Molens en Mulders

Molens en Mulders te Bekegem

 Een historisch – genialogische studie
 

WIEKEN EN WIND.

Molen1Over molens, molenaars, en alles wat daarmede in verband staat werden al heel wat boeken en artikels geschreven. Men heeft zelfs een nieuw woord gecreëerd om de wetenschap omtrent de molens een naam te geven: “molinologie”. Molinologie is volgens Van Dale’s Woordenboek “leer en kennis van de molens”.
Reeds in de Bijbel is er al verschillende malen sprake van “molensteen” zoals bv. bij de Openbaring aan Johannes 18: 21 en 22, “en een sterke engel hief een steen op gelijk een grote molensteen…”, “en geen geluid van een molensteen zal ooit nog in u worden gehoord”. Daaruit blijkt natuurlijk nog niet dat het hier om attributen uit een windmolen gaat.
De oudst bekende afbeeldingen van windmolens vindt men op onze Vlaamse miniaturen. Zo staat onder meer een staakmolen op een miniatuur uit de tweede helft van de 13e eeuw (1). Onderaan op de afbeelding is nog te zien hoe een molenaar een zak graan naar de molen draagt.
Hoe de techniek over het bouwen van windmolens in onze streek gekomen is blijft nog steeds een raadsel. Lange tijd was er de opvatting dat de Kruisvaarders (1096-1270) deze techniek meebrachten uit de oosterse landen. Dit is lang niet zeker. Het kan ook omgekeerd gebeurd zijn, dat de techniek van malen door middel van windkracht van hieruit overgebracht werd naar de oosterse landen.
In Vlaanderen dateert de oudst bekende vermelding van een windmolen uit 1197. Graaf Boudewijn IX (1171-1205) geeft in dit jaar een windmolen aan de Benediktinessenabdij Nonnebossche te Zonnebeke (2). (Deze Graaf nam zelf deel aan de vierde kruistocht van 1202 tot 1204).
Tijdens het Ancien Regime was men niet vrij om zomaar een molen te bouwen. Er bestonden toen namelijk wat men noemt de “Heerlijke Rechten” of “Feodale Rechten”, zoals het visrecht, het jachtrecht, en ook het recht op het houden van duiven bv. (vandaar de nog bestaande duiventorens van Assebroek, Lo, Oudenburg enz.). Ook het maalrecht behoorde tot deze feodale rechten. De Heer die heerste over een streek verplichtte zijn onderdanen hun graan te laten malen in zijn molen.
MaalrechtDit maalrecht stond de Heer soms af aan een molenaar die daarvoor moest betalen. Deze molenaar kon dan op zijn beurt eisen dat geen bomen of gebouwen geplaatst werden in de windvang van de molen. Om zijn graan te laten malen bij de “Heer-molen” moest uiteraard betaald worden. Dit kon in geld of wel in natura. Betalen in natura betekende dat de molenaar een aantal “scheppen” meel mocht achterhouden. Dit was het zogenaamde “scheprecht”. Uit dit scheprecht stamt de nu nog bekende spreuk: “in andermans zakken zitten”. Een plakkaat dd. 21 februari 1547 van Keizer Karel V geeft ons inlichtingen over het maalrecht (3): 
“Bij Den Keysere, onser hoocheyt, auctoriteit ende preeminentien ons toebehoort ende competeert dat nyemant van onsen vassalen ende onderzaten van onzen lande ende graefschap van Vlaenderen, geene vrije maelrijen ghebruuckende, en mach doen upstellen, maken noch gebrucken binnen hueren erven ende heerlicheden eenighe nieuwe wint- noch watermolens, zonder eerst ende alvooren daerup thebbene onsen oorlof ende consent, endemidsdaervooren jaerlicks betalende tonsen profite zekere recognitie …” 
(Recognitie: belasting of heffing; bedrag dat op gezette tijd ter erkenning van een recht betaald wordt; betaling voor gebruik van zeker goed dat aan een ander, in ’t bijzonder aan de gemeenschap toebehoort. Van Dale Woordenboek). 
“So eist dat wij, …u ontbieden ene bevelen … dat ghy terstont ende zonder vertrec doet condigen ende uutroepen … ende publicatie te doene, ende van onsen weghen scherpelic verbieden dat nyement, negheene vrije maelrijen gebruuckende , hem en vervoordere voortan te doen erigieren (oprichten), maken ende upstellen … enighe wynt- water- of rosmolens, opte peyne dat zij ghehouden zullen wesen die theurlieden coste te doen afbreken, ende daerenboven te vallen in de baete van xx Carolus gulden van xx stuivers stic …”
 
Een bewijs voor de verplichting van het betalen van maalgeld vond ik in een inventaris van goederen bij een verre voorvader van me. De weduwe van Guillaume Roose “vrylaet binnen de prochie van lchteghem” moest na z’n overlijden op 6 mei 1653 nog 5 schellingen grooten betalen aan maalgeld (4)
maalrecht1
Hertaling:
Item men is noch schuldich aen
den ontf(ange)r van de maelderye ende
dat van desen loopende zeijzoene
te weten het zomer zeysoen 1653          5 sch. gr.
 
 
De Franse Revolutie schafte deze “Heerlijke Rechten” af op 1 oktober 1795 toen de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk gevoegd werden. Voortaan was het voor iedereen mogelijk zelf gebruik te maken van de windkracht.
De molenaar kon enkel rechten van windvang doen gelden voor het stuk land waar hij eigenaar van was. Doch, het optrekken van een molen was een dure zaak die veelal niet door een enkeling kon gedragen worden.
Als voorbeeld: Kornelis Meyers van het Boerenhof te Heist verkocht op 7 augustus 1761 “de drye deelen van achte van eenen coornenwyntmeulen en 47 roeden grond” te Lapscheure voor 184 pond 17 sch. en 5,5 gr. (5). Op deze molen was Leonardus Paridaen molenaar maar geen eigenaar. (De familie Paridaen zou aldaar vanaf 1760 tot bij het verwijderen van de windmolen omstreeks 1923 onafgebroken de stiel van molenaar uitoefenen (6).)
 
Brugge 1562Niet alleen op het platteland werden molens opgericht. Ook in de steden waar meer brood -dus meel- vandoen was stonden windmolens. Op het plan dat Marcus Gerards in 1562 van Brugge tekende staan niet minder dan 26 windmolens op de vestingen rond de stad. Thans staan er nog drie windmolens op de Kruisvest, waaronder de Nieuwe Papegaai, de St.Janshuysmolen en de Bonne Chiere. 
Meestal hebben/hadden molens een naam, zoals bv. de Witte Molen te Roksem, Oostmolen te Gistel, Hovaeremolen te Koekelare, Boerenmolen te Snellegem enz. Dit was ook nodig om het onderscheid tussen de talloze molens te kunnen maken. (Langs de Zeeweg bv. vanaf de Oude Bruggeweg te Roksem tot aan de Boskapel te Bekegem stonden in de 19e eeuw niet minder dan vier molens). Vóór 1806 hadden niet alleen herbergen een naam, maar ook molens en vele huizen. Dit was ook nodig gezien er geen huisnummers bestonden en vele straten zelfs geen naam hadden. Huisnummers zijn er pas gekomen met de wet van 10 november 1806 tijdens de Franse Revolutie (7). Maar na de nederlaag van Napoleon in 1815 te Waterloo geraakten die huisnummers opnieuw in onbruik.
Voor Bekegem heb ik geen enkele molennaam gevonden. Waarschijnlijk komt dit omdat de windmolens te Bekegem tamelijk laat gebouwd werden en ze al beter konden gesitueerd worden. De oudst vermelde windmolen dateert pas van na 1829.
Om de drie molens waarvan hierna sprake is van elkaar te onderscheiden heb ikzelf gekozen voor de volgende namen: Dorpsmolen, Watervallemolen en Boskapellemolen. Dit is volgens het toponiem waar ze opgetrokken werden.
Het is niet omdat er vóór 1830 waarschijnlijk geen windmolens te Bekegem waren dat er aldaar niet gemalen werd. Men moest toch meel kunnen bekomen om het brood te bakken. Van een zelfstandige bakker was toen helemaal geen sprake. In de 87 huizen die te Bekegem stonden werd het brood gebakken voor eigen behoefte.
RosmolenEr kon ook gemalen worden met een rosmolen. Dus door middel van een ros, met paardekracht in plaats van windkracht. In West-Vlaanderen werd een rosmolen een “roskot of rossekot” genoemd. Ook bij vele windmolens bevond zich een rosmolen om toch maar te kunnen malen in perioden van windstilte.
Bij de witte molen te Roksem bv. stond in de 19e eeuw ook een rosmolen: “een koornwind en olie standaart molen, olie kelder, benevens eenen rosmolen..” (8). Voor het malen in een rosmolen gebruikte men meestal twee paarden, omdat die arbeid voor één paard te zwaar was. De paarden liepen zonder ophouden rond het rossekot om zo de molenstenen draaiend te houden. Van iemand die dagelijks met steeds hetzelfde werk bezig was zei men: “hij loopt in de rosmolen”).
De hoeveelheid graan die per uur kon gemalen worden hing af van de paardekracht en de scherpte Van de maalstenen. Het gewicht aan graan dat fijn gemalen moest worden voor huishoudelijk gebruik kon van 50 kg. tot 90 kg. per uur bedragen. Voor het malen van veevoeder -wat niet zo fijn moest gebeuren- kwam men tot boven de 100 kg. per uur zelfs soms tot 300 kg. per uur (9).
Daarbij vergeleken lag de capaciteit van het malen met windkracht opmerkelijk hoger. Met een windsnelheid van amper 25 km. per uur kon reeds gemalen worden. Natuurlijk waren de molenaars blij met de feestdag van de H. Blasius op 3 februari. Want:  
Als het op Blasius regent en waait
Zeven weken lang de water- en windmolen draait.
 
