karel Vanhee. Antwoord: neen.
Vierde vraag: (voorname daad) Is Karel Plovie, alhier beschuldigd ten minste plichtig van, te Bekegem, in de nacht van 13 tot 14 november 1887, vrijwillig kwetsuren of slagen toegebracht te hebben aan Amandus Demuynck, of tot het toebrengen daarvan rechtstreeks te hebben meegewerkt? Antwoord: ja.
Vijfde vraag: (verzwarende omstandigheid) Hebben de slagen of kwetsuren in bovengemelde vierde vraag vermeld, alhoewel toegebracht zonder inzicht om ter dood te brengen, dezelve nochtans veroorzaakt. Antwoord: ja.
Zesde vraag: idem voor Vanthuyne; Antwoord: Ja.
Zevende vraag: idem voor Vanthuyne; Antwoord: Ja.
Achtste vraag idem voor Vanhee; Antwoord: Ja.
Negende vraag idem voor Vanhee; Antwoord: neen.
 
Document 61 : Inventaris der overtuigingsstukken in de zaak van Plovie Charles en Cn, ondertekend door de greffier
1 mes herkend door Plovie als in zijn bezit geweest zijnde in de nacht van de misdaad
2 mes toebehorende aan Plovie
3 idem
4 mes toebehorende aan Vanthuyne
5 schoenen toebehorende aan Plovie
6 schoenen toebehorende aan Vanthuyne
7 schoenen toebehorende aan Vanhee
8 vest in verschillende stukken toebehoord hebbende aan Amand Demuynck
9 ondervest idem
10 broek idem
11 hemd idem
 
Document 62: 1/12/1887: kostenstaat ten laste van Plovie Charles en Cs
Totaal 296, 01 frank

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.