Sagen uit Bekegem

 
 

S A G E N

U I T

B E K E G E M

*

 
Bron:
  • Andre Van Poucke, verhalen uit de familie
  • Sierens Etienne, verhalen uit de familie
  • Gisèle Simpelaere en de legende van OLV die terug kwam van het kasteel.
  • De “Tam-Tam”, Bekegems parochieblad over pastoor Tras, jaargang onbekend.
  • Waar de Gouden Osse verdronk, legende of werkelijkheid. Daniël Janssens in Artriacum september 2000.
  • Onderzoek naar sage motieven in het hartje van het Houtland. Willy Van Houcke, Lic. thesis, Leuven 1970, PCB. nr. 21028.
Verzamelaar: W. Van Houcke, notulist: ·Katrien Van Effelterre
Medewerkers uit Bekegem
17 Verhaeghe Judith     huishoudster     °Bekegem 7/11/1909, +B 12/9/1984
            Wwe Jacobus Tilleman, Dorpsstraat 17
18 Livinus Decoster      gepensioneerde            °Bekegem 8/12/1901, +B 14/6/1983
            Gezeid Vienten Pré in onderscheid met zijn naamgenoot Schiere van het tweede veld
Dorpsstraat; 32 (naast pastorie)
X Kyndt Marcella          (Cella), huishoudster     °Bekegem 17/9/1899 +B 16/2/1986
20 Van Moortel Camiel  gepensioneerde            °Bekegem 1/12/1880 +B 9/1/1971
            Wr Amanda Van Moortel,
21 Van Moortel Amanda           huishoudster     °Bekegem B 3/8/1890 +Veurne 22/3/1976
gezeid Manda Pupe omdat ze stiekem pijpen rookte, Dorpsstraat 29
22 Maene Carolus         landbouwer       °Roksem 20/12/1882     oudstrijder 14/18
            Wr Julia Kyndt, burgemeester 1953-1964           Watervallestraat 43
23 Dewachter Irma        winkelierster      °Eernegem 17/9/1888 +B 17/2/1979
            Wwe Richard Vanhee, dv Mietje Wachters, Dorpsstraat, 39
24 Proot Alphonse        fietsenmaker     °Bekegem 19/11/1892, +B 25/4/1974
x Romania Jonckheere, oudstrijder 14/18, Dorpsstraat, 42
25 Bouba Josephine     huishoudster     °Eernegem 26/1/1900 +0ostende H. Hart 19/11/1974
            wed. Richard De Gryse
26 De Gryse Gerarda    huishoudster     °Bekegem 16/2/1939
dv Josephine, Dorpsstraat, 15
 
 

Inleiding.

 
-”Bekegem is een landelijke gemeente waar de oude gebruiken slechts langzaam sterven. Niet zo heel lang geleden verdween de wijtewagen uit de begrafenisplechtigheid.
– Er staan 270 huizen, waarvan 57 landbouwuitbatingen. Zij bieden onderdak aan 988 inwoners. Bekegem heeft een oppervlakte van 570 ha.
– Opmerking van de notulisten in de Lic. thesis:
Zo hebben Wij Bekegem zelf ervaren: een kleine geïsoleerde, zeer gesloten gemeente. Nergens anders zijn wij zo verrast geweest door het eigen karakter van een gemeente. Het leek ons een grote familie: iedereen wist alles over iedereen. Gastvrij waren de Bekegemnaren wel.
 