Deze volksspreuk is één van de talloze molenspreuken die er bestaan. Dat men in de naam Blasius het woord blazen herkende is pure volksetymologie. Inderdaad, wanneer de wind blaast is er voor de molenaar veel werk. Ze waren dus erg afhankelijk van de weersomstandigheden.
De productie van het malen van tarwe tot bakkersmeel bedroeg in een windmolen tussen de 200 kg. en 300 kg. per uur. Voor het malen van graan tot veevoeder lagen deze cijfers tussen de 600 kg. en 800 kg. per uur (10). Te Bekegem werd er uiteraard het meest rogge gemalen. In deze zandstreek werd weinig of geen tarwe geteeld.
 
Het past hier ook iets te schrijven over de Roksemse Witte Molen (11). Gebouwd op de grens van de gemeenten Bekegem en Roksem heeft deze zeker een deel van het Bekegemse graan gemalen, want het was “een welgekalanten molen”. Langs de aloude Zeeweg was hij dan ook een buur van de Watervallemolen. Deze molenplaats is ten minste 200 jaar oud. Het kan ook veel meer zijn. Op een kaart van het Bisdom Brugge van Joan Blaeu, opgenomen in de Atlas Major die uitgegeven werd te Amsterdam in 1662 staat een windmolen getekend op ongeveer dezelfde plaats. De “Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden” opgenomen op initiatief van graaf de Ferraris tussen 1771 en 1778 geeft een houten staakmolen weer op eenzelfde molenberg. Deze wordt omschreven als de “Rockxem-molen”.
Een bakstenen bergmolen kwam er in 1843. Bouwheer was Dhr. Pieter Dierickx Visschers-Strubbe die in 1841 in een openbare verkoping “een woonhuys, koorn-wind-molen en oliestandaert-molen, oliekelder, roskot en verder gerief” kocht van de gebroeders Monteyne (12). Molenaar Carolus Monteyne, was de broer van Josephus, molenaar op de Watervallemolen. Deze verkoop ging trouwens door in herberg ‘t Molenhuis aan de Watervalle te Bekegem bij Josephus Monteyne.
Het is deze “Witte Molen” die nu nog ter plekke aanwezig is. Zeker heeft men elementen van de vorige houten molen gebruikt bij deze nieuwbouw. Zo zijn er enkele balken aanwezig waarop de jaartallen 1793 en 1796 staan (13).
De Witte Molen bleef in werking tot 1961.
 
Met de komst van de stoommachine was het lot van de windmolen bezegeld. Voortaan was men niet meer afhankelijk van de weersomstandigheden om te kunnen malen. Windmolens verloren hun economisch belang. En wat niet opbrengt moet spijtig genoeg meestal verdwijnen.
In het midden van de 19e eeuw waren er in Westvlaanderen 939 windmolens, waarvan 831 houten molens en 108 stenen molens. In 1880 waren er dat nog 759. Dat was reeds een duidelijke vermindering ten gevolge van de mechanisatie (14). Restanten van stenen molens, “molenkuipen” zijn in onze regio nog te vinden te Westkerke, Oudenburg, Stalhille, Jabbeke, Snellegem, Zedelgem, Aartrijke, Eernegem, Koekelare, Leke, Leffinge, Stene.
In 1940 bestonden in West-Vlaanderen nog 135 molens. Naast de mechanisatie had ook vooral de eerste wereldoorlog zijn tol geëist, Uit de frontstreek van 14/18 waren alle molens verdwenen. Thans zijn er nog amper 56 molens over, waarvan 31 staakmolens en 25 stenen molens (15). Daarvan draaien nog onder andere deze van Gistel, Brugge, Damme, Hoeke, Knokke…
Een restauratiedossier voor de Witte Molen te Roksem is thans in opmaak.
Zien we binnen enkele jaren dan opnieuw “wenkende wieken”?
 
Bronnen:
1. Tentoonstellingscatalogus: “Vlaamse kunst op perkament” Brugge 1981, blz. 88 b.
2. A. Blontrock: Molenhandleiding van de gidsencurcus “Het land van Godelieve, Arnoldus en Permeke” Gistel-Oudenburg-Jabbeke 1993.
3. K. Van Den Bossche: Ontdek de molen – Nadere kennismaking met …  molinologie. St.-Amands 1980.
4. Rijksarchief Brugge: Staat van Goed. Brugse Vrije, 2de reeks, nr. 10245
5. Rond de Poldertorens: Staat van Goed 1776. 26e jg. 1984 nrs. 1 – 2, blz. 69.
6. A. Van Poucke: “Paridaen, een familie uit de Zwinstreek” Roksem 1993.
7. A. Van Poucke: Namen en jaartallen op huizen te Bekegem in V.V.F.-Krantje, Gistel jg. 12 nr. 2 1990.
8. Rijksarchief Brugge: Register 132. Notariaat Bousson. Oudenburg, akte nr. 49 dd. 5/7/1841.
9. L. Devliegher: Rosmolens in de Westvlaamse kuststreek, in Biekorf 76e jg. 1975/76 nr. 9-12.
10. A. Blontrock: Molenhandleiding…
11. A. Van Poucke: De Witte Molen 150 jaar oud, in ‘t Roksems Gazetje, 5e jg. nr. 2 1993/94.
12. Rijksarchief Brugge: zie nr. 8.
13. L. Devliegher: Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 9 “De Molens van West-Vlaanderen” Lannoo-Tielt 1984.
14. L. Devliegher: Idem.
15. C. Devyt: Het Westvlaams molenpatrimonium, in Biekorf, 94e jg. nr. 4 1994.
 

DE DORPSMOLEN

Zolang de ezel
zakken draagt
heeft de mulder
hem lief
 
OP HET DORP
Molen1Een slag van de molen hebben wordt gezegd van iemand die ze niet meer alle vijf op één rij heeft, die zich eigenaardig gedraagt, die wartaal uitkraamt. Een slag van de molen krijgen was een serieus ongeval dat ernstig letsel kon veroorzaken, ja zelfs de dood tot gevolg kon hebben. Soms werd iemand er “malende” van, dus niet meer zo goed bij z’n verstand. in de 179 eeuw drukte een dichter dit zo uit: 
“VeIe sijnder die ter degen
van den meulen wel betaelt
hebben sulck een slagh gecregen
dat haer hooft noch altijt maelt. “
 
Men mocht dus zeker geen slag van de molen gehad hebben om het beroep van molenaar uit te oefenen. Het vereiste de nodige aandacht en een grote stielkennis.
 
