Jacob Buyck en G. Gezelle

Buuck Jacob  + 1536  (zie “Rond de Heerd” 3e jaargang pg 201/202, bijlage 1 en (http://www.dbnl.org/tekst/_ron001186802_01/)
 
In “Rond de Heerd“ 3e jaargang nr 26 van 13 mei 1868, schreef Guide Gezelle een artikel over Jacob Buuck, pastoor van Bekegem. Alles wat we weten over deze pastoor komt uit dit artikel.
Buuck 
Bij de vernieuwing van de kerk in 1857 liet bisschop Faict “een versleten kalkachtige steen” inmetsen in de buitengevel van de zuidelijke kruisbeuk van de vernieuwde kerk. Voorheen werd de steen gebruikt als deurdorpel van de achterdeur van de pastorie. (vermoedelijk de pastorie aan de andere kant van de kerk in de Dorpstraat). In de paastijd van 1868 kwam Gezelle naar Bekegem en schreef alles af wat er op de steen stond gebeiteld. Dit was niet min. Het was het gehele testament van pastoor Jacob Buuck. (zie bijlage 1, Gezelle gebruikte wel de spelling van zijn tijd.). Tegenwoordig zijn alle letters verdwenen en de steen is helemaal afgeschilferd. In het testament stond o.a. vermeld dat ieder jaar een jaargetijde moest gecelebreerd worden. In 1868, toen Gezelle het testament overschreef werd het jaargetijde nog steeds gezongen, in 1868 was dat op 24 mei.Gezelle
 
Jacob Buuck wenste dat men in de kerk van Bekegem, ieder jaar en voor eeuwig, een jaargetijde op “de eersten dag in wedemaand” zou gecelebreerd worden “ter eere van Gode en van Maria, zijne gebenedide Moedere, ende alle Gods heiligen, ende ter lavenesse van alle zielen”, de eerste keer in 1536. Het moest een plechtige gezongen “Messe van Onze Lieve Vrouwe, die men zegt de Guldenmesse Missus, – 1e j. 17; 2j. 19.
 
Op de woensdag in Quatertemper, voor kerstmis “, tusschen den dagraad ende ’t rijzen van de zonne”,moest het O.L.Vrouwe altaar met de beste habiten (altaarkleed) bekleed zijn. Hiervoor zal de prochiepriester 10 grooten per jaar ontvangen. (Quater temper-daqen, aldus genoemd, omdat zij in den aanvang der  jaargetijden (quatuor-tempora)  geplaatst zijn. Zij zijn gesteld op de Woensdagen, Vrijdagen en Zaterdagen na den 3e  Zondag van den advent (winter). Na den eersten Zondag der vasten (lente), na het Pinksterfeest (zomer). Na het feest van kruisverheffing (herfst).)
 
Verder moet voor eeuwig op Jesus dag een plechtige gezongen mis ter ere van Jesus gecelebreert worden met de beste habite (habijten). Na de mis moet het H. Sacrament tentoongesteld worden op het hoofdaltaar tijdens het gezongen lof. Hiervoor zal de “prochiepape” jaarlijks 8 grooten ontvangen.
 
Op de zondag voor Cinxen moest een jaargetijde gedaan worden ter lafenis van de Heer Jacob Buuck, presbyter. De pastoor zal hiervoor ontvangen van “vigilie met 3 lessen commendatie, van offerwas en van de mis”, 12 grooten per jaar.
 
De kosters en de altaarmeesters moeten ieder jaar, de dag voor de twee plechtige missen, de altaren openen en aankleden, het beeld van Maria versieren, de kerk zo goed mogelijk versieren. De koster moet “’s navens ende ’s nuchtens ter Messe luiden, beiaardende, te elcken drie poozen, ende de voorzeide twee Messen bedienen ende zingen in de beste cappe, zo plechtig mogelijk. Op zaterdagavond en op zondag moet de koster het voornoemde jaargetijde luiden met twee klokken, binnen de vigilie de vigilieklok luiden, het jaargetijde bedienen en zingen. Hiervoor ontvangt de koster jaarlijks 16 grooten. (vigilie: van oorsprong een nachtwake, in het bijzonder voorafgaand aan een kerkelijk hoogfeest)
 
De koster moet ieder jaar gedurende de “Messe van Missus” de klok luiden al beiaardende wanneer de offerande en de consecratie begint. De koster zal hiervoor 4 grooten ontvangen. Hij moet wel de luiders betalen.
 
