De France Eustachius

De France  Eustachius

(12/5/1640 tot 5/2/1644)
Clericus van het bisdom Ieper
– 11/7/1632 kapelaan in Beerst, verblijft er niet
– 29/6/1634 studeert aan de universiteit van Douai
– 3/9/1639 kapelaan in Gistel, hij was er kapelaan van het altaar “Maria-Magdalena” ( in ieder geval van 1639 tot begin 1644). Hij werd genegeerd door de andere kapelaans.
– 12/5/1640 Op deze datum aangesteld als deservitor van Bekegem, om te beginnen op  St Jansmisse 1640. Joannes Van Ghenachte bleef evenwel pastoor, maar verbleef in Ardooie (B21). Eustachius de France was terzelfdertijd kapelaan in Gistel en resideerde ook aldaar. Hij ontvangt jaarlijks 24 pond voor het celebreren van de diensten op zondagen en feestdagen ( B21). Op 19/11/1643 werd nogmaals bevestigd dat hij jaarlijks 24 pond ontvangt als deservitor van Bekegem.  (B22-1 en B22-1a)
– 5/2/1644 pastoor in Werken
– 19/11/1647 pastoor in Keiem
– 27/10/1667 kapelaan St Kruis Brugge
 

Het kapittel van Gistel[1] (1422-1796)

Een kapittel is een vereniging (collegium van geestelijken, die, elke dag, in hun eigen kerk bijeen komen voor de mis en de kerkelijke officien.
In vroegere tijden waren het vooral bisschoppen die zich omringden met een kapittel van kanunniken. Dit waren hun naaste medewerkers en raadgevers.  Het voornaamste werk van de kapittelheren of kannuniken was de plechtige koordienst: mis en de volledige getijden. De getijden bestonden uit ‘smorgens metten en lauden, ‘savonds de vespers en completen, en overdag de primen, tertsen, seksten en nonen.  We spreken dan nog niet van de talrijke fundaties-dodenofficies en jaargetijden, die in de oude tijd bestonden. Een kannunniek die zijn werk goed wilde doen, kon zich al niet veel andere zaken aantrekken. En moest als noodzakelijk in de schaduw van zijn kerk gaan wonen, zoals kloosterlingen. Maar dat is toch ondanks de vele pogingen maar half gelukt. Zij, die in feite samenleefden, zijn tot ware kloosterlingen geevolueerd en heten reguliere kanunnikken, in tegenstelling met de anderen, die seculieren heten.
 