Als men de twee haakse bochten ziet in de Dorpsstraat ter hoogte van de Leegstraat, kan men zich best voorstellen dat daar ooit een wind- of rosmolen heeft gestaan, en de weg er mooi omheen liep. inderdaad, op deze plaats (zie bijgaande kaart) stond een eerste “maalinstallatie” te Bekegem. Het betrof hier bijna zeker een rosmolen opgericht op de gronden van Petrus Derynck, de latere schoonvader van Joannes Van Moortel. (Er moet steeds een onderscheid gemaakt worden tussen de grondeigenaars, moleneigenaars en de eigenlijke molenaars. Veelal waren dat niet dezelfde personen.)
Die Joannes Van Moortel werd geboren te Bekegem op halfoogst 1786 als vierde kind in het gezin van Laurentius en Joanna Rosseel. Hij huwde een goede partij, met name Anna Theresia Derynck, enige dochter van Petrus en Theresia Lannoye beiden afkomstig uit Aartrijke maar wonend te Bekegem op de dorpsplaats. Dit huwelijk had plaats te Bekegem op 9 juni 1814 in het laatste jaar van de Franse Revolutie. Vier jaar later waren z’n schoonouders overleden en de gronden waarop de rosmolen stond “in straete nr. 2 van Roxem-molen loopende naer Zerkeghem” (1) vielen hem dan toe.
KadasterOndertussen was de eerste molenaar al aan de slag, gezien hij reeds als “mulder-huurder” vermeld staat in de volkstelling van 1814 (2). Wie was deze molenaar?
Evenals voornoemde Van Moortel is ook Josephus Van Dycke te Bekegem geboren in de maand augustus, en wel op de 13e van ‘t jaar 1779. Hij was het zevende kind in het gezin van Cornelius en Joanna Clara Van Borsel. Josephus Van Dycke huwde met juffrouw Anna Blomme dochter van Franciscus en Rosalie Deweert, landbouwers wonend te Bekegem maar beiden afkomstig uit een heel andere streek. Franciscus Blomme is geboren te Ursel in Oostvlaanderen, en Rosalie Deweert zag het levenslicht te Oedelem! Het echtpaar J. Van Dycke-Blomme bleef kinderloos, maar later, om bij het vele werk te helpen hadden ze toch een dienstmeid aangenomen, met name Victoria Verstraete. In volle zomer op zeven augustus, drie dagen vóór Lauwtje kermis, overleed Josephus’ echtgenote, pas 51 jaar oud. Alleen achtergebleven en zonder hulp van kinderen besloot J. Van Dycke het een tweede keer te wagen. Een molenaar was steeds een welgesteld iemand en dus zeer gegeerd. Minder dan een jaar later was hij reeds hertrouwd. Z’n tweede echtgenote was de dochter van Jacobus Vergaerde en Anna Dugardeyn uit Westkerke. Toch huwden Isabella-Clara Vergaerde en Josephus Van Dycke te Bekegem en dit op 16 mei 1832. Isabella was niet minder dan 24 jaar jonger dan haar man! Het valt op dat geen van beiden op de huwelijksakte hun naam konden schrijven. Zelfs voor een molenaar-meelverkoper was dat niet noodzakelijk. Er bestond namelijk een heel apart systeem bij hen om gewichten te noteren. Een voorbeeld (3):
 
Gewichten 
Zowel in de liefde als economisch ging het molenaar Van Dycke voor de wind. Twee maanden na hun huwelijk werd al een zoon geboren: Cornelius Van Dycke, op 19juli 1832.
Patentschuldigen
 Volgens het “Register der patentschuldigen in de gemeente Bekeghem, behoorende tot den zesden rang voor den jaere 1827” staat Joseph Van Dycke “molenaer en meelverkooper, winkelier 1e en 2e soort” (4) getaxeerd voor 100 gulden. (Zie bijlage onder nr. 14). Patentbelasting was bij wet ingevoerd sinds 1819 en belastte de zelfstandigen naargelang de vermoedelijke winstgevendheid van hun bedrijf. De huurwaarde van zijn rosmolen bedroeg toen 150 gulden. Daarmede behoorde Van Dycke tot de “betere klasse” te Bekegem.  
Om het vervolg van het verhaal goed te kunnen situeren moeten we nu terug gaan tot een broer van Josephus, namelijk Carolus Van Dycke “soldaat van Napoleon” (5) en knecht bij landbouwer-maire (burgemeester) Franciscus Jonckheere. Daar kon Carolus een dochter aan de haak slaan, Regina-Francisca, waarmee hij tien dagen na de Slag van Waterloo (18 juni 1815) in het huwelijk trad. Het jonge paar ging zich enkele jaren later vestigen te Eernegem als landbouwers.
Het harde soldatenleven had Carolus’ seksuele potentie zeker niet aangetast. Ze kochten niet minder dan 13 kinderen die dus allen moesten “nonkel” zeggen tegen de Bekegemse molenaar Joseph Van Dycke.
Marie-Louise Van Dycke, het zevende kind van Carolus en Regina voornoemd, zou na de dood van nonkel Joseph te Bekegem op 21 maart 1846 de molenplaats komen bezetten. (Josephus was na de dood van Isabelle Vergaerde op 22 januari 1845 opnieuw weduwnaar geworden). Marie-Louise werd geboren te Eernegem op de eerste juli 1827. Drieëntwintig jaar later –op 28 oktober 1850- huwt ze te Eernegem met landman Leonardus Vanhullebusch, zoon van Pieter-Joseph en Coleta-Blondina Vanden Auweele (ook soms Ameele genoemd) uit Eernegem. Deze Leonardus die 25 jaar was -geboren 3 april 1825- was op het moment van z’n huwelijk soldaat bij het tiende Linie Regiment, en had daardoor de toelating van z’n commandant nodig om te kunnen trouwen. Maar dit “certificaat van militie” had hij waarschijnlijk zonder problemen bekomen. Leonardus Vanhullebusch had immers “een pinte gepakt vóór de vespers”, want reeds vier maanden na hun huwelijk werd een eerste kind geboren, en dit op de laatste dag van kortemaand 1851. Deze dochter kreeg de naam Eugenie.
Daarna zouden er nog zes kinderen volgen, om het jaar één tot een laatste zoon geboren werd op 26 mei 1858: Emilianus Van Hullebusch.
Intussen beoefende Leonardus de stiel van molenaar. Het bleef dus in de familie.
 
Maar keren we nu terug tot de grondeigenaars. Joannes Van Moortel die al 68 jaar geworden was verkoopt in 1854 aan Pieter (Van) Hullebusch landbouwer te Ichtegem (6): “Tweeëntwintig aren en veertig ca. bebouwde grond en zaeyland, gestaen en gelegen te Bekegem, Oost van de kerke, palend aan juffrouw weduwe Delvoye van Brugge en de verkopers ( Jan Van Moortel en Anna Ther. Derinck), Zuid de straete van Bekegem naer Zerkegem, West dezelfde straete, Daerover Mr. Boutens te Jabbeke, bekend bij kadaster sectie A. 153 en 153bis, alsnu gebruikt door Franciscus Lombaré aen wie het daerop staende huiseken toebehoort. “
Molenaar Vanhullebusch woonde dus niet op het molenerf zelf, doch vermoedelijk in de daartegenover staande herberg “De Gouden Os”. Dit land werd verkocht voor 200 Fr. Er is hier dus geen sprake van de molen en ook het huisje erop is niet inbegrepen. (Ter vergelijking: in 1853 verkoopt notaris Depuydt -Eernegem te Aartrijke een “huisje in plak en vlegt (7) tusschen stylen en plaeten” met erf van 9 are en 10 ca. voor 260 Fr. (8)). Een op te merken bijzonderheid: noch koper Hullebusch, noch Anna-Ter. Derinck kunnen hun naam schrijven. Alleen Joannes Van Moortel ondertekent de akte met:  
 Vanmoortel handt
 
In 1829 was hij bij de 22 gezinshoofden te Bekegem die hun naam konden schrijven op een totaal van 87.
 