De kerkmeesters en altaarmeesters moeten ieder jaar gedurende de twee missen het was laten branden over geheel de kerk, nabij alle reliquien moeten kaarsen staan. Gedurende de consecratie moeten 4 toortsen ontstoken worden. Gedurende het jaargetijde moet een pelder (baarkleed, lijkkleed) gespreid worden met twee brandende kaarsen. De dismeester moet ieder jaar gedurende de “Messe van Missus” en in ’t jaartijde telkenmale de “ disch rechten”, elke reize met 3 provenen, elk van 3 grooten. Hiervoor ontvangt de disch 18 grooten.(provene: het deel van de uitdeling bestemd voor één arme)( De dag van de begrafenis werd een distafel opgesteld in de kerk, waar men de broden (of andere objecten) plaatste (provens, prebenden).
 
Voor alle voornoemde zaken werden voldoende vergoedingen betaald, de kerkmeesters zijn ertoe verbonden de voornoemde goddelijke diensten ten laste van de kerk te doen onderhouden.
 
Een beetje uitleg door Guido Gezelle gegeven
  • In Bekegem stonden er vermoedelijk, zoals op veel plaatsen in die tijd, altaren met luiktafels erop die men naar wens kon openen of gesloten houden. Gedurende de advent, de vasten, een uitvaart of “op een mageren dag” bleef alles toe, ten teken van rouw en boetvaardigheid. Bij feestelijke aangelegenheden stond het altaar wijd open in al zijn pracht. Boverdien werd het altaar nog “gehabiteerd” of aangekleed met kostbare weefsels. Ook de afsluitingen die de altaren en kapellen afsloten in de rest van de kerk werden opengezet.
(Aan het einde van de 13e eeuw ontstaan de reliekaltaren die voortkwamen uit het Cisterciënzermilieu. Deze staan aan de oorsprong van de veelluiken, een altaarstuk met beweegbare luiken die vaak het gehele jaar gesloten waren behalve op de feestdagen. De altaarstukken hadden door hun beweegbare luiken een meer dynamisch effect, hierdoor hadden ze een groter effect op de gelovigen. Het visuele element was voor de middeleeuwse analfabetische gelovige erg belangrijk. De afbeelding op het altaarstuk vertelt een verhaal dat de gelovige kent van de kerkmis en brengt hem in contact met de heilige op de afbeelding. Er wordt echter nooit rechtstreeks naar de afbeelding gebeden, dat zou heidens zijn, maar de afbeelding wordt beschouwd als een poort naar de wereld van de heiligen.Een voorbeeld van een altaarstuk is het “Lam Gods van Van Eyck”.)
  • Kosters met een onderkleed en een surplis of een overstrop was de gewoonte surplismaar een koster met een “choorcappe”, daar had Gezelle nog niet van gehoord. “Van hooren zeggen” wist hij dat men in sommige prochies in het Kamerrijk, de cantor dienst deed in plechtige missen, zonder rok of soutane, wel met een surplis en kap. Gezelle toonde zich verontwaardigd: “dat ze dan nog hun broekbenen dekten, maar zonder iets….. (Wikipedia: de koorkap, is een tot aan de voeten afhangend, wijd liturgisch gewaad dat gedragen wordt door geestelijken)
 
 
  • Naar Gezelle: “Nu en hangt en luidt er maar eene klokke meer te Bekeghem, kerk1  kerk2  waarder, luidens testamente, eertijds twee hongen; hoe ze nu de tweede zouden bergen en wete ik niet; immers eenige voeten boven de ingangdeure en rijst er maar een zeer nederig houten torretje meer, dat, ongetwijfeld, gelijk geheel de kerke dan, sichten de fundatie van Mijnher Buuck, al lange vernieuwd is. Gemakkelijk is het om na te gaan dat de voormalige kruiskerke, met haar houten welfsel of beslag, in opwaards vlammende bouwbogen ten jare 1636 gesticht, schier nog ongehinderd in wezen blijft. Een choor en twee ruime zijbeuken wierden er bijgevoegd in 1857”. Goed mogelijk. Voor 1630-1636 was er een eenvoudig kerkje met een grote toren ernaast staande. In die toren kunnen gemakkelijk 2 klokken gehangen hebben. Zie foto uit de kaart van Pourbus.
  • Vroeger had men de gewoonte gedurende de jaargetijden een zwart laken ofte pelder open te spreiden boven het zerk van de overledene, op de vier hoeken brandde een kaars. Het graf werd ook met wijwater besprenkeld en met wierook berookt. Als de dienst beeindigd was kwamen de geestelijken aldaar bidden. Dit was de manier zoals de testamentaris het ook wilde. In de tijd van Gezelle gebeurde dit nog in de St Salvatorkerk op de jaargetijden van de laatst overleden bisschoppen. Hier lei men de pelder voor het altaar.
(Een baarkleed, ook pelder genoemd in Vlaanderen, is een kleed waarmee de lijkbaar en/of de doodskist bedekt worden. Daar waar vroeger het baarkleed steeds zwart was, komt men thans ook witte of beige exemplaren tegen. Het baarkleed is in het midden meestal versierd met een kruis in brokaatweefsel.)
 