1 Sagen met heks of tovenaar

 
421. Heks doet de paarden vastlopen.
Daar waar dat wieder woonden stonden d’r drie cafés. Wieder weunden zelve in ene. Boetje Reynaerts zone had een voetje dat scheef stond. Hij kwam daar met drie peerden voor een boomtje op ne boomezel te trekken. Treze Poes zei, dat hij deze strate niet mochte pakken. Hij kwam in ruzie met Treze en zijn drie peerden gerochten niet meer vodder met dat klein boomtje„ Van Treze moete je nog oppassen.
422. Heks houdt een paardengespan stil.
Crombruggens, als ze naar de messe reden, hebben menigte keren ulder peerden moeten uitspannen, omdat ze niet vodder kosten t’enden de dreve. Dat was ook Clette die daar d’oorzake van was. Als ze zij ‘t wilde, mosten ze niet peinzen van voort te geraken.
423. Heks kan handelingen onuitvoerbaar maken.
D’r woonde vroeger een wijf achter onze strate die koste toveren. Als er vroeger entwien in ne pit reed en die toveresse kwam buiten, ton mosten ze niet meer peinzen dat ze nog gingen weg kunnen. Zolange of dat ze zij niet wilde, mosten zij blijven zitten.
424. Heks laat de mensen niet voorbijgaan.
D’r wierd ook vele gezeid van Anne Sanders. Als ze wilde, de mensen kosten ton daar aan ‘t haren niet deure. Maar dat was al geen waar, dat waren allemale superstities.
513. Betoverde karn moet men laten belezen door paters.
Het gebeurde dat de keern betoverd was. Tonne hadden ze geen boter. Daarvoren moesten ze naar de paters voor ‘t af te lezen. Ton kreeg de tovenaer die dat gedaan had iedere keer dat de keern draaide ne slag en ‘t deed zeer. (105)
514, Tovenaar heeft macht om ratten te zenden.
Mijn vader heeft dat tegengekomen en ‘k heb dat gezien. Droekstje was bezig met ne koeistal te zetten toe ’t onzent. D’r kwam daer een ratte gelopen en vader schipte d’r naar„ “Ge moogt niet,” zei Droekstje. Kom hier zei Droekstje en die ratte kwam naar hem en hij streelde ze. Meer toe Van Hees, waar de Sissen Tielemans ton woonde, zond hij ‘t vol ratten. Sissen zei ne keer: “Wat zou hij ratten verzenden!” Droekstje zond ze en ze aten de strooizakken uit de bedden en ze liepen van voren binnen en van achteren buiten.
515. Tovenaar bezit macht over ratten.
Droekstje was ne metsenare. Hij ging hij vele omme met ratten. Hij koste ze zenden waar dat hij wilde. Hij zei “bijten” en ze beten, “niet bijten” en ze beten niet. Hij had thuis een kooie met ratten in. In ’t gemeentehuis zeien ze tegen hem dat hij niet koste. Hij nam een stokske hout, hing het aan niet en hing d’r de moor aan.
516. Tovenaar kan ratten verzenden.
Droekstje koste ratten verzenden.  Over vele jaren zaten d’r hier wel duist ratten. Ze kwamen overal gelopen over ‘t land. Dat was verzonden van Droekstje. En als d’r entwien benauwd was, ton zond Droekstje nen hond mee met hem. Hij moste ton nie benauwd zijn. De pasters hebben vele geprobeerd voor aan zijn boeken te geraken.
517. Tovenaar kan ratten van de ene plaats naar de andere zenden.
Ze vertelden nog andere dingen ook over dat Droekstje. Als Droekstje kwaad was op entwien, ton stak hij dat daar vol ratten. Droekstje zei: “D’r mogen wel honderd ratten zitten, als ik wille zijn ze morgen bij nen anderen.”
518. Op iemands weg zit het soms vol met ratten. De enen merken het, de anderen niet.
Moeder en vader kwamen van Veurne van de processie. Hermenie Hollebeke en Mon waren bij ulder. Ze kwamen achter de vaart. Hermenie Hollebeke en Mon waren voren. ‘t Zat almetnekeer al vol ratten rond ulder. Vader en moeder hedden niet gezien.
Droekstje van Roksem had overal den name dat hij overal ratten koste verzenden. Metje zei ne keer entwat in ‘t café dat hem niet aanstond. “Vrouwtje, vrouwtje,” zei Dreekstje, “dat ga je bekopen.” ‘t Huis zat vol ratten. Z’hadden alle deuren afgegeten.
519. Tovenaar zendt ratten als vergelding voor een kaakslag.
Droekstje, heb je daar al van gehoord? ‘k Ga jou ne keer entwat vertellen. Droekstje ging ne keer in een café en hij kwam in ruzie met de bazinne. De bazinne gaf hem ne slag tegen zijn kake. “Ge gaat dat beklagen,” zei Dreekstje en in ene slag zat het vol met ratten. Ze moesten a.u.b. gaan spreken voor dat were weg te doen.
520. Macht der zende: man zendt ratten naar iemand die lacht om zijn macht.
Wieder hadden geen ratten en ‘k zate ne keer bij ne vent, die zat te vertellen dat hij koste ratten verzenden. Dat – was Levien Mahieu. ‘k Lachte ‘k ik daarmee. “Lach maar nie“, zei hij “ge gaat ‘t wel zien.” Drie weken nadien zat ‘t vol. Ik kwame hem tegen. “Hoe is ‘t met de ratten?“ zei hij. “Zend ze maar weer weg,” zei ik. ‘k Heb ton nog palm gehaald van de processie van Veurne voor ze were te doen weggaan.
521. Tovenaar helpt.
D’r was ne keer ne voerman die de peerden joeg en ze gingen niet. Er kwam daar nen ouden man die zei: “Wees geduldig, ik zal al doen wat ik kan”…. Hoe dat dat ton was kan ik niet zeggen. ‘k Gelove dat dat ton ging.
 
Opmerkingen:
De vertellers gaven twee namen op: Droekstje als tovenaar en Anna Sanders als heks.
Droekstje:
Waarschijnlijk Louis De Rouck, °Zerkegem 5/3/1851, wonend te Roksem.
Zoon van Louis en Rosalie Vandaele, 1,60m. groot.
Heeft tijdens z’n legerdienst wat problemen gehad :
4 dagen cachot voor postverlating ;
3 maanden gevangenis voor diefstal, smaad en geweld en 50 F. voor aanval op de verantwoordelijke ambtenaar.
Ingelijfd 28/3/1871, ontslagen 7/12/1883.
De heks:
Anna Sanders, dv Jacobus en Joanna Vandecasteele, °B 18/3/1841, +Zerkegem 14/11/1914
xB 9/7/1880
Karel Vande Walle, zv Jan en Sophie Vande Walle, °Zerkegem 22/1/1846, metselaar.
Woonden op de grens van Bekegem-Roksem-Zerkegem langsheen de Duinenweg op grondgebied Zerkegem.
 

2 Pastoor Tras en de legenden

 
Ivo Tras werd geboren in Izegem op  20 december 1825. Hij was de zoon van Fideel en Marie Rose Verbeke. In het seminarie was hij klasgenoot van Guido Gezelle en monseigneur Faict.
Hij werd priester gewijd te Brugge op 1/6/1854, te Bekegem benoemd op 9/1/1878.
Lag tijdens de schoolstrijd van 1879-1884 overhoop met de liberale burgemeester August Luyckx.
Over de gemeenteraad sprak hij als volgt :
“zes ezels en één mulet
dat is de Bekegemse wet.”
Voor dergelijke smaadwoorden werd hij voor de rechtbank te Brugge op 17/6/1881 veroordeeld:
3 x 3 dagen gevang en 3 x 20 F boet om op de preekstoel eenen akt der openbare overheid te hebben aangevallen;
15 dagen gevang en 50 F voor smaadwoorden ;
15 dagen gevang en 50 F voor scheldwoorden.
Tres zat in de gevangenis van 24/8/81 tot 23/9/1881.
Hij overleed te Bekegem 22/2/1900.
 