Wie was nu die nieuwe grondeigenaar uit Ichtegem? Pieter Hullebusch, geboren te Ingelmunster op 25 maart 1794 was oorspronkelijk wever en kwam zich na de dood van z’n ouders (Joannes Hullebuys +Kortemark 1813 en Theresia Hoste +Koolskamp 1812) te Ichtegem vestigen. Daar kwam hij in kennis met de welstellende boerendochter Anna-Theresia Lauwaerde, dochter van Pieter en Isabella Vandenbussche. Anna-Theresia werd geboren te Ichtegem 4 september 1788 en huwde er Pieter Hullebusch op 5 mei 1817. Reeds bijna 29 jaar schonk ze haar man nog vier kinderen: Karel, Francis, Bernard en Louise die later getrouwd was met koopman Ferdinand Vanhoutte uit Kortemark. Geen van beide pasgehuwden kon schrijven. Echtgenoot Pieter zei daarover “niet te kunnen schrijven nog teekenen daer het nooit geleerd te hebben”. Blijkbaar hadden ze toch voorspoed en geluk want bij de dood van Anna Lauwaerde te Ichtegem op 18 februari 1858 bleek vader Pieter Hullebusch in het bezit te zijn van de molen te Bekegem-dorp. Door het overlijden van hun moeder werden de kinderen uiteraard mede-eigenaars.
De molen werd dus verpacht aan de echtgenoten L. Van Hullebusch-VanDycke. Een bijzonderheid in het pachtcontract van een molenbedrijf was de clausule dat het onderhoud van het “staande werk” of onroerend gedeelte ten laste was van verhuurder, terwijl het onderhoud van het “draaiende werk” of roerend gedeelte ten laste was van de molenaar of pachter.
Omdat Pieter Hullebusch opnieuw trouwplannen had, hij was al 68 jaar, verkreeg hij dat de kinderen hun erfdeel in de goederen te Bekegem en op nog meer andere plaatsen aan hem verkochten. Op 25 oogst 1859 gingen de kinderen Hullebusch met vader Pieter naar de “koninklijken notaris te Ichtegem, meester Vansieleghem-Janssens.” Van al de goederen was de molen te Bekegem pas de zevende koop:  
“eenen koorn- en oliewindmolen met 22 aren 40 ca. land onder molenwal en zaailand daarmede gaande staande en gelegen te Bekegem, Oost bij het dorp, paIende Noord Juffrouw de weduwe Delvooye, Oost Jean Van Moortel, Zuid en West de straete al draeyende loopende uit Bekegem dorp naar Zerkegem, gekend bij kadaster sectie A nrs. 153 en 153bis, tegenwoordig gebruikt door de weduwe van Leonardus Hullebusch.”  
Intussen is er dus sprake van de “weduwe Van Hullebusch” en van een “molenwal” (daarover verder meer). Inderdaad Leonardus Van Hullebusch is overleden te Bekegem op 22 januari 1859 amper 34 jaar oud. Hij is ’s morgens om 11 ure in zijn woonst overleden. Is dit ten gevolge van een arbeidsongeval? Een slag van de molen gekregen -veelal een dodelijke klap? Het zal waarschijnlijk in de nevelen van de tijd gehuld blijven.
Over molenaar Van Hullebusch nog de volgende rariteit. Tussen 1851 en 1858 werden er dus zeven kinderen geboren. Telkens deed hij aangifte bij de burgerlijke stand zonder te kunnen ondertekenen. Tot in 1857 bij de geboorte van zoon Carolus hij het toch waagt, evenwel gebrekkig maar toch leesbaar:
 Vanhullebusch handt
Bij de volgende geboorte in 1858 is hij het toch weer verleerd. Of had hij te diep in het glas gekeken? Dit is bij deze gelegenheid niet onmogelijk…
Nu is er op de dorpsmolen een molenaar tekort. Er zijn nog geen zonen oud genoeg om de taak van vader over te nemen. Ivo Maes wonend te Roksem had dat in de gaten, en een jaar na het overlijden van Leonardus huwt! Maes te Bekegem met de weduwe Van Hullebusch, daags na dertiendag op 7 januari 1860 om vier uur in de namiddag.
Ivo Maes is te Koolskamp geboren op 3 januari 1803 als zoon van Emanuel en Antonia Vervisch. Molenaar Maes bleef ook niet stil zitten. Hij kocht niet alleen vijf kinderen (Romania 1860, Idalie 1862, Elisabeth 1863, Diseré 1864 en Elodie 1865) enkele jaren later was hij ook eigenaar van de dorpsmolen.
 
 Maes handtek
 
Handtekening van molenaar Maes
Pieter Hullebusch, die soms Hullebuys noemde, grondbezitter en moleneigenaar was ondanks z’n 68 jaar nog een gegeerde man. Sophia-Coleta Marques, huiswerkster uit Ichtegem, ongehuwde dochter van Charles en Anna Baeckelandt, en 50 jaar oud gaf Pieter haar jawoord te Ichtegem op 17 september 1862. Getuige bij dit huwelijk was Joannes Franciscus Hullebusch broeder van Pieter Hullebuys en molenaar te Eernegem. Je ziet deze familie heeft iets met molens. Hun huwelijksgeluk duurde niet lang. Reeds op zes juli 1866 overleed Sophia Marques. Pieter zou haar nog 18 jaar overleven en 90 jaar oud worden, wat voor die tijd zéér oud is. Hij overleed te lchtegem de dag vóór Kerstmis 1884.
Maar reeds in 1865 had Pieter Hullebusch de Bekegemse molen verkocht aan Ivo Maes. Deze eigendom werd als volgt omschreven:  
Eenen koornwínd molen en 22 a. 40 ca. en onder molenwal en zaailand daer medegaende, staende en gelegen te Bekegem, Oost van de kerke, paelende Noord, Mr. Rembry te Diksmuide, Oost Amand Vermoortel, Zuid de straete lopende van Bekegem naar Zerkegem, en West de zelve straete, daer over Mr. Stevelynck notaris te Diksmuide… thans door den koper gebruikt (9) “.
 
Het goed werd verkocht aan Ivo Maes voor “vijf duijzend francs”! Te betalen binnen de 25 jaar plus intrest aan 4%. De verkoper verklaart nog dat hij en z’n vrouw Anna Lauwaerde dit goed verkregen hebben door koop van Joannes Van Moortel-Derinck en “de molen hebben zij daer opgesteld”.
Hier zien we nu dat de dorpsmolen pas in 1854 opgericht werd ter aanvulling of vervanging van de rosmolen. De molenwal had een doorsnede van ca. 16 m. en stond op ongeveer 7 à 8 m. van de straatkant (10).
 
Het is toch wel eigenaardig dat een koper van 62 jaar nog een betaaltermijn van 25 jaar krijgt. Toch waren die 25 jaar nog lang niet voorbij toen Ivo Maes het leven liet. Op 17 mei 1873 overleed hij te Bekegem. Hij had het dus niet meer beleefd dat één van zijn dochters, Idalie als zuster Gerarda in het klooster trad van de Maricolen te Brugge.
 
 
Stammoeder Marie Louise Van Dycke was nu voor de tweede maal weduwe en nog maar 45 jaar oud. Doch binnen het jaar trouwde ze voor de derde maal. Op 15 april 1874 was de gelukkige Amand Francis Vanhee, landman, wonende te Bekegem doch geboren te Jabbeke op 8 mei 1837. Hij is de zoon van Karel en Catharina Brouckmeersch. Blijkbaar zat Marie Louise er dan al goed voor, want bij notaris Depuydt te Eernegem lieten ze vooraf op 3 april een huwelijkscontract opstellen. Dat was toen nog niet zeer gebruikelijk.
Met de hulp van muldersknecht Eduardus Rietmaeker kon het molenaarsbedrijf draaiend gehouden worden tot zoon Diseré Maes de zaak kon overnemen. Doch deze had daar blijkbaar niet veel interesse voor. Hij wilde voor bakker leren en trok daarvoor naar Oostende. (De combinatie bakkers-molenaars in dezelfde familie kwam vrij regelmatig voor, bv. de families Monteyne en Lievens).
Diseré Maes werd geboren te Bekegem op 15 juni 1864. Hij was de enige zoon van Ivo en M. Louise Van Dycke. Op 23-jarige leeftijd verbleef hij te Oostende (11). Toch kende hij iets van de molenaarsstiel die hij waarschijnlijk samen met Ed. Rietmaeker beoefend had, of het toch van hem geleerd.
Uiteindelijk in 1887 verkoopt Diseré Maes de molen en bijbehorende café aan Mevrouw weduwe Achille Claeys-Vanden Berghe uit Brugge.
 
Louise Marie Vanden Berghe had tot dan een merkwaardig leven achter de rug. Ze is geboren te Brugge op 1 april 1850 als dochter van Petrus en Joanna Cosyns, handelaars in dezelfde stad. Reeds op 17-jarige leeftijd huwt ze aldaar op 6 augustus 1867 met Dhr. Gustavus Julianus Dominicus Schaeverbeke, zoon van de brouwer uit ‘t Hamerke te Brugge in de Langestraat (12). Daarop namen de jonggehuwden brouwerij “De Zon” over, eveneens gelegen in dezelfde Langestraat en reeds in werking sinds 1720. Het huwelijksgeluk duurde evenwel niet lang. Al in 1875 overleed Gustavus Schaeverbeke. Als weduwe met drie kinderen hertrouwde Louise Marie twee jaar later op 16 augustus 1877 met de 25-jarige Achille Pierre Louis Amand Claeys, koetsen- of wagenmaker en meester-zadelmaker, eveneens uit Brugge. Ook dit huwelijk bleef maar zes jaar duren. In 1883 overleed haar tweede man A. Claeys. Louise Vanden Berghe was dan nog maar 33 jaar. Maar ze liet de moed niet zakken, ze bleef verder de brouwerij uitbaten. Voor haar eigendom te Bekegem zal ze wel meer aandacht gehad hebben voor het bijbehorende café dan voor de windmolen, alhoewel deze in 1887 nog een rendabele “onderneming” was.
 