Het kapittel van Gistel werd gesticht door Isabelle, vrouwe van Gistel. Zij was de dochter van Jan VI van Gistel, gouverneur-generaal van Vlaanderen en wellicht de belangrijkste en rijkste man uit het geslacht van Gistel. Isabella was het oudste kind uit zijn huwelijk met Margareta van Reigersvliet. In 1422 of eerder werden enkele kapelanieën gesticht ter zaligheid van haar overleden familieleden. Elke kapelaan had zijn eigen altaar in de kerk van Gistel. Er was vooreerst de kapelanie van het kasteel, vulgo dictu Castri, toegewijd aan “Alle Heiligen”, dan de kapellanie Sancta Maria, gezeid van de Middelmesse (te lezen tussen de vroegmis en de hoogmis)  en vervolgens de kapelanieën van Sint Jan-Baptiste, Sint-Godelieve, Sint Jacob, Sint Joris en Maria Magdalena. De toewijzing van deze zeven kapelaans heeft zij steeds voorbehouden aan zichzelf of aan haar opvolgers.
In 1422 verenigde zij deze kapelaans in een collegiaal kapittel en hen belast met dagelijks de zeven canonicale getijden te zingen, zoals het gebruikelijk was in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge. Daarbij moesten zij ook elke maandag, woensdag, vrijdag en zaterdag een H. Mis zingen aan het Sint Anna altaar, halfweg links in het koor. Om de kapelaans te vergoeden schonk zij de tienden die zij bezat in Moere en in Zande, ter waarde van 3000 gouden kronen. In de loop der jaren heeft het kapittel ook onroerende goederen verworven. Van de stichteres moesten de kapelaans ter plaatse resideren. Daarvoor bezat het kapittel enkele huizen in de onmiddellijke omgeving van de kerk. Des residentieplicht was altijd een probleem, want sommige kapelaans cumuleerden ook andere bedieningen.
Om de goede orde te verzekeren kreeg het collegiaal kapittel in 1498 eigen statuten, goedgekeurd door Pieter van Luxemburg, achterkleinzoon van de stichteres, als heer van Gistel. De statuten handelen onder meer  over het klokkengelui, zomer en winterkledij,  de manier van zingen, het rechtstaan en het knielen, een aantal bijzondere regels voor zon en feestdagen, de volgorde van de zitplaatsen in het koorgestoelte, 4 langs de epistelkant en vier langs de evangeliekant. Om de plaag van het absenteïsme tegen te gaan kregen de aanwezige koorleden driemaal daags (na de metten, hoogmis en completen) “loontiens” (loodjes) die om de drie maanden werden uitbetaald in klinkende munt. Artikel 30 doet even glimlachen: “Si quis ebrietate captus…”, indien iemand dronken in het koor komt of scheldwoorden gebruikt, verliest hij zijn deel in de distributie.
Elk jaar verkozen de leden van het kapittel uit hun midden een deken en een secretaris, aanvankelijk voor één jaar, later voor meerdere jaren.
In februari 1631 wed het kapittel heropgericht.
Waarschijnlijk had Gistel weinig te lijden van de Beeldenstorm die vooral de Westhoek teisterde, maar des te meer vanaf 1578, toen het bestuur van het Brugse Vrije hoe langer hoe meer in handen kwam van protestanten en staatsgezinden. Ook het kapittel bleef niet gespaard. “Postquam temporum calamitas, belli, haeresum grassatio per fere sexaginta annos…”, na de rampzalige tijd van oorlog, ketterij en plundering gedurende ongeveer zestig jaar…, zo schreef de secretaris bij de heroprichting van het kapittel in de acta. Al eerder had de Brugse bisschop Denis Stoffels in 1627-1628 de statuten herzien en de verplichtingen gereduceerd. Er bleken toen nog vier kapittelheren de troebele tijd van de opstand te hebben overleefd.
Voorwaarde om te worden aanvaard in het kapittel en om te delen in de distributie was het gregoriaans kunnen zingen. Hun aanstelling gebeurde met de nodige “solemniteyt ende ceremonie”, geknield in superplie met de “almutia (pelsmanteltje) op de arm en de bonnet in de hand.
Ook de woningen of residenties van de kapelaans waren tijdens de godsdienst twisten verwaarloosd. Sommige waren reeds 30 jaar niet meer bewoond. Het huis van Eustachius de France werd in 1644 hersteld op kosten van het kapittel, vooraleer J. d’Hertoge erin kon  (De France werd in februari 1644 pastoor in Werken). Twee andere huizen volgden een jaar later. In het kapittel was het niet altijd peis en vree. Dikwijls was er betwisting omtrent de voornaamste plaats in het koor (het eerste gestoelte aan de epistelkant). Was deze plaats voorbehouden aan de deken of aan de pastoor?
Het kapittel had heel wat eigen middelen. Vanaf de stichting in 1422 bezat het kapittel twee derden van de tienden in Moere en een achtste van de tienden in Zande en Zevekote. In de jaren 1773-1777 brachten deze tienden 260 pond op. Daartegenover stonden zware bijdragen voor het onderhoud van de pastoor, de kerk en de pastorie van deze parochie. In de loop der jaren kreeg het kapittel ook talrijke renten bezet op landerijen. In 1681 brachten deze renten 32 pond groten op. Belangrijk waren de pachtinkomsten van 255 percelen land die het kapittel in de loop der jaren had verworven in zeer veel gemeenten uit het omliggende. De opbrengst van de landpachten schommelde in de jaren 1773-1777 rond de 155 pond. Evenwel volstonden al deze inkomsten amper om de uitgaven te dekken. De jaarrekeningen sloten dikwijls met een negatief saldo.
Op 1 september 1796 werden ondermeer alle collegiale kapittels afgeschaft en de kapittelgoederen tot nationaal domein verklaard.
Opmerk: art 24 van het reglement: Ieder habituant zal zijn tonsuur vernieuwen op de werkdag voor een feestdag, zodat hij de vespers van die dag met een waardige tonsuur zal bijwonen. Wanneer de tonsuur ten hoogste drie dagen geleden vernieuwd is, mag hij hierop een uitzondering maken. Deze uitzondering geldt niet voor de feestdag van de heilige Laurentius (10 aug)
 
  Gistel stad
Kaart van “Gistel stad[2]

[1] Het kapittel van Gistel (1422-1796) door Alban Vervenne in Biekorf 2011 nr 1 en dagklapper English
[2] Bevindt zich in het documentatie centrum Gestella

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.