Pastoor Tras had blijkbaar bijzondere krachten. Enkele legenden:
1.  Het was in de vastentijd. In Bekegem zou er gedanst worden. Een draaiorgel was natuurlijk onmisbaar. Maar pastoor Tras verzette zich tegen dit heidens gebruik. Er zou niet gedanst worden. Toch werd een orgel besteld. Per steekkar werd de orgel naar Bekegem gebracht. Doch ze raakten versteld in de slijkerige wegen. “Die orgel komt hier niet”, beweerde pastoor Tras. Tot de avond werd er gewerkt en gezwoegd om de kar weer vooruit te krijgen. Alles was vruchteloos. Ze gerochten maar niet vooruit. Met het vallen van den avond ging pastoor Tras naar de verstelde wagen, legde er zijn hand op en zegde: “en ziet dat ge nu rap van het dorp wegkomt met uw orgel.” En waarlijk het ging nu zonder moeite.
Variante versie:
Hier voor de deure was dat strate en we woonden wieder ton aan ’t kapelletje. ‘t Was hier ton kerremesse in Bekegem en ze kamen met nen orgel, maar ze verstelden in ‘t zand. De mensen kwamen daarrond en paster Tras ook. Hij pakte een spa, en dolf een pitje en een geultje, en hij zei : “Rij maar” en dat ging voor nieten. Dat was toch ook meer kunnen.
 
2  Zondag … Preek in de Hoogmis. Het was kersentijd. Gedurende de preek zegt Pastoor Tras opeens: “twee dieven zitten nu mijn kersen te stelen in mijn hof. Doch laat maar, na de hoogmis zullen ze er nog opzitten en krijgen we ze wel te pakken”. Na de Hoogmis vliegt iedereen  naar de pastorij. En werkelijk, ze zaten er nog. Toe pastoor Tras erbij kwam, sprak hij: ”En nu kunt ge ervan komen”. Beiden kwamen eraf onder het oog van de vele parochianen die van de Hoogmis kwamen. Ze konden niet rap genoeg Bekem verlaten.
Variante versie:
Paster Tras hier heeft ook vele gekunnen. Hij zei ne keer op zijne preekstoel binst de messe : “Ze zijn bezig met mijn keerzen te stelen.” Maar diene dief koste ze niet tot aan zijne mond brengen en als hij wilde d’raf komen koste hij d’r niet meer af. Dat was rare, he ? Word je niet benauwd, als je zulke dingen hoort ?
Variante versie:
Binst de vesper prak paster Tras ne keer. En almetnekeer zei hij te mirrelt van zijne preek : “D’r zit ne man op de keerzeboom keerzen te stelen en hij gaat daar blijven zitten totdat ‘k thuiskom.” Ja, dat was entwien, die paster Tras.
Variante versie:
Hij was ne keer in de messe en binstdien deien ze zijn appels af. Hij zei tegen mijn moeders vader die ton stoeltjeszetter was : “Gaat ne keer kijken, ze zijn bezig met mijn appels af te doen.“
Variante versie:
En Tras stond ne zondag op de preekstoel en hij zei : “D’r zit een op de keerzenboom.“ Achter de messe passeert hij daar en den anderen was juiste tewege een keerze in zijnen mond te steken. Hij heeft daar alzo gestaan tot dat Tras hem liet voortgaan.
Variante versie
Mijn moeder was geboren in ’60 en getrouwd in ‘84, bij paster Tras. Dat was ne komieke mens, die geerne een pijpe smoorde. Binst d’hoogmesse op de preekstoel zei hij: “Ze zijn bezig met mijn keersen af te trekken.” Ze zaten d’r nog op achter de messe. “Achter een half uurtje moogt ge d’raf,” zei de paster.
Variante versie:
Hij zei ne keer als hij aan ‘t preken was, dat er een op zijne keerseboom zat en dat hij er hem ging doen blijven opzitten totdat hij thuiskwam. D’r werd ook gezeid dat hij ne keer een paar die aan zijn huis stonden te vrijen dei blijven staan tot ‘s anderendaags ’s nuchtends.
 
3. Kermiszondag … Men had ‘snachts in de kerk binnengebroken, de offerblokken geroofd en de schalen meegenomen. Pastoor Tras zegt: we vinden ze wel terug. Ze zijn nu bezig hun geld te tellen en de schalen hebben ze lelijk bevuild. Men ging op zoek en werkelijk korten tijd daarop werden ze ontdekt toen ze bezig waren het geld te tellen. Ze zaten in een klein bosje.
Om de kerk binnen te breken hadden ze een ruit uitgenomen boven de biechtstoel aan de OLVrouw kant. Met een ladder die ze in de buurt hadden gevonden waren ze dan binnengeklommen. Hun diefstal eindigde op een noodlottige wijze.
 