Terug nu naar Diseré Maes. Reeds bijna 30 jaar oud geworden was het tijd om op jacht te gaan. Uiteindelijk vond hij te Zerkegem een echtgenote en naamgenote: Paulina Maes. Pauline was geboren te Aartrijke op 27 september 1874 en was dus tien jaar jonger dan Diseré. Zij is de dochter van slachter Carolus Ludovicus en Rosalia Stephania De Schuijter, herbergierster te Zerkegem. Het huwelijk vond plaats te Zerkegem op 8 mei 1894 om 6 ure in de namiddag. De pasgehuwden vestigden zich langs de Gistelse steenweg te Zerkegem alwaar Diseré het beroep van bakker en molenaar uitoefende. (De huidige Maalderijstraat te Zerkegem herinnert nog aan zijn molen). Pauline werd herbergierster. Alles verliep er blijkbaar prima. Er werden niet minder dan vijftien kinderen geboren! De dertiende in de rij -nochtans een ongeluksgetal- zou later een beroemde sportheld worden. Jawel, zoon Romain -geboren op 10 augustus 1912- won in 1935 de “Tour de France”. En dit niet zomaar bij toeval. Neen, hij won de eerste rit, veroverde daardoor de gele trui en stond die niet meer af tot de aankomst in Parijs. Een echte flandrien… Romain won in deze Tour vier ritten en had te Parijs een voorsprong van 18 minuten. Dit is een exploot die nog maar door weinigen werd overgedaan.
Maar vader Diseré heeft dit niet meer mogen meemaken. Hij was reeds overleden te Zerkegem op 1 september 1920. Een interessant detail: de molen welke D. Maes had te Zerkegem bestaat nog. Na zijn dood werd deze windmolen gekocht door de Heer Wullepit uit Zarren. Hij zou deze standaardmolen aldaar opstellen in 1921, en dit ter vervanging van z’n vernielde molen door de troebelen van de eerste wereldoorlog.
De Wullepitmolen staat nog steeds te Zarren waar deze tot 1949 gewerkt heeft (13). Sinds 1973 is het een beschermd monument en aangekocht door de gemeente Kortemark.
 
Na de verkoop van de Bekegemse dorpsmolen in 1887 moet er dus een nieuwe molenaar komen. Vermoedelijk heeft Eduardus Rietmaeker daar enige tijd blijven werken om de molenaarsstiel door te geven aan Ludovicus Cobbaert.
E. Rietmaeker, zoon van Joannes en Francisca Kyndt uit Zerkegem, woonde te Bekegem en is er zelfs geboren op 21 januari 1858. Tot aan zijn huwelijk op 4 mei 1888 met Romanie Verplancke dienstmeid uit Bekegem, heeft hij als “muldersknecht” gewerkt. Vanaf 1889 was hij gewoon werkman en verhuisde dan naar Snellegem. Bij hun huwelijk was de hogergenoemde L.Cobbaert getuige.
 
Nu was het dus de beurt aan Ludovicus Cobbaert om er als molenaar te werken. L. Cobbaert is geboren te Bekegem op Godelievedag 6 juli 1857. Hij is de zoon van Franciscus, landswerkman en Sophie Sagaer, beiden uit Bekegem. Zeven en twintig jaar later trouwt hij eveneens te Bekegem met Rosalie Van Hulle landbouwersdochter uit Roksem. Toen was het 9 mei 1884. Rosalie was de dochter van Joannes en Ivonne Vanden Bussche. De molenaar van de Watervallemolen, August Callemeyn was er nog als getuige bij dit huwelijk. Later waren het al concurrenten L Cobbaert begon als herbergier en landbouwer, werd later nog molenaar erbij en… politicus. inderdaad, de nieuwe molenaar werd in 1903 gemeenteraadslid bij burgemeester August Monteyne en kort- voor de eerste wereldoorlog -in 1912- werd hij zelf burgemeester. Dit zou hij blijven tot aan zijn dood op 18 december 1938.
 
In de herberg van Cobbaert genaamd “De Kroon” kreeg men rond de eeuwwisseling eens het bezoek van enkele jonge gasten uit de buurgemeente Aartrijke. Zoals dat toen in de aard van de buitenlieden lag was men niet al te veel gesteld op vreemde bezoekers. Eén van die schuchtere mannen werd dan ook het slachtoffer van de volgende “grap”. Een aantal Bekegemse jongelieden trokken hem de broek uit en hingen deze aan een molenwiek, welke ze dan met behulp van een molenhaak naar omhoog draaiden. De arme jongen bleef tenslotte tegen het stampkot van de molen zitten wachten op z’n broek!
Sedert die tijd ontstonden te Bekegem een paar nieuwe volkse gezegden. Als men iemand wilde aanpakken die niet met zich liet sollen zei men: “dat ze dat maar laten, het zal toch niet pakken, hij is van Aartrijke niet”. En bij het zien van een onbekende op de gemeente -van Bekegem zei men dat het op het einde van de wereld lag- zei men dan: “Hij is van Aartrijke, ‘k zien ’t aan z’n gat…” (14).
 
Intussen waren de tijden veel veranderd zeker na de omwenteling van 14/18. Economisch was een windmolen niet meer zo rendabel. Er kwam bij de dorpsmolen dan ook een mechanische maalderij in het huisje van hogergenoemde Lombaré op het molenerf. Toen Louise Marie Vanden Berghe in 1911 -een paar jaar voor haar overlijden in februari 1913- de molen verkocht aan de familie Renaat Loobuyck-Vergauwe was het lot van de molen bezegeld. De molen werd omvergetrokken en de molenwal afgevoerd. Toch was dit de laatste molen die z’n wieken liet draaien te Bekegem, maar hij heeft het slechts 57 jaar volgehouden. Vergeleken met andere molens die soms zelfs een paar honderd jaar oud zijn, was de dorpsmolen een vrij jonge constructie. De molenplaats zelf echter was reeds in het begin van de 19e eeuw bekend.
 
                                                                Stamboom Van Dycke
 
Bronnen:
1. RAB: Archief gemeente Bekegem nr. 25 “Staat van openbare wegen”.
2. V.V.F. Brugge: Bekegem, volkstelling 1814 in deel 5.
3. Luc Devliegher: Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 9, “De molens in W.Vl.”, blz. 191, Lannoo Tielt 1984.
4. RAB: Archief gemeente Bekegem nr. 16.
5. A. Van Poucke: Bekegemnaar Charles Van Dycke, soldaat van Napoleon, in Noortover B 6e jg. 1993/94 nr. 2, bl. 50.
6. RAB: Register 132. Notariaat August De Busschere, Brugge akte nr.17 dd. 3/2/1854.
7. Plak en vlegt; plak en stak = leem en latten. G. Gezelle Loquella 1907.
8  M. Denduyver: Notariaat Depuydt Eemegem, in Noortover B 5e jg. nr. 3, 1992/93, bl. 74 (akte 39 dd. 2/7/1853).
9. RAB: Register 132. Notariaat Depuydt Eemegem, akte nr. 44 dd. 9/7/1865.
10. Kadasterplan Bekegem 1854.
11. H. Holemans: Westvlaamse wind- en watermolens, Kadastergegevens 1835-1990, deel 1 bl. 45.
Studiekring Ons Molenheem, Kinrooi.
12. Mededelingen Dhr. H.L. Davans, St.-Kruis~Brugge. Brouwers waren Joannes Schaeverbeke en Anna Ther. Coppens.
13. Luc Devliegher: De molens in West-Vlaanderen… bl. 262.
14. H. Dekeyzer: Volksgezegde te Bekegem ontstaan bij de molen,
in Ons Heem, jg. 19 1965, nr. 5.
Alle data uit de parochieregisters en registers van Burgerlijke Stand werden opgezocht in het Rijksarchief te Brugge (RAB).
 

DE WATERVALLEMOLEN

 
Eén steen
alleen
kan geen meel
malen
 
AAN DE WATERVALLE.
Molen1Met “alle molens vangen wind” wordt de concurrentie bedoeld onder de verschillende molens, winkels, handelaars, enz. die dezelfde producten verkopen, verhandelen. De wind waait inderdaad voor iedereen, en zo neemt elke mededinger in dezelfde branche een deel van de verdiensten weg. Dat is temeer het geval voor Bekegem welke in de tweede helft van de 19e eeuw niet minder dan drie windmolens telde. De Watervallemolen stond zelfs op amper één kilometer van de Dorpsmolen en ongeveer even ver van de Roksemse molen, die eveneens langs diezelfde Zeeweg stond.
 
Wanneer Jacobus Blomme en z’n echtgenote Elisabeth/Isabella Vandendriessche zich in 1772 vanuit Oedelem in Bekegem als landbouwers kwamen vestigen zullen ze wel niet gedacht hebben dat hun éénjarig zoontje Pieter Jacobus eens rijk zou trouwen en arm zou sterven.
Pieter Jacobus Blomme, geboren te Oedelem in 1771 groeide op te Bekegem tussen zijn zes broers en zeven zussen. Vader Jacobus was te Bekegem “agent-municipal” -voorloper van wat nu de burgemeester is- van bij het begin van de Franse Revolutie en dit tot 1805. Wanneer Pieter Jacobus Blomme 21 jaar geworden was huwde hij te Eernegem op 30 oktober 1792 -enkele dagen vóór de Franse Revolutie ons land overspoelde- met Maria Anna Oeteghem (of Vanhoetteghem), dochter van Petrus en Maria Anna Rosseel landbouwers aldaar. Maria Anna is er geboren op 2 december 1763 en was dus acht jaar ouder dan haar man. Pieter Blomme was in staat om zijn naam duidelijk leesbaar te schrijven onder de huwelijksakte in het parochieregister. Z’n echtgenote daarentegen tekent met een kruisje. Na deze formaliteiten vóór pastoor Roelens bleven de pasgehuwden te Eernegem wonen. Pieter Jacobus had een goede partij gekozen! Hij werd er eigenaar van een hofstede en tien jaar later waren er vier kinderen in leven en er waren nog twee knechten in dienst: Petrus Lievens en Cornelius Vansteenkiste (1).
 