 
 

Bijlage : Rond den heerd derde jaar nr 26 (13 mei 1868) (http://www.dbnl.org/tekst/_ron001186802_01/)

Dagwijzer Zondag 24 mei

Op vandage nog plachten ze in Sint Amandskerke te Bekeghem,- of Beêchem, in de gemeene volkssprake,- het jaargetijde te zingen van den Eerweerden Heere mijnheer Buuck, wiens testament ik in druk geve, tot memorie van de schoone oude gebruiken en costumen, gewag van welke daarin voorhanden komt. Het staat gekapt in eenen versleten kalkachtigen steen, dien mijn Hoogweerdigste Heere en Bisschop Faict, – God loone ‘t den zorgvuldigen oudheidsminnaar! – over een paar jaar in den buitengevel van den zuiderkruisbeuk deed metsen. Te vooren lag hij, dienende voor zulle, aan de achterdeure van de priesterage ofte pastorije; hier is hij nu, de letters, te weten, die erop staan, min de oude spellinge.

“Ter eere van Gode en van Maria, zijne gebenedide Moedere, ende alle Gods heiligen, ende ter lavenesse van alle zielen, zoo heeft Heer Jacob Buuck, Presbyter, bezet in de kerke van Bekeghem, up den eersten dag in Wedemaand, anno xvexxxvi, eerst te doen celebreren eene solemnele zingende Messe van Onze Lieve Vrouwe, die men zegt de Guldenmesse, Missus, – 1e j. 17; 2j. 19- eeuwelijken allen jare, up den Woensdag in den Quatertemper, voor Kerstmesse, tusschen den dagraad ende ’t rijzen van de zonne, up Onzer Lieve Vrouwen Autaar, met de beste habiten, ten aldersolemneellijksten.Daarvooren de Prochiepape zal ontvaân des jaars x grooten. Voort eeuwelijken, allen jare up den name Jesus dag, te doen voorthalen ’t heilig Sacrament, met een zingende lof, up den hoogen autaar, ende daar ‘theilig Sacrament blijvende met de beste habiten te doen celebreren eene solemnele zingende Messe van den name Jesus, ende de Messe gedaan zijnde, besteden ‘theilig Sacrament met een zingende lof, al ten solemneeklijksten. Daarvooren de Prochiepape zal ontvaan des jaars viii grooten. Nog eeuwelijken allen jare, up den Zondag voor Cinxen, te doen doene een jaargetijde ter lavenesse van de ziele van Heer Jacob Buuck Presbyter. Daaraf de prochiepape zal ontvaân van vigelie met drie lessen commendatie, van offerwas ende van eene Messe, des jaars xii grooten. De koster mitsgaders de autaarmeesters moeten allen jare altoos, ’s daags voor de voorzeide twee solemnele Messen, open doen en habiteren al de autaren, en pareren den beelde van Maria, ende de kerke overal versieren ten eerlijksten, en de koster ’s navens ende ’s nuchtens ter Messe luiden, beiaardende, te elcken drie poozen, ende de voorzeide twee Messen bedienen ende zingen in de beste cappe, ten aldersolemneellijksten. Ende des Zaterdags ’s navens ende up den Zondag, telkens ’t voorzeide jaargetijde luiden met twee klokken, over dooden, ende binder vigilie doen luiden eene vigilieklokke, ende ’t jaargetijde bedienen ende zingen. Daarvooral de koster zal ontvaân des jaars xvi grooten. De koster moet allen jare doen luiden beiaardende van dat men de Messe  van Missus begint tot der offerande, ende van der consecratie tot de Messe gedaan wordt. Daarvooren zal de koster nog ontvaân ende betalen de luiders des jaars iiii grooten. De Kerkmeesters Autaarmeesters moeten allen jare de voorzeide twee Messen lang gedurende doen ende laten bernen al ’t was over al de kerke, met al de keersen up al de Reliquien, ende met vier toortsen ter consecratie al bernende, en in ’t jaartijde dekken eenen peldere, ende daarover doen voort bernen twee keersen. En de dischmeester moet allen jare in de Messe van Missus en in ’t jaartijde telkens rechten den disch, elke reize met drie provenen, elk van iii grooten, komt den disch des jaars xviii grooten. En voor al dies voorzeides zoo heeft Heer Jacob voorzeid der kerke van Bekeghem upgedregen zekere suffisante goedingen; dies zijn Kerkmeesters gehouden ende staan verbonden den voornoemden goddelijken dienst ten laste van der kerke in der eeuwigheid te onderhouden ende te doen onderhouden, up pene van de zelve goedingen te verliezen”.