4. Het was op een avond met klaar maanlicht. Pastoor Tras kwam van een uitstap terug en zag vader Maene die nog aan het werken was op het land. “Aan dit uur zijn alle treffelijke mensen in huis” zegde pastoor Tras. “Dus van U ook” antwoorde vader Maene. “Maene , zegde pastoor Tras, dat antwoord zal u berouwen.” En hij ging naar huis. Enkele uren later keerde pastoor Tras terug en vader Maene stond nog steeds met opgeheven drietand, roerloos. “Maene, ge kunt nu naar huis gaan, sprak Pastoor Tras. En werkelijk Maene ging naar huis en … pastoor Tras ook.
Variante versie:
Paster Tras was ne goe vent. Hij ging naar de boeren die geld hadden en ging ton daarmee naar d’arme. We woonden wieder vroeger tegen de molen. Mijn vader was patatten aan ‘t ophogen. Tras zegt tegen vader : “Ge moet nu nie meer werken, ge moet nu thuis zijn.” “En gij, mijnheer paster,“ zei vader. Hij stond juiste gestopen op zijn houwe als hij dat zei en j’heeft daar alzo gestaan totdat de paster ging gaan slapen.
Variante versie
Een man die om elf uur ‘s avonds nog aan het werk was op zijn aardappelveld, zag de pastoor van het station komen. “Jij bent laat”, sprak de pastoor tot de man, waarop de man antwoordde: “Jij ook, meneer pastoor!” Daarna kon de man op zijn veld een uur lang geen voet verzetten.
Variante versie:
Een pastoor die onderweg was naar het station, kwam een boer tegen, die op zijn veld aan het werk was. De pastoor zei iets, waarop de boer een spottend antwoord gaf. Toen de pastoor die avond terugkwam van de trein, stond die boer nog steeds op dezelfde plaats. De geestelijke had hem aan de grond vast getoverd. Tijdens zijn preek zei de pastoor op een dag dat er iemand in zijn kerselaar zat en dat die dief daar zou blijven zitten tot de pastoor thuiskwam. Diezelfde pastoor had ook een keer een verliefd paartje dat naast zijn huis stond, aan de grond vast getoverd tot de volgende ochtend.
Variante versie
“ Paster Tras, hebt gij daar nog van gehoord ? ‘t Werd daar ook alles van verteld! Nen ouden vent van Roksem vertelde ne keer dat de paster ‘s nachts ten elven van de trein kwam. Hij was nog bezig met patatten op t’hogen. “Ge zijt late, Seven,” zei de paster. “Gij zijt ook late, mijnheer paster,“ had Seven gezeid en hij had daar tonne een ure  gestaan dat hij zijn houwe niet koste opheffen.
 
 5. D’r stonden achter paster Tras zijn hage ne keer twee vrijers. Paster Tras kwam naar buiten. “Wat doe je giender hier ?” zei paster Tras. “Dat ga je niet aan,” zei de jongen. “Ah zo” zei de paster, “ge gaat hier blijven staan zolange of dat ‘k ik wille.” En als hij ’s nuchtends opstond stonden ze daar nog. “Nu moogt ge voortgaan”, zei de paster.
Variante versie:
D’r stonden ook ne keer ne koppel vrijere aan zijn deure. De paster trok zijne veister open en zei dat ze daar mosten voortgaan. “Wieden staan hier zo lange of dat we willen.” “Goed,” zei de paster, maar ze stonden d’r tot dat hij naar d’eerste messe ging en ton liet hij ze voortgaan.
      Variante versie
En Tras was eentig pinten gaan drinken en als hij were kwam stonden daar twee vrijers aan zijn hage. “Wat doe j’hier?“ zei Tras. “Da ga je niet aan.” Maar ze stonden daar heel den nacht, totdat hij d’eerste messe ging gaan doen.
 
6. Pastoor Tras was op zekere dag aan het bidden in de sacristie. Opeens kwam eenherbergierster binnen (ze woonde waar nu Ernest Monteyne woonde). Ze deed haar beklag dat ze nergens meer de biljardbollen terugvond. “Ik heb overal gezocht, zegde ze, alle laden en kasten doorsnuffeld en ze zijn niet meer te vinden.” Pastoor Tras dacht een ogenblik na en zegde toen: “Maar ze liggen op de biljardtafel!” “Toch niet beweerde de vrouw, ze liggen er altijd maar nu liggen ze er niet”. “Ik zeg dat ze op de biljardtafel liggen, wedervoer pastoor Tras, ga zien”. De vrouw ging naar huis terug en inderdaad vond ze de biljardbollen zoals gewoonlijk op de biljardtafel.
 
 7. Julie van hiernevers was ne keer haar geld kwijt. De mensen hielden vroeger ulder geld meer in huis. Ze zei het aan de paster. “Ga maar naar huis”, zei de paster, “binnen drie dagen gaat ‘t terug zijn en ‘t gaat in ‘t gotegat liggen.” En ‘t lag d’r.
 
 8. Aan verschillende mensen zou pastoor Tras gezegd hebben: Als ik sterf, zal ook een tweede in mijn huis sterven”. At naar het schijnt werkelijk gebeurde. Pastoor Tras stierf en een dag later stierf ook zijn meid. Zo lagen in de pastorij twee lijken op hun doodsbed: De pastoor en zijn meid. Pastoor Tras had goed voorspeld.
 