Bij het overlijden van z’n schoonouders te Eernegem erven het echtpaar Blomme-Vanhoetteghem verschillende partijen land en een kleine hofstede en een woonhuis enzomeer (zie verder) gelegen op de wijk de Watervalle te Bekegem. Deze eigendommen werden door het echtpaar Pieter Vanhoetteghem-Rosseel aangekocht in de zomer van 1774. Ze waren dus kapitaalkrachtig.
 
Te Eernegem werd in het jonge gezin Pieter Blomme-Vanhoetteghem een dochter geboren op 20 september 1798: Anna Theresia. En op 7 frimaire X (=28 november 1801) werd bij molenaar Bernardus Franciscus Monteyne en Marianna Van Roose te Roksem een zoon geboren: Josephus. Anna Theresia en Josephus zouden elkander ontmoeten en trouwen te Eernegem op 15 mei 1827.
 
Het revolutiejaar 1830 was niet alleen voor ons land belangrijk, ook het gezin J. Monteyne-Blomme beleefde een kleine revolutie. Op 23 maart werd hun eerste kind geboren, een dochter die de naam kreeg van Johanna Clara. Maar ook in ditzelfde jaar mocht Josephus Monteyne een windmolen bouwen op de gronden van z’n schoonouders aan de Watervalle te Bekegem.
Kadaster1De grond was gelegen langs de Zeeweg -richting Roksem- en ongeveer 49 aren groot. Joseph kon van dan af opnieuw z’n beroep van molenaar uitoefenen. Hij bleef evenwel te Eernegem wonen want er was nog geen woonhuis voor hen bij de molen. Een goed jaar later op 7 april 1831 werd een tweede dochter geboren met name Louise. Een eerste zoon Henricus Monteyne werd geboren in 1834. Twee jaar later in 1836 is het weerom een belangrijk jaar voor molenaar Monteyne. Hij mag nu naast z’n molen en eveneens op grond van z’n schoonouders een woonhuis bouwen. Dit gebeurt op de hoek van “de baan naar de Bourgognevaart en de Zeeweg”. Dit huis wordt eveneens herberg onder de toepasselijke naam “Het Molenhuys” met Anna Theresia Blomme als waardin.Kadaster2
 
“Een nieuw huis, een nieuw kind” zegt men soms, en inderdaad nog hetzelfde jaar op de 29e  van oogstmaand wordt opnieuw een dochter geboren: Amelia Monteyne. Twee jaar later komt er nog een dochter: Sophie op 7 oogst 1838.
Maar na enkele jaren komen er nare tijden in de familie. De schoonouders van molenaar Monteyne waren intussen ook komen wonen op de Watervalle te Bekegem in een eigen huisje. Maar het bleek bij hen nu armoe troef. In 1840 moeten zij al hun eigendommen verkopen om schulden en hypotheken te kunnen afbetalen. In alle stilte wordt een regeling getroffen tussen Pieter Blomme en Valentinus Blake, grondeigenaar wonende te Moere. Notaris Bousson uit Oudenburg stelt op 6 juli 1840 een verkoopakte op in het molenhuis van schoonzoon Joseph Monteyne met als getuigen Carolus Monteyne, molenaar te Roksem en broer van Joseph, en Carolus Kyndt, herbergier wonende te Bekegem (2).
Wat hield deze min of meer gedwongen verkoop in?
1e. “Een hofstedeken met alle des zelfs gebouwen en aenhoorigheden benevens de hoeveelheyd van drie hectaren achten tagentig aren tien centiaren medegaende erve onder grond van gebouw, boomgaerd, hovenier hof en acht perceelen zaeyland, alle gestaen en gelegen te Bekeghem zuyd niet verre van de kerke aen het gehugte de watervalle… “
2e. “Op de westzyde daer aen een woonhuys en stalleken benevens de hoeveelheyd van vijf en dertig aren veertig centiaren medegaende erve in één perceel, gestaen en gelegen als vooren, paeld van noorden, zuyden en westen aen de weduwe Breydel te Brugge en van oosten aen de voorschreven partie… ten gebruyke van de verkooper.”
3e. “West wat van daer over den Zeeweg eene partie bebouwden grond en zaeyland groot in het geheele tot achten veertig aren vijftig centiaren, gelegen als vooren paelende van noorden gezegde kerke van Bekeghem van oosten aen den Zeeweg, van zuyden aen de straete Ioopende naer de Bourgognevaerd en van westen de weduwe Declerck te Oostende… en is ten gebruyke van Joseph Monteyne molenaer te Bekeghem, aen wien den daer op staenden molen en woonhuys zijn toebehoorende”.
4e. “Eene partie zaeyland groot tot drie en veertig aren vijf centiaren zynde een lang perceel Ioopende al draeyen zuyd en noord, gelegen ter gemeente van Eerneghem verre noordoost van de kerke…
De verkoopprijs van deze vier loten bedroeg “thien duysend franken” waarvan de verkopers helemaal niets in handen kregen.
Een kleine helft van dit bedrag werd gebruikt ter afbetaling van schulden, afbetaling van een lening en interesten. De resterende 5.717 F moest betaald worden aan de erfgenamen nà het overlijden van de langstlevende echtgenoot. De verkopers mochten wel in hun huisje blijven wonen tot hun overlijden.
Een troostprijs.
Maria-Anna Vanhoetteghem overleed tien jaar later te Bekegem op 7 februari 1850. Pieter Jacobus Blomme volgde haar in de eeuwigheid op 2 oktober 1852. Daarmee nam de story “van rijk tot arm” een einde.
 
De nieuwe eigenaar van de gronden en gebouwen (behalve de molen en herberg Het Molenhuys) was dus Valentinus Ludovicus Carolus Blake.
Verkoopakte
Handtekeningen op de verkoopakte van6 juli 1840
 
Deze Blake was geboren te Oostende in het Xde jaar van de Franse Republiek op 17 thermidor (= 5 augustus 1802) als zoon van Thomas Jacobus Richard en Anna Josephine Hendrica Louise Ricour uit Ichtegem. Vader Thomas was négociant en maire (burgemeester) van Oostende van 1801 tot 1805. Hij heeft in die periode zelfs tweemaal Napoleon ontvangen. Zoon Valentinus bracht een deel van z’n jeugd door te Ichtegem, tesamen met z’n ouders, broers en zusters. Ze woonden er op de wijk “het Coolevelt” bij grootvader Ludovicus Ricour, rentenier en maire aldaar (3). Later werd Valentinus
“Ontvanger der Directe Belastingen en grootgrondbezitter” en vestigde zich te Moere. Hij bezat vele eigendommen te Bekegem en omliggende gemeenten.
 
Intussen bleef molenaar Monteyne z’n molen naar de wind zetten, en dat legde hem geen windeieren. Amper één jaar na de verkoop van de gronden aan Blake kocht Joseph Monteyne die -grond van hem terug waarop het molenhuis en de molen gebouwd waren. Op 18 oktober 1841 stelde notaris Bousson uit Oudenburg de akte op (4): “Eene partie bebouwden grond, molenwal, bVerkoopakte1oomgaard, hovenierhof en zaeyland, alle in eenen blok, tesament eene vierkante partie strekkende oost en west, groot 48 a. 50 ca., gelegen te Bekeghem, zuydwest van de kerke, paeld noord de kerke van Bekeghem, oost in den Zeeweg, zuyde de Bourgognestraete, en west aan de weduwe Salomon Declerck te Oostende”. De koopprijs daarvan bedroeg 1200 F, De zaken gingen goed ondanks de concurrentie van de andere molens.
 
 
Joseph Monteyne en Anna Theresia Blomme kochten nog een kind, een vijfde dochter: Marianna geboren op 13 april 1842. \/olgens het Register van patentschuldigen (5) uit 1847 verdiende Joseph Monteyne veruit het meest van alle handelaars en neringdoenders te Bekegem. Hij betaalde voor dit jaar 14,73 F. aan patentbelasting als molenaar-tapper (herbergier).
LijstDe tweede hoogste op de “Rôle du droit de Patente de 1847” waren de beide bakkers Charles Kyndt en Charles Monteyne met 8,86 F., dit is amper iets meer dan de helft van wat de molenaar moest betalen. Door 15 personen moest 63,49 F. betaald worden. Molenaar Monteyne betaalde daarvan dus
bijna een kwart. En dit dan nog in crisistijd met mislukte graanoogsten, Minder graan is minder malen. Het begon al in de winter van 1844/45 toen het vroor van begin december tot een eind in maart. Daardoor werd een groot deel van de graanoogst vernield. Te Bekegem werd in de zandgrond hoofdzakelijk rogge gekweekt, wat ook tot uiting komt in het vanouds gekende gezegde:
 
“Tussen Westkerke en Brugge eten de mensen rugge”.
 