‘k Avonture te vermoeden dat er te Beêchem, lijk in vele plekken ten dien tijde, autaren stonden, met luiktafels daarop, die men naar een’s beliefte wist open of toe te luiken. Was ’t ieverst Advent, of Vasten, een uitvaart of op een mageren dag, dan bleef alles toe, uit teeken van rouwe ende boetveerdigheid; was ’t feeste, of zongen ze alleluia, zoo stond den autaar wijd open, in al zijne pracht, en wierd nog daarenboven gehabiteerd, ofte gekleed, dat is, wederzijds en van vooren, met kosbare zijden geweefsels, rijke behangen, opgetooid, ende verhemeld, zoo men zei. De tuins wierden ook opengedaan, die de capellen en autaren van de overige kerke plachten af te sluiten.

Kosters met een onderkleed en een surplis, of een overstrop, dat zien wij geheele dagen; maar, met eene choorcappe, voor eenen koster, helpen dienst doen, dat is een ander paar mauwen. Ik wete nogtans, van hooren zeggen, dat, in prochiên al ’t Kamerijksche de leeken, zonder rok of soutan, met surplis en cappe, Cantor staan in de solemnele Missen. Dekten ze nog eenthoe hun broekbeenen, maar zonder iet!

Nu en hangt en luidt er maar eene klokke meer te Bekeghem, waarder, luidens testamente, eertijds twee hongen; hoe ze nu de tweede zouden bergen en wete ik niet; immers eenige voeten boven de ingangdeure en rijst er maar een zeer nederig houten torretje meer, dat, ongetwijfeld, gelijk geheel de kerke dan, sichten de fundatie van Mijnher Buuck, al lange vernieuwd is. Gemakkelijk is het om na te gaan dat de voormalige kruiskerke, met haar houten welfsel of beslag, in opwaards vlammende bouwbogen ten jare 1636 gesticht, schier nog ongehinderd in wezen blijft. Een choor en twee ruime zijbeuken wierden er bijgevoegd in 1857. Pastor Joseph Benedict De Bergh, van Watou, had eenige middels vergaard en ging de hand aan ‘twerk slaan, toen de Dood hand aan hem sloeg, en dat schielijk, op den 10 Meie 1857. Zijn opvolger, de Eerweerde Heer Mijnheer David van Poucke, van Coolscamp, lukte beter, en hij liet te Bekeghem eene schoone kerke, alswanneer hij den 22 Februarij 1862 zijn eervol ontslag vroeg en bekwam. Hij overleed te Kortrijk, den 16 december 1864, oud zijde 67 jaren. R.I.P.

Hiervoortijds placht men, op de jaargetijden, een zwart laken ofte pelder open te spreiden boven den zark of grafsteê van den overleden; aan ’t hoofd en de voeten, of op de vier hoeken stonden er keersen te branden, en, als de dienst te einden liep, zoo kwamen de geestelijken aldaar bidden, gelijk de boven genoemde testamentaris het ook wilde, en het graf mat spaarswater en wierook vereeren; ’t was gene nog alle jaren in Sint Salvators, te Brugge geschiedt, den 23 Maarte en den 1 october, op de jaargetijden van onze laatst overledene Bisschoppen zaliger, en ‘tgene in andere kerken, te verscheiden tijden, ‘tgebruik is, maar den pelder legt men voor den autaar.

De oogen vast uitgekeken en moê van schrijven was ik, toen ik dit testament opgenomen had, in de verleden Paaschtijd. Al wegtrekken van ’t kerkhof hield ik nog een luttelken stille om eenen Onze Vader te lezen op het graf van den Eerweerden Heer Antonius Desmadryl, van Elverdinghe, laatsten kloosterling van de vermaarde abdije van Sinnebecca ote Zonnebeke, tegen Ieper. Bij dat ik vernomen vernomen hebbe stond hij, achter de suppressie, 6 jaar als pastor te Dixschote, 3 jaar te Lampernesse, en 15 jaar te Bekeghem. Ontslaggever in 1840 bouwde hij hem eene sierlijke woninge, digte bij het kerkhof, en verschied er op Allerzielendag, in ‘tjaar 1849, in den ouderdom van 82 jaren en half. Zijne en aller kerstenen zielen weze de Heere Jesus bermhertig ende ontfermighertig!

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.