 9. Paster Tras kochte ne keer een voiture. Ze vroegen wat dat er dat ging trekken. “Den ezelraad,” zei de paster. Vier vrouwen hebben dat aangedragen en hij heeft daardore veel moeilijkheden gehad. Hij zei tegen ulder dat ze ne vroegen dood gingen sterven. ‘t Is alzo uitgevallen lijk of dat hij gezeid had. Een oude vrouwe en haar ne zone moesten gaan getuigen. Dat vrouwtje was d’r geweldig mee begaan. Hij klopte op haar schoere en de paster zei: “Vrouwtje ge gaat ne schonen ouden dag beleven.” Z’is in de tnegentig geworden.
Variante versie:
Tras heeft nog in ‘t kot gezeten, omdat hij in ruze was met de raad en een wijvetje getuigde voor hem, voe d’r hem uit te laten.” Ge gaat een lang en gelukkig leven hebben,” zei hij en ze wierd 97 jaar.
Variante versie
Hij heeft ne keer in ‘t kot gezeten voor te zeggen dat de raad nen ezelraad was
Variante versie
Hij zei ne keer op de gemeenteraad: “De gemeente wordt bestuurd door verschillende ezels en ne muil.” ‘j Heeft daarvoren in ‘t kot gezeten.
 
 10. Framason legende  en paster Tras uit Bekegem
In Bekegem wordt de pastoor ontboden in een woning waar net een maçon is gestorven, of zelfmoord heeft gepleegd want hij had zich in zijn kamer opgesloten. De pastoor vraagt naar zijn boeken en stelt vast dat onderaan de teksten overal drie kruisjes staan. “D’r is nieten an te doene” zegt de pastoor en hij verdwijnt. De man kon niet kerkelijk worden begraven.
 
 11. Gehoord van m’n vader Herman Van Poucke (AVP):
Paster Tras kon toveren. Hij moest eens ‘s morgens vroeg naar Brugge toen hij onderweg een strodekker bezig zag die met de pastoor begon te lachen omdat die zo vroeg op de baan was. Tras zei dat hij nog altijd zou bezig zijn met de reparatie wanneer hij terug kwam. En de herstelling wilde maar niet lukken. Pas nadat Tras terug voorbij was kon het stroodak hersteld worden. De strodekker kon zelfs niet van het dak af.
 
Uit deze anekdoten – en er zijn er misschien nog meer – kan men zich afvragen of pastoor Tras dan een geheime kracht bezat of was dit alles slechts toeval? Daarop is natuurlijk na zoveel jaren moeilijk te antwoorden; Waarschijnlijk hebben de parochianen van toen , die vol ontzag of schrik en met diepe verering voor de geleerdheid van Pastoor Tras wel één en ander er bij gedacht  en hem iets toegeschreven dat hij feitelijk niet bezat – namelijk een geheime kracht. En van zohaast men denkt dat hij iets buitengewoons kan wordt alles dan uitgelegd door die geheimzinnige kracht ook wat louter toeval of natuurlijk is
In ieder geval, we zullen nu wel moeilijk te weten komen hoe pastoor Tras het aan boord legde. Niettemin zal hij gekend blijven als een strenge, geleerde en geheimzinnige man.
 

3 Legenden i.v.m. pastoors in het algemeen

 
  • Macht der geestelijken : tegen brand, doen trouwen, vastzetten.
Als d’r een huis brandde kosten de geestelijken door ulder hand uit te steken de brand gedaan maken.
D’r was ne keer een op Ichtegem die moste trouwen. Hij had gezeid aan zijn meistje van de vrijdag naar de paster te gaan. Maar in de plekke van thuis te blijven van zijn werk, reed hij naar zijn werk naar Oostende. Hij moste voorbij ‘t huis Van zijn meistje. Ze was ‘t lijk ingegeven dat hij niet ging afkomen en ze stond buiten. Ze zag hem voorbij rijden en ze was d’r alzo ‘t herte van in, dat ze in ‘t water sprong„ Der kwamen juiste twee andere voorbij en ze kosten ze redden.
Paster Vanoenacker komt d’rbij en hij berecht ze en zegt: “Tegen dat ‘t avond is zal hij bij je bedde zijn”, en binst de dag liet hij zijn werk staan voor naar haar te komen. En bij diezelfde geestelijke als ze zaten te babbelen in de kerke deed hij ze blijven zitten.
‘k Heb ook nog horen vertellen dat er ne keer ne koppel vrijers een beetje dichte stonden aan zijn deure. Hij zei ulder dat ze een beetje te dichte stonden en ze loechen daarmee. Maar de maandag nuchtend stonden ze daar nog, totdat hij zei dat ze mochten voortgaan. Ja, de geestelijken hebben ne zekere macht, maar ze mogen dat niet gebruiken. Dat is kwaad voor ulder, dat is zonde.
  • Macht der geestelijken : vastzetten, bij brand.
Ze zeien vroeger, als de mensen zaten te klappen in de kerke, dat de paster ze koste doen blijven zitten achter de messe en dat ze nie meer weg en kosten zolange of dat hij wilde. Of als er ne brand was, dat de paster de wind koste doen draaien. Maar dat was allemale fantasie. Nu geloven de mensen dat alzo nie meer.
585 Macht der geestelijken : vastzetten, weggelopen echtgenoot doen terugkeren. Ook gestolen geld doen werekeren.
Als d’r entwien in de kerke zat die tevele klapte, deien de pasters hem blijven zitten en iedereen koste’t zien of als dir een wijf wegliep van naar ne vent deien ze werekeren. Ook als je entwat verloren waart en ge ging naar de paster, waren de dieven blij van ‘t were geven.
  • Macht der geestelijken : trein stilhouden, vastzetten, gestolen geld doen terugkeren.
Toe Keiem was d’r ne paster, maar ‘k zijn niet zeker van zijn name. ‘k Gelove dat ‘t Lowieten was. Hij dei den trein stillestaan„ Ze zaten ne keer binst de hoogmesse in een van zijn bomen keerzen te pakken. Een half ure nadien zaten ze d’r nog, van ze kosten d’r niet van en als d’r waren die klapten in de kerke bleven ze met ulder gat aan de stoel geplakt.
Een wijvetje was ne keer geld gepakt en ze zei ’t tegen de paster. De paster zei : “Ga maar were, ‘t hangt aan de deurklínke” en ‘t hing d’r.
  • Macht der geestelijken : vastzetten. Wind doen draaien bij brand.
De pasters kosten vroeger vele. Ze kunnen dat nu ook nog, maar ze doen dat niet meer. Ze kosten de mensen doen blijven zitten op ulder ne stoel achter de messe of als d’r ne brand was, kosten ze de wind doen draaien.
  • Macht der geestelijken : babbelaars in de kerk vastzetten.
Mijn vader was kerkpolitie. D’r waren daar twee mannen die niet wilden zwijgen. Die twee. kosten geen weg achter de messe totdat de paster ze liet weggaan.
  • Macht der geestelijken : jongeman doen stilstaan bij zijn verlaten meisje.
Ne jongen van hier had een meisje bedrogen, als ze nog minderjarig was. Ze waren altijd in de messe in Eernegem, maar nooit wilde hij blijven staan achter de messe voor daar tegen te klappen. Toch heeft hij blijven staan achter de messe door de macht van de paster van Koksijde.
 