Eind juli 1845 kwam dan de aardappelziekte. In Westvlaanderen ging meer dan 92 % van de oogst verloren. De winter daarop was zacht en nat waardoor de rogge aangetast werd door “brand”. Van de normale opbrengst van 90 kg. per inwoner kwam de oogst naar 36 kg. Dit is minder dan de helft. Ook andere graansoorten werden aangetast. Het was dus drie jaar lang hongersnood. Daar bovenop brak in 1847/48 tyfus uit en in 1848/49 de cholera (6). Te Bekegem stierven in de jaren 1847, ’48 en ’49 respectievelijk 28, 23 en 14 mensen. Tussen 1846 en 1856 in tien jaar tijd waren slechts vier inwoners bijgekomen, van 597 tot 601, en dat terwijl er jaarlijks circa 25 geboorten waren.
 
Maar terug nu naar molenaar Josephus Monteyne. Hij heeft die crisisjaren niet lang overleefd. Te Bekegem overleed hij op 4 juni 1856, slechts 56 jaar oud. De weduwe Anna Theresia Blomme bleef verder het molenbedrijf en herberg uitbaten, tesamen met zoon Henri die ook de molenaarsstiel kende. Tenslotte stierf Anna Blomme op de 9e  van nieuwjaarsmaand 1861. Bij de aangifte door zoon Henri blijkt dat ook hij niet kan schrijven, en dit in tegenstelling met z’n vader die een sierlijk schrift had:
 Monteyne
 
Een jaar later wordt de ganse eigendom verkocht aan de gebroeders Van Sieleghem uit Eernegem. Uiteindelijk komt dit in het bezit van brouwer Gustavus Van Sieleghem uit Eernegem.
Precies zoals bij de dorpsmolen is het hier ook een brouwer die de molen en herberg koopt. Gustavus Adolphus Maria Van Sieleghem werd geboren in deze gemeente op 26 oktober 1825 als zoon van Josephus Carolus Franciscus, notaris te Koekelare, en van Marie Therese Questier, eveneens uit Eernegem. Gustave huwde te Oostende met Helena Mathilde Maria Vander Heyde en kwam wonen op de Moerdijk te Eernegem. Hij werd er brouwer, grondeigenaar, en… ridder van de Leopoldsorde. Van 1868 tot 1872 was hij provinciaal raadslid voor de liberale partij en vanaf 1872 was hij zelfs verkiesbaar voor de senaat (7). Bij de provinciale verkiezingen van 1870 bv. behaalde Van Sieleghem 262 stemmen van de 420 ingeschreven kiezers. Dit was zelfs één stem meer dan Theodore Heyvaert uit Gistel, de latere gouverneur van de provincie West-Vlaanderen (8). Dat politici veel belangstelling hadden voor cafébazen lag aan het toenmalige kiesstelsel. Door het cijnskiesstelsel mochten bijna alle caféhouders hun stem uitbrengen. Zij betaalden genoeg “kiescijns” om te mogen stemmen. In feite kan men stellen dat door een café te kopen men ook een stem meekocht. Voor Van Sieleghem was er dus een dubbel profijt gezien hij ook nog brouwer was. Toch moet Gustave Van Sieleghem niet al teveel interesse gehad hebben voor zijn Bekegemse eigendom want reeds enkele jaren later in 1867 verkoopt hij molen en gebouwen.
 
De nieuwe eigenaar wordt Augustinus Callemeyn afkomstig uit Zerkegem. Hij werd aldaar geboren op half september 1838 als zoon van landbouwer Joannes en Rosalie Ferdinanda Naeyaert. August huwde te Ettelgem de “particuliere” Joanna Catharina Pottie, dochter van hoefsmid Carolus en Anna Theresia Salle. Dit gebeurde op 12 april 1861 om vier uur in de namiddag. Joanna Pottie was in Ettelgem geboren op 23 juni 1840. De pasgehuwden gingen zich in Moere vestigen waar reeds op 18 oktober 1861 een eerste kind geboren werd: Eduardus Callemeyn. Maar dit eerste kind werd slechts vier maanden oud. Een jaar later op 25 november werd een dochter geboren en kreeg de naam Leonia Maria. Het jaar daarop in 1863, verhuisde het gezin Callemeyn-Pottie naar Bekegem. Toen was August nog geen molenaar. Eerst kochten ze nog twee kinderen: op 19 maart 1864 opnieuw een Eduardus en op 12 november 1865 een dochter, Renilde Ludovica. 1867 was dan het “boerejaar” voor hen. Callemeyn kocht niet alleen de herberg “t Molenhuis” maar ook nog de windmolen en op 12 mei nog een dochter: Elisa Maria. Op 8 september 1868 werd Emma Amelia geboren. Toen waren er al vijf kinderen in het gezin. August Callemeyn was blijkbaar een man die van aanpakken wist. In het jaar 1870 installeerde hij een “moulin à vapeur” in een gebouw tussen de herberg en de windmolen (9). Daarmede deed de industriële Revolutie z’n intrede te Bekegem, waarvan gezegd werd “dat het op het einde van de wereld lag”.
Voortaan was August Callemeyn niet meer afhankelijk van de windkracht en kon hij onbeperkt mechanisch malen. Dit betekende dan ook het einde van de Watervallemolen. Reeds in hetzelfde jaar 1870 werd die windmolen afgebroken en de molenwal verwijderd. Deze windmolen hield het dus amper 40 jaar uit.
Toch gebeurde er nog heel wat in het gezin Callemeyn-Pottie. In 1871 op 1 juni werd opnieuw een dochter geboren: Rosalia Maria, maar die werd slechts 24 dagen oud. Een andere Emma Maria werd geboren op 22 december 1872. Deze Emma werd slechts dertien jaar oud en overleed te Gent in de Landbouwersstraat op 16 januari 1886. Op dit moment was August blijkbaar geen molenaar meer, gezien hij aangeschreven staat als “zonder bedrijf”. Toch was hij nog maar 48 jaar.
 Callemeyn handt
Handtekening van mulder Callemeyn.
Dit gezin bleef toch te Bekegem wonen en er werden nog vijf kinderen geboren: Richard op 5 januari 1875, Prudencia Maria op 2 november 1876, en op 9 maart 1879 dochter Leonie. Julie Maria werd er geboren op 13 oktober 1880 en Amada Maria op tweede nieuwjaarsdag van 1883. Daarmede waren ze aan een reeks van dertien gekomen. Vanaf dat moment is er geen spoor meer van een familie Callemeyn te Bekegem.
 
Bronnen:
1. V,V.F. rugge: Volkstelling 1814, deel XIX Eernegem.
2. RAB: Register 132. Notariaat Bousson, Oudenburg, akte nr. 68 dd. 6/7/1840.
3. Biekorf: 1991 nr. 4 bl. 423: Ricour uit Ichtegem.
4. RAB: Register 132. Notariaat Bousson, Oudenburg, akte nr. 116 dd. 18/10/1841.
5. RAB: Archief gemeente Bekegem nr. 16. Patentrecht 1827-1847.
6. K. Van lsacker: Mijn land in de kering, 1830-1980, deel I, 1830/1914, Antwerpen 1978.
7. K. Vandenbussche: Gustave Van Sieleghem in Motegalm, 1/3/1982, Davidsfonds Eernegem.
8 “Gazette Van Brugge” dd. 25/5/1870.
9. Kadasterplan Bekegem 1870, nr. 370b.
Alle data uit de parochieregisters en registers van Burgerlijke Stand werden opgezocht in het Rijksarchief te Brugge (RAB).
 

DE BOSKAPELLEMOLEN

 
‘kMocht er drie
scheppen
zei de molenaar…
en hij schepte er zesse!
 
 
BIJ DE BOSKAPEL.
Molen1“Alle goede dingen bestaan uit drie” zegt het spreekwoord. En inderdaad, er stond nog een derde windmolen te Bekegem, namelijk op de wijk de Boskapel. Dit was wel heel ver weg van het dorp als men daarbij rekening houdt met de toenmalige moeilijk berijdbare zand- of slijkstraten. Maar ook deze molen “draaide niet met wind die al voorbij was” zoals Guido Gezelle het schreef. Men mocht de geboden kans niet laten voorbij gaan wilde men er profijt uit halen en het aangeboden graan tijdig gemalen krijgen. Soms had men ook last van “bekaaide wind”, dit is wind die gedurig veranderd van richting en dus het malen moeilijk maakt.
 