4 Belezen

Parels afgelezen en andere.
  • Charlotte van Male koste perels aflezen. Dat waren kleine balletjes op ‘t ziensel van jen ogen. Een ander middel was suiker in jen ogen blazen.
  • Perels aflezen, daarvoor moeste je bij de geestelijken zijn, zieder allene kosten dat.
  • Voor perels af te lezen, ‘k gelove dat ge daarvoor bij de paters moeste zijn. Van die roste paters. De deze kosten vele meer dan de gewone pasters.
  • Sommigte kosten parels van jen oge lezen, maar ’t viel ton op nen anderen.
  • ‘k Zijn zelve nog perels afgelezen geweest. Mijn moeder had een oge waar dat er een waas ip was en in Bekem was d’r een vrouwe die dat aflas. Ik waren nog nie lange getrouwd. ‘k Had een oge, waar dat ‘k geen zonne kosten op verdragen. ‘k Zijn e ‘k ik geweest naar Bekem. “Gij moet lezen”, zei ze, “‘k Gaan zelve lezen, omdat gij tevele werk hebt, ge moet maar alle dagen nen onzen vader lezen.” ‘k Moste drie keren were. “Ge kunt nie zeggen hoe vele dat erop zitten”, zei ze. Ze maakte daar kruistjes over met wijwater.
  • Perels op ‘t ziensel van jen ogen kosten afgelezen worden.
  • W’hebben d’r hier zulke gehad die kosten parels aflezen. En niet allene van de mensen, maar ook van de peerden ulder oge„ Ik zijn ‘t vergeten. Tiemme dat ‘t Meten Hoed was.
  • Aflezen van parels en van de pijn van een wonde:moeder had ne perel op haar oge. D’r was daar een oud vrouwmens op Esen die dat koste aflezen. En in negen dagen was dat gedaan. Cyriel Mousplon kan ‘t zeer aflezen en hij zegt het zelve dat hij ‘t zeer kan wegpakken, maar de wonde is daarom niet genezen.
  • Oogpijn aflezen: als d’r entwien was die zere ogen had, lazen ze dat af.
  • Er was daar een vrouwe van aan ‘t onzent, dat de mensen zeien dat ze dat koste perels aflezen. Maar weet je wat dat er zeker bestaan heeft : katrienewielen afzetten met ne gouden trouwring. Dat heb ik zelve weten gebeuren. (11)
 

5 Naamverklaring “Schipleed”

 
 Naamverklarend lied:
Op de grens tussen Jabbeke, Snellegem en Zerkegem zijn er drie cafés : Den Osse, Den Ezel, ’t Schipleed.
Dat Schipleed heeft zijne naam gekregen omdat er daar een schip vergaan was.„ D’r was daar een liedje van:
 
Here God of duivels’ wil
‘t zal ik varen tot Aartríjke op den Hill
Met een gouden Osse
om Aartrijke te maken
– En – dat schip is verzonken
in schipleed.
 
Naamverklarend.
Dat is een café tussen den Osse, den Ezel en ’t Bekegems kapelletje. Ze zeggen dat ‘t alzo noemt omdat er daar een schip zou verzonken zijn.
Naamverklarend:
Dat was de name van een café. Vroeger heeft de zee tot aan Aartrijke gekomen en ‘t werd gezeid dat er daar een schip zou gezonken zijn.
Naamverklarend:
Dat was een café achter de bane naar Eernegem, op Bekegemse grond. Dat was nog aangespoelde grond. Vroeger kwam de zee tot daar. Er zou nog een schip vergaan zijn en daarom noemen ze die café tonne : “’t Schipleed“.
Naamverklarend:
“t Schipleed” dat is gunter aan Eernegem-Aartrijke. Vroeger Jaren heeft de zee nog tot daar gekomen en ze zeggen dat er daar een schip vergaan is en daarom heet dat “‘t Schipleed”.  Een bewijs te meer is dat d’r in Roksem een wijk is die “de Hoge Dijken“ heet.  Dat moet toch geweest hebben om ‘t water tegen te houden.
 
 

6 Waar de Gouden Osse verdronk, legende of werkelijkheid.

 
Daniël Janssens
 
Veel hebben we erover gepraat, ik en wijlen Michel Demeyer, zelfs ter plaatse gaan zien, of er nu wel of niet een bevaarbare vaart kon gelegen hebben te Aartrijke. Enkel konden we een grote gracht vinden, begroeid met lis en gras.
 
Het Rijksarchief te Brugge bezit een ommeloper (Brugse Vrije nr. 15176)  of een soort kadasterboek van het jaar 1696. Daarin staan alle partijen land van het Aartrijkse grondgebied met vermelding van eigenaars, pachters, de oppervlakte in gemeten en roeden, de aard van de grond, zoals bos, meers, land enz.
 
Alles was ingedeeld in gebieden, of in de oude term begins begrensd door een straat, beek, of iets anders. In het negentiende begin, of gebied, perceelnummer 37, dit is tegen Bekegem, beschrijven ze een stuk land met een oppervlakte van twee gemeten eenentwintig roeden, de vestzijde van deze partij grensde aan de Gouden Ossevaart. De eigenaars waren de erfgenamen van Steven van Thournout en de pachter was Pieter Bruynooghe.
 
De volgende partij lag te noorden aan de vorige. De eigenaar was Ferdinand Van Meunijnchove, en deze partij werd in pacht gebruikt door Carel Haesaert. Daarop stond een huisje met de naam “De Gouden Osse”. De westzijde grensde eveneens aan de Gouden Ossevaart, met de noordzijde aan een veldgebíed. De noordwesthoek lag lager dan de rest, waar volgens deze beschrijving de Gouden Osse zou verdronken zijn.
 
Naar de oude tekst.
Ferdinande Van Meunijnckhove ant noorthende daeran acht lijnen achtenvichtigh roeden lants met een huyseken daer oppe staende, dat men naemt den Gouden Osse. Sijnde een platse van lande streckende suut ende noort, sijn selfs lant ande oostssijde ende velt ant noorthende, commende metten westsijde inde vaert half mede ghemeten. Met een nederijnghe inden noordwesthoucke, daer men secht den Gouden Osse verdroncken te sijne.
 
Wat was nu die Gouden Osse?
Er was een huisje met die naam, er was een Gouden Ossevelt, maar dit alles kan niet verdrinken. Was het een dier, een mooie os, of was het een boot met die naam, mogelijk daar verdronken of verzonken?
Volgens Andre Van Poucke  was de Gouden Ossevaart een beek die liep van de grens van Aartrijke en Bekegem naar de Bourgognevaart. Deze werd gebruikt om mest aan te voeren uit de steden Nieuwpoort en Oostende. Bij het terugvaren namen ze hout mee uit het Houtland. Gestella krantje nr. 1  maart 2000
 

7 De  legende van het beeldje van OLV te Bekegem.

 
A De miraculeuze O,L.Vrouw te Bekegem.
Hebt ge dat al g’hoord van de miraculeuze Onze Lieve Vrouwe gunter in ‘t kapelletje aan ’t Schipleed. D’r is daar nog ieder jaar ne bedevaart naartoe. D’r heeft hier ne paster geweest die dat were ingericht heeft. Dat was een oud beeldetje dat heel uitgemijterd was. ‘t Was niet meer schone en de paster verving het deur een nieuw schoon beeld. Dat waren ton nog slijkstraten en ‘t had ‘s nachts geweldig geregend. Dat oud beeldetje stond in de sacrestie en ‘s nachts ging het van de sacristie naar ginder en heel heur  kleren waren beslijkt. Ze zette dat nieuw beeld nere en ze ging daar were zelve gaan staan.
 
B OLV komt van het kasteel terug naar de kapel
Gisèle Simpelaere
Het verhaal komt van haar moeder
 
 
 
O. L. VROUW van de BOSKAPEL
Troost in Nood
Bekegem
 
Pastoor Valère Nys 1946-1950, heeft de bedevaart naar de Boskapel (her)ingericht in 1948. Deze bedevaart wordt elk jaar op tweede Pinksterdag gehouden.
In 1965 riep pastoor Gadeyne van de Sint-Amandusparochie zijn parochianen op om oude sierraden van edelmetaal op de pastorie binnen te brengen zodat hij er een gouden kroontje voor Maria en een zilveren voor het kindje Jezus kon van maken. Ondanks de magere giften werden in 1966 de kroontjes tijdens de bedevaart op het waardevolle marmeren beeld van vijftien kilogram geplaatst. Daarenboven werd het beeld versierd met een kostbare diamantketting die geschonken was door een vooraanstaand persoon van Bekegem en een erfgoed was van zijn overleden vrouw. Op 4 april 1974 werd het beeld evenwel gestolen, maar de sierraden werden afgenomen en met rust gelaten. De diefstal werd nooit opgehelderd, maar men kon een vervangbeeld maken in klei dankzij een afgietsel dat een kunstenaar bewaard had. Die kunstenaar, dat is Charles Decoster, rasechte Bekegemnaar en zoon van Livin Decoster (Vinn Pré). Hij had vroeger een afgietsel gemaakt van het beeld en maakte nu een nieuw. (Zie apart artikel over Charles Decoster onder ”Kunst”.)
Nog steeds zakken gelovigen in grote aantallen af naar de Boskapel wanneer op pinkstermaandag de jaarlijkse bedevaart gehouden wordt.
 