De Boskapellemolen werd gebouwd door Joannes Storme uit Roksem tussen augustus 1880 en 19 september 1881, wat eigenlijk al vrij laat is. Op dit moment was mulder Callemeyn aan de Watervalle al tien jaar mechanisch aan het malen. De beste tijd voor de windmolens was toen al voorbij. Overal begon men toen windmolens te vervangen door mechanische maalderijen.
 
Joannes Storme was eerst landbouwer en mulder op het ouderlijk erf te Roksem langsheen de Zeeweg op circa 140 meter van de Gistelse steenweg richting Oudenburg (1). Hij werd aldaar geboren op 19 oktober 1834 als zoon van Joseph en Sofie Maene. Joannes-Ludovicus Storme huwde te Zerkegem twee dagen na Nieuwjaar van het jaar 1867 met juffrouw Amelia Defevere die elf jaar jonger was. Amelia was te Zerkegem geboren op 20 februari 1845 als dochter van Philippus Jacobus en Isabella Van Parijs landarbeiders aldaar. In de periode van tien jaar -tussen 1867 en 1877- werden in dit gezin te Roksem niet minder dan tien kinderen geboren.
Torenkot
In oktober 1880 verhuisden Jan Storme-Defevere naar Bekegem en gingen wonen in de Zeeweg nr. 35 nabij de Boskapel. Het is daar dat Jan Storme een nieuwe molen opricht op een torenkot. Een “torrekotmolen” is een windmolen die op een rond gemetselde kuip rust in plaats van op teerlingen gemetst op een molenwal. Die windmolen zelf had een breedte van 5 m 60 (2). Jan Storme kan daar z’n beroep van mulder verder zetten en de wieken of “enden” zoals dat in Westvlaanderen gezegd werd laten draaien (3). Twee enden vormen een roede, en een roede heeft meestal een “vlucht” van 24 m. Zo bepaalden de molenaars de windkracht niet volgens de “schaal van Beaufort” -die in 1808 opgesteld werd- maar volgens het aantal enden per minuut. Zestig enden per minuut bv. Kwam overeen met een windkracht van plus/minus 80 km. per uur, en dat gaf als resultaat vijftien toeren van de molenas (4).
Kadaster3 
Maar Jan Storme deed nog meer dan graan malen. Te Bekegem werd hij nog vader van drie kinderen: Silvie geboren op 7 oktober 1880 die slechts achttien dagen in leven bleef; het jaar daarop een zoon Jacobus die op 14 december geboren werd en ook maar vier maanden oud werd, en Sidonie geboren op 7 maart 1883. Op dit moment waren er nog negen kinderen in leven. Na vier jaar hield Jan Storme het voor bekeken aan de Boskapelle. Met z’n kroostrijk gezin verhuisde hij in 1884 naar Stene waar Jan verder het beroep van molenaar uitoefende op een windmolen toebehorend aan de C.O.O. van de stad Brugge. Deze molen stond op de hoek van de Torhoutse steenweg en de Windmolenstraat naast het Provinciegeleed (5). De molen op de ouderlijke hoeve te Roksem werd vier jaar later in 1888 afgebroken.
De nieuwe eigenares van de Boskapellemolen werd de weduwe F. Synaeve-Moyaert, herbergierster op de wijk aldaar. Anna-Theresia Moyaert werd geboren in buurtgemeente Aartrijke op 25 januari 1835 als dochter van Ferdinandus en Maria Joanna Allemeersch. Zij huwde te Aartrijke haar dorpsgenoot Franciscus Synaeve die toen 26 jaar was, en bleven een tijdlang te Aartrijke wonen. Daar werd een zoon Livinus geboren de 18e  van de maand november 1863 (over deze man verder meer). Drie jaar later kwam het gezin Synaeve-Moyaert zich te Bekegem vestigen “in sectie B aan de Boskapelle”.
Franciscus Synaeve werd een welgestelde landbouwer en bracht het tot “eerste schepen” bij burgemeester August Luyckx. Te Bekegem kwamen nog zes kinderen in dit gezin. Maar hun geluk bleef niet te lang duren. Schepen Synaeve overleed al op 46-jarige leeftijd “na vier weken verduldig lijdens” op 2 december 1882. Anna-Theresia Moyaert stond er voortaan alleen voor en dit met de zorg van een “nest” kinderen. In een tijd zonder sociale zekerheid was hertrouwen eigenlijk een noodzaak. Dit gebeurde inderdaad te Bekegem na minder dan één jaar met werkman Franciscus Roels op de 59 oktober 1883. Dat de weduwe Synaeve geld en eigendom bezat bewijst hun huwelijkscontract die ze lieten opmaken bij notaris Boedts te Eernegem enkele weken vóór het huwelijk (op 17 september 1883).
Eigenlijk was Franciscus Roels van lagere komaf vooral dan doordat hij reeds op acht maanden een weeskind werd met alle gevolgen vandien. F. Roels werd te Jabbeke geboren op 17 december 1831 als zoon van Philippus en Joanna Feys werklieden aldaar. In deze crisistijd overleed z’n vader reeds op 4 januari 1832 en zeven maanden later z’n moeder op de 27e  van oogstmaand, beiden respectievelijk slechts 47 en 41 jaar. Dat het toen slechte tijd was bewijst het feit dat in West- en Oost Vlaanderen in vele gemeenten een derde tot de helft van de bevolking steun genoot van het Weldadigheidsbureel (voorloper C.O.O., thans O.C.M.W.). Tijdens het tweede kwart van de 19e eeuw kende de tuberculose een enorme uitbreiding. Het aantal teringlijders verdrievoudigde en tegen het midden van de eeuw werden in Vlaanderen ongeveer een kwart van alle overlijdens aan T.B.C. toegeschreven (6). In Jabbeke overleden in 1831 34 mensen en het jaar daarop 28, en dit op een bevolking van nog geen 1500 inwoners. Het Bureel van Weldadigheid probeerde zoveel mogelijk de lasten te beperken en deed pogingen om de weeskinderen uit te besteden tegen een zo laag mogelijke vergoeding. Zo kwam Franciscus Roels te Bekegem terecht. Nog andere weeskinderen te Bekegem bv. Waren onder andere Joannes Maene uit Zedelgem die bij landbouwer Joannes Vandecasteele woonde en Amelia De Brouwere uit Kortemark die bij Joseph Kyndt was (7).
Na zijn huwelijk met Anna Theresia Moyaert heeft Fr. Roels toch niet als molenaar gewerkt. Waarschijnlijk kende hij niets van deze stiel. Door het vertrek van Jan Storme werd de taak van mulder overgenomen door Livinus Sinnaeve, oudste zoon van hogergenoemde Franciscus Synaeve en A. Th. Moyaert. Maar ook dit duurde maar een vijftal jaren. Livinus had te Oostende een dienstmeid leren kennen waarmede hij te Bekegem huwde op 21 januari 1889. De nieuwe echtgenote was juffrouw Octavie Maria Degrendele geboren te Ichtegem op 7 oktober 1867, dochter van Carolus Josephus en ldonia Sophia lnghelbrecht die op dit moment reeds beiden overleden waren te lchtegem. Octavie Degrendele was kort voordien ook nog dienstmeid geweest te Elsene. Het echtpaar L. Sinnaeve-Degrendele bleef niet te Bekegem wonen, en vermoedelijk was er geen opvolger om de molen verder te bedienen.
Reeds na enkele jaren -in 1892- werd de Boskapellemolen afgebroken. Vermoedelijk was het ook niet meer lonend om daar verder een windmolen te onderhouden. Deze constructie is dus slechts twaalf jaar in werking geweest, wat een ongelooflijk korte tijd was.
 
Bronnen:
1. M. Storme: Het geslacht Storme, deel 1, De afstammelingen van Jozef Storme 1792-1872 en Sofie Maene 1805-1891. Gistel 1973.
2. Bekegem, Kadasterkaart sectie B dd. 19/9/1881. „
3. A. Ronse: Molentaal, in De Windmolens, Gistel 1934: “einde – ende”:
Roe-einde, moleneinde, molenwiek zonder de pestel. Een lang stuk hout van de molenwiek dat vast ligt aan de pestel en waaraan het hekken bevestigd is.
4. A. Blontrock: Molenhandleiding van de gidsencurcus van “Het land van Godelieve, Arnoldus en Permeke” 1993.
5. M. Storme: zie nr. 1.
6. C. Vandenbroeke: Sociale geschiedenis van het Vlaamse volk. Kritak 1984.
7. RAB: Gemeente Bekegem nr. 13. Volkstelling 1829.
 
Alle data uit de parochieregisters en registers van Burgerlijke Stand werden opgezocht in het Rijksarchief te Brugge (RAB).
 
Logo
 

Een gedachte over “Molens en Mulders

  1. zeno byttebier

    Prachtige teksten…maar ik zoek een mooie spreuk over “de molenaar” of over”de notaris” dank voor je hulp en vr gr B.z.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.