 

8 Het ontstaan van de parochies Bekegem, Zerkegem en Snellegem

 
Andre Van Poucke
 
Als kind hoorde ik mijn vader het (korte) verhaal over het ontstaan van de parochies Bekegem, Zerkegem en Snellegem. Zelf had hij dit van zijn moeder, die al in 1937 overleden was. Ze was afkomstig van Zerkegem en er geboren in1878. Later heb ik dit verhaal nooit meer gehoord noch ergens gelezen. Toch wil ik het hier zo goed mogelijk na vertellen. Immers wat geschreven staat zal wellicht ook blijven!
In een heel ver verleden, op een warme, zwoele zomerdag, kwamen eens drie zendelingen vanuit Torhout naar onze streken om alhier bij onze verre voorouders het christen geloof te verkondigen. Deze drie mannen waren de HH. Amandus. Vedastus en Eligius (of Elooi). Toen ze ter hoogte van het Tentestuk (grens Bekegem met
Zerkegem-zuid gekomen waren, brak er een geweldig onweer los, zoals het in de zomer wel eens meer gebeurt. De drie mannen zetten het op een lopen op zoek naar een geschikte schuilplaats. Amandus liep in westelijke richting en vond een holle boom om in te schuilen waar nu ongeveer Bekegemkerk staat. Vedastus en Elooi liepen in oostelijke richting. Vedastus was de rapste om een schuilplaats te vinden: waar nu Zerkegemkerk gebouwd is. St. -Elooi kon nergens schuilen en bleef maar doorlopen. Toen het onweer over was, stond
hij waar thans Snellegemkerk staat. En zo ontstonden de parochies Bekegem, Zerkegem en Snellegem.
Men beweert dat er in legenden altijd een stukje waarheid zit.
Hoe zou dat kunnen in bovenstaand verhaal?
1. Te Torhout bestond er inderdaad een zendelingenklooster van waaruit missionarissen uitgezonden werden. Het werd in de 7e eeuw door St. -Elooi gesticht. Laatstgenoemde is dus zeker in onze streek geweest. Torhout was al in de Romeinse tijd door diverse wegen met andere centra verbonden. Via de Zeeweg naar Oudenburg en Steenstraat naar Aartrijke waren de verplaatsingen “gemakkelijk” te doen. Zendelingen kwamen vanuit Torhout sinds het jaar 834.
2. St.-Amandus werd op het einde van de 6e eeuw geboren te Nantes, in Frankrijk. In 639 werd hij bisschop gewijd en kwam prediken in Vlaanderen. Vooral langsheen de Schelde. Via de Leie en de , volgend blad ontbreekt.
 

9 Een Duitse schaper heeft een toverspreuk om naar huis te vliegen

 
Een Duitse schaper vloog iedere zaterdag door de lucht naar huis. Een jongen die een keer met de schaapherder wilde meevliegen, vergiste zich bij het uitspreken van de toverformule en zei: “Door alles” in plaats van “Over alles”. Die jongen vloog overal tegenaan. (W. Van Houcke)
 
Een beetje uitleg
Heel wat verhalen doen nog steeds de ronde over deze ingeweken personen uit het huidig Nederlands-Limburg, die zich hier volop vanaf 1720 met hun kooien schapen blijvend kwamen vestigen, wat eigenlijk niet de bedoeling was. Zij waren aangeworven om deze dieren naar hier te brengen, die hoofdzakelijk als weideverbeteraars op schorren en dijken graasden. In feite was daarmee voor hen hun opdracht ten einde. Hun vreemde tongval en uiteraard iets andere leefgewoonten, vielen de plaatselijke bevolking op en een fantasierijke wereld werd geschapen.
Deze schaapherders waren veelal jongens afkomstig uit Grathem, Heythuizen, Stramproy, Baexem, Hunsel, Maastricht, Leveroy. De Limburgse jongens gingen dikwijls een huwelijk aan met meisjes van de streek en vestigden zich alhier.
 

10 Watergeesten

 
A Een waterduivel verblijft aan de wal in de Leegstraat te Bekegem.
Niemand durfde voorbij de wal in de Leegstraat te wandelen, omdat men geloofde dat daar een waterduivel zat. (W. Van Houcke)
 
B. Een waterduivel in de “Keelpit” (Sierens E)
“De Keelpit” bevindt zich op de plaats waar de Pierlinckbeek en de Bourgognebeek samenvloeien en waar de Bourgognevaart begint. Op die plaats ontstaat een draaikolk die het onderliggende zand en slijk vanuit de bodem van de vaart meesleurt. In werkelijkheid is de put vermoedelijk in tijden van sterke waterstromingen een meter diep. In mijn verbeelding is hij wel drie meter diep.
In de zomermaanden gaan de kinderen uit de omgeving visjes vangen in de beek. Als je de beek afdamde en alle visjes tussen de dammen ving met netten, had je er heel veel (10000 of 100000?). Om de verhinderen dat de kinderen in die diepe put zouden verdrinken vertelde men hen dat ze in die omgeving niet mochten komen. In de put huisde immers “Kalle”, een kwaadaardig monster.
Een andere “Kalle” verbleef op de zolder van de zusters boven de klassen. Zuster Genoveva dreigde ermee de stoute kinderen bij Kalle te steken. Telkens er iemand op de zolder liep wees de zuster ons erop dat Kalle weer op gang was. Op die momenten was het muisstil en iedereen was bang.
 

11Tovenaars

 
Tovenaar voorspelt de toekomst.
Een tovenaar voorspelde dat een man bij de loting het nummer 211 zou trekken. De voorspelling kwam uit. (W. Van Houcke)